Hoofdstuk 10 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
VUURHART WERD bij zonsopgang wakker met het beeld van zijn zusje nog steeds duidelijk in zijn hoofd. Hij drong naar buiten in de hoop dat de dagelijkse routine hem zou afleiden. Het was opnieuw een ijzig koude ochtend. Witstorm en Langstaart stonden bij de ingang van het kamp klaar om op patrouille te gaan. Muisbont kwam langs trippelen op weg naar hen toe en begroette Vuurhart met een vrolijke mauw. Witstorm riep Zandpoot die net op tijd haar hol uit kwam rennen om zich bij de vertrekkende patrouille te voegen. Het was een tafereel dat Vuurhart al vele malen had gezien maar dit keer verlangde hij er niet naar zich bij hen aan te sluiten toen ze wegstormden het ochtendfrisse woud in.
Hij trippelde over de open plek en vroeg zich af of Sintelpoot al wakker was. Vlekneus drong zich net door de smalle ingang van de kraamkamer naar buiten. Een gevlekt jong kwam achter haar aan, en daarna nog een. Een derde kitten, bleekgrijs met donkerder vlekken net als de andere, tuimelde naar buiten en viel op de grond.
Vlekneus pakte hem op bij zijn nekvel en zette hem zachtjes op zijn poten. De tederheid waarmee Vlekneus dat deed, bracht zijn droom weer helemaal terug. Zijn moeder had vast hetzelfde voor hem gedaan. Hij wist dat Vlekneus’ vierde jong vlak na de geboorte gestorven was en nu leek ze nog intenser te houden van de overgebleven jongen.
Vuurhart voelde een steek van jaloezie bij de gedachte dat de andere katten allemaal iets deelden wat hij miste — ze waren allemaal in de Clan geboren. Vuurhart was altijd trots geweest op zijn loyaliteit aan de Clan die hem had opgenomen en hem een leven had geschonken dat hij als poesiepoes nooit zou hebben gekend. Die loyaliteit voelde hij nog steeds — hij was bereid te sterven om de DonderClan te beschermen — maar niemand in de Clan begreep of respecteerde zijn poesiepoeswortels. Vuurhart wist zeker dat de poes die hij gisteren had gezien dat wel zou doen. Met pijn in zijn hart vroeg hij zich af welke herinneringen zij zouden delen.
Vuurhart hoorde Grijsstreeps zware pootstappen achter zich. Hij draaide zich om en strekte zijn nek om ter begroeting Grijsstreeps neus aan te raken. ‘Zou jij vandaag Sintelpoot onder je hoede kunnen nemen?’ vroeg hij. Grijsstreep keek hem nieuwsgierig aan. ‘Waarom?’
‘O, niets belangrijks,’ antwoordde Vuurstreep zo achteloos als hij maar kon. ‘Ik wil gewoon iets controleren wat ik gisteren zag. Maar let wel goed op Sintelpoot: ze luistert niet echt naar bevelen. Blijf haar in de gaten houden anders schiet ze alle kanten op.’
Grijsstreeps snorharen trilden geamuseerd. ‘Zo te horen zal ik mijn poten vol aan haar hebben! Maar voor Stropoot zal het wel goed zijn. Hij schiet nooit ergens heen voor er eerst eens goed over na te denken.’
‘Bedankt, Grijsstreep!’ Vuurpoot sprong meteen weg naar de ingang van het kamp, voor zijn vriend op het idee zou komen hem te vragen waar hij heen ging.
Toen hij tussen de bomen de tweebeenplaats in het oog kreeg, dook Vuurhart ineen. Hij deed zijn mond open en ademde de koude ochtendlucht in. Geen teken van een DonderClanpatrouille en ook geen tweebeengeur. Hij ontspande een beetje.
Langzaam naderde hij het tweebeenhek waarover hij de poes had zien verdwijnen. Hij aarzelde onderaan het hek, keek rond en snoof nog een keer. Daarna nam hij een gemakkelijke sprong en landde op een van de palen. Geen tweebeen te zien — alleen een lege tuin met sterk ruikende planten.
Op de paal voelde Vuurhart zich veel te zichtbaar.
Vlak boven hem hing de tak van een boom. Er zaten geen bladeren meer aan, maar je kon je daar toch gemakkelijker verbergen. Hij trok zich geluidloos omhoog en ging op de tak liggen wachten, zo plat mogelijk tegen de ruwe schors aangedrukt.
In de ingang naar de tweebeenplaats zag Vuurhart een zwaaiende flap. Net zo een als hij als kitten had gebruikt. Hij bleef de flap in het oog houden in de hoop dat het gezicht van zijn zusje elk ogenblik kon verschijnen.
De zon rees langzaam op aan de ochtendhemel, maar Vuurhart begon het koud te krijgen. De natte tak trok alle warmte uit zijn lichaam weg. Misschien hielden de tweebenen zijn zusje binnen. Per slot van rekening moest ze binnenkort jongen. Vuurhart likte een poot en vroeg zich af of hij niet beter naar het kamp terug kon gaan.
Plotseling hoorde hij gekletter. Vuurhart keek op en zag zijn zusje door de zwaaiende flap naar buiten glippen. De vacht op zijn rug rimpelde vol verwachting, en hij moest zich inhouden om niet direct haar tuin in te springen. Maar hij wist dat hij haar dan net zo aan het schrikken zou maken als hij gisteren had gedaan. Hij rook nu als een boskat, niet als een ongevaarlijke poesiepoes.
Vuurhart wachtte tot zijn zusje op de rand van het grasveld was gekomen, daarna sloop hij naar het uiteinde van de tak en liet zich op het hek neer. Vlug sprong hij in de struiken beneden. De geur van de poes bracht zijn droom helemaal terug.
Hoe kon hij haar aandacht trekken zonder haar bang te maken? Wanhopig zocht hij in zijn geheugen naar de naam die zijn zusje gekregen had. Hij kon zich alleen zijn eigen poesiepoesnaam herinneren. Zachtjes riep Vuurhart vanuit de struiken: ‘Ik ben het, Rufus!’
De poes bleef stokstijf staan en keek om. Vuurhart haalde diep adem en sloop de struiken uit.
De ogen van de kat gingen wijd open van paniek. Vuurhart wist hoe hij er in haar ogen uit moest zien: mager en wild, met scherpe bosgeuren in zijn pels. De poes zette haar haren op en siste woest. Vuurhart kon niet anders dan onder de indruk zijn van haar moed.
In een flits herinnerde hij zich de naam van zijn zusje. ‘Prinses, ik ben het. Rufus, je broer! Weet jij nog wie ik ben?’
Prinses bleef gespannen als een veer. Vuurhart vermoedde dat ze erover nadacht hoe deze vreemde kat die namen kon kennen. Hij nam een onderdanige houding aan en kreeg hoop toen hij de uitdrukking op het gezicht van zijn zusje van angst in nieuwsgierigheid zag veranderen.
‘Rufus?’ Prinses snoof diep met opengesperde ogen, nog steeds op haar hoede. Voorzichtig deed Vuurhart een stapje naar haar toe. Prinses bewoog zich niet, dus kwam Vuurhart nog iets dichterbij. Toch bleef zijn zusje waar ze was tot Vuurhart nog maar een muislengte van haar af was.
‘Je ruikt niet zoals Rufus,’ miauwde ze.
‘Ik woon ook niet meer bij tweebenen. Ik leef nu in het woud bij de DonderClan. Ik draag nu hun geur.’ Ze heeft waarschijnlijk nog nooit van de Clans gehoord, besefte Vuurhart, die zich herinnerde hoe weinig hij wist voor hij Grijsstreep in het bos was tegengekomen.
Prinses strekte haar neus uit en wreef voorzichtig met haar neus tegen zijn wang. ‘Maar de geur van onze moeder is er nog steeds,’ murmelde ze half tegen zichzelf. Haar woorden vervulde Vuurhart van blijdschap tot ze haar ogen versmalde en een stap achteruit deed met haar oren achterdochtig plat naar achteren. ‘Wat kom je hier doen?’ vroeg ze.
‘Ik zag je gisteren in het bos,’ legde Vuurhart uit. ‘Ik moest wel terugkomen om met je te spreken.’
‘Waarom?’
Vuurhart keek haar verrast aan. ‘Omdat je mijn zusje bent.’ Ze moest toch zeker wel iets voor hem voelen?
Prinses bestudeerde hem een ogenblik. Tot Vuurharts opluchting verdween de achterdocht uit haar ogen. ‘Wat ben je mager,’ mauwde ze kritisch.
‘Magerder dan een poesiepoes misschien, maar niet mager voor een Clan… een bos… kat,’ antwoordde Vuurhart. ‘Jouw geur was vannacht in mijn dromen. Ik droomde van jou en onze broers en zusjes en…’ Vuurhart hield even op. ‘Waar is onze moeder?’
‘Zij is nog steeds bij haar huismensen,’ antwoordde Prinses.
‘En waar…’
Prinses raadde al wat hij wilde vragen. ‘Onze broers en zusjes? De meesten wonen hier in de buurt. Ik zie ze van tijd tot tijd in hun tuinen.’
Ze bleven even stil bij elkaar zitten, toen vroeg Vuurhart: ‘Herinner jij je nog hoe zacht de mand van onze moeder was?’ Iets van schuldgevoel kwam bij hem op om dat verlangen naar poesiepoeszachtheid, maar Prinses snorde: ‘O ja, ik wou dat ik die had voor mijn eigen jongen straks.’
Vuurharts ongemakkelijke gevoel verdween. Het was prettig om zonder schaamte over zo’n zoete herinnering te spreken. ‘Wordt dit jouw eerste nest?’
Prinses knikte met een onzekere blik in haar ogen. Vuurhart voelde een golf van sympathie. Ook al waren ze even oud, ze leek hem erg jong en naïef. ‘Het zal heus wel goed gaan,’ miauwde hij denkend aan Vlekneus bevalling.
‘Zo te zien word jij goed verzorgd door je tweebenen. Ik weet zeker dat je jongen gezond en wel ter wereld zullen komen.’
Prinses kwam dichterbij hem en drukte haar vacht tegen de zijne. Vuurhart voelde zijn hart overvloeien van emotie. Voor de eerste keer sinds hij een kitten was, ving hij een glimp op van wat voor Clankatten heel gewoon was: de nabijheid van familie, een gemeenschappelijke band, bepaald door geboorte en verwantschap.
Plotseling wilde Vuurhart dat zijn zusje wist van het leven dat hij nu leidde. ‘Weet jij iets van de Clans af?’
Prinses keek hem onzeker aan. ‘Je had het over de DonderClan.’
Vuurhart knikte. ‘Er zijn in totaal vier Clans. Nu kwamen de woorden naar buiten tuimelen. ‘In de Clan zorgen we voor elkaar. Jongere katten jagen voor de oudsten, krijgers beschermen de jachtvelden tegen andere Clans. Ik heb de hele groenblad moeten trainen om krijger te worden Nu heb ik zelf een leerling.’ Vuurhart zag aan de verbijsterde uitdrukking op haar gezicht dat zijn zusje lang niet alles begreep wat hij haar vertelde, toch lichtten haar ogen op van plezier.
‘Het klinkt alsof je geniet van dat leven,’ mauwde ze onder de indruk.
Een tweebeenstem riep uit het huis. Vuurhart schoot meteen onder de dichtstbijzijnde struik.
‘Ik moet gaan,’ miauwde Prinses. ‘Ze worden ongerust als ik niet terugga en ik heb veel mondjes te vullen. Ik voel ze binnenin bewegen.’ Ze keek met zachte ogen naar haar gezwollen buik.
Vuurhart tuurde onder de struik uit. ‘Ga maar gauw. Ik moet trouwens toch terug naar mijn Clan. Maar ik kom terug om je te zien.’
‘Ja, dat zou ik fijn vinden!’ riep Prinses over haar schouder. Ze was al op weg terug naar haar tweebeennest. ‘Tot ziens!’
‘Tot gauw!’ riep Vuurhart. Zijn zusje verdween uit het gezicht en hij hoorde de flap achter haar dichtklappen.
Zodra het stil was in de tuin, sloop Vuurhart door de struiken naar het hek. Hij sprong eroverheen en rende het woud in. Herinneringen aan zijn kittentijd dwarrelden door zijn hoofd, plotseling veel echter dan de geuren van het bos om hem heen.
Vuurhart bleef boven aan het ravijn staan en keek neer op het DonderClankamp. Hij voelde zich nog niet klaar om terug te gaan. Hij was bezorgd dat alles daar hem vreemd zou voorkomen. Ik ga jagen, dacht hij. Sintelpoot zou nog wel een poosje veilig zijn bij Grijspoot, en de Clan zou blij zijn met wat extra verse prooi. Hij draaide zich om en ging het bos weer in.
Toen hij eindelijk terugkwam in het kamp, droeg hij een waterrat en een houtduif in zijn mond. De zon ging onder en de Clan verzamelde zich voor het avondeten. Grijsstreep zat alleen bij de brandnetelkluit met een dikke vink in zijn poten. Vuurhart knikte hem toe toen hij de open plek overstak naar de hoop verse prooi die daar al lag.
Tijgerklauw zat onder de Hogesteen met halfdicht geknepen ogen. ‘Ik zag dat Sintelpoot de dag met Grijsstreep heeft doorgebracht,’ miauwde hij toen Vuurhart zijn vangst op de hoop liet vallen. ‘Waar was jij?’
Vuurhart keek Tijgerklauw aan. ‘Het leek me een goede dag voor de jacht — te goed om te verspillen,’ antwoordde hij met bonzend hart. ‘De Clan kan op dit moment alle verse prooi goed gebruiken.’
Tijgerklauw knikte, met ogen die donker waren van achterdocht. ‘Jawel, maar we hebben ook krijgers nodig. Sintelpoots training is jouw verantwoordelijkheid.’
‘Dat begrijp ik, Tijgerklauw,’ miauwde Vuurhart. Hij boog respectvol zijn kop. ‘Ik zal haar morgen meenemen.’
‘Goed.’ De commandant draaide zijn kop en keek het kamp rond. Vuurhart pakte een muis en ging er mee naar Grijsstreep.
‘Heb je gevonden wat je zocht?’ vroeg Grijsstreep afwezig.
‘Ja.’ Vuurhart voelde een steek bij het zien van de pijn in de ogen van zijn vriend. ‘Zit je te denken aan die krijgskat van de RivierClan?’
‘Ik probeer het niet te doen,’ antwoordde Grijsstreep zachtjes. ‘Maar het gaat vanzelf wanneer ik alleen ben. Ik kan de voorspelling van Sparneus maar niet vergeten, over een onnodige dood en komende moeilijkheden…’
‘Hier,’ viel Vuurhart hem in de rede en duwde zijn muis naar Grijsstreep toe. ‘Die vink ziet eruit alsof hij voor de helft uit veren bestaat, en ik heb eigenlijk niet zoveel honger. Ruilen?’ Grijsstreep wierp hem een dankbare blik toe en de twee vrienden ruilden hun prooi en begonnen te eten.
Kauwend op de vink inspecteerde Vuurhart de open plek. Hij zag Zandpoot en Schorspoot voor het leerlingenhol. Schorspoot was druk bezig een konijn uit elkaar te rukken. Vuurhart ontmoette Zandpoots ogen maar ze keek vlug de andere kant op.
Sintelpoot zat naast de oude boomstronk waar hij als leerling heel wat maaltijden had verorberd. Ze babbelde enthousiast met Stropoot, die van tijd tot tijd knikte terwijl hij de veren van een mus plukte. Het zien van die twee jonge katten — broer en zus — die daar zo op hun gemak bij elkaar zaten, herinnerde Vuurhart opnieuw aan Prinses, en voor het eerst kreeg Vuurhart een ongemakkelijk gevoel bij deze overbekende Clantaferelen. Hij had de geur van zijn zusje heel zorgvuldig van zijn vacht gelikt voor hij naar het kamp terugging, maar het was haar geur die in zijn neusgaten achterbleef toen de zon achter de verre horizon zakte. Hij had de vertrouwdheid gevonden die hij had gemist, maar daaraan een gevoel van eenzaamheid overgehouden dat tot nu toe, vaag en onbenoemd was geweest in zijn hart. Waren de diepgewortelde herinneringen die hij met Prinses deelde sterker dan zijn loyaliteit aan de Clan?