Hoofdstuk 12 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
Vuurhart hief zijn kop op om te antwoorden, maar Sintelpoot was hem voor.
‘Het is mijn schuld, Tijgerklauw.’ Ze staarde onverschrokken op naar de grote cyperse kater. ‘We waren aan het jagen op de bevroren beek bij de trainingskuil, in de bocht bij de diepe poel. Zelfs dat stuk was bevroren. Ik gleed weg en Grijsstreep schoot me te hulp, maar het ijs was niet dik genoeg voor hem en het brak en hij viel in het water.’ Tijgerklauw keek in haar heldere ogen toen ze eraan toe voegde: ‘Het is daar echt diep. Vuurhart moest hem eruit trekken.’
Vuurhart kromp ineen bij de herinnering aan hoe hij verstijfd van angst was blijven staan toen hij Grijsstreep in de rivier zag verdwijnen.
Tijgerklauw knikte en keek naar Grijsstreep. ‘Ga jij maar liever naar Geeltand voordat je doodvriest.’ De commandant van de DonderClan stond op en liep weg. Vuurhart slaakte een zucht van verlichting.
Grijsstreep aarzelde niet. De lange run naar huis had zijn klappertanden niet veel minder gemaakt. Hij sprong weg naar Geeltands hol. Stropoot keek naar Sintelpoot en trippelde naar zijn nest, zijn staart laag bij de grond van uitputting.
Vuurhart keek naar Sintelpoot. ‘Ben jij niet ook maar een klein beetje bang voor Tijgerklauw?’ vroeg hij nieuwsgierig.
‘Waarom zou ik?’ antwoordde Sintelpoot. ‘Hij is een groot krijger. Ik bewonder hem.’
Ja, natuurlijk. Waarom zou ze dat ook niet doen? dacht Vuurpoot. ‘Jij liegt wel erg goed,’ gromde hij in een poging de strenge mentor uit te hangen.
‘Ik probeer het niet te doen,’ mauwde Sintelpoot. ‘Ik dacht alleen dat de waarheid in dit geval niet veel zou helpen.’
Vuurhart moest toegeven dat daar wat in zat. Hij schudde langzaam zijn kop. ‘Ga maar gauw warm worden.’
‘Ja, Vuurhart.’ Sintelpoot boog haar kop en rende achter Stropoot aan.
Vuurhart trippelde naar het krijgershol. Hij maakte zich zorgen over het gemak waarmee het verhaal over Grijsstreeps natte pak uit Sintelpoots mond was komen rollen. Maar hij geloofde ook dat ze een eerlijke kat was die het goed bedoelde. Hij dacht aan Ravenpoot, ook een goede kat. Was het verhaal dat hij had verteld over hoe Tijgerklauw Roodstaart had gedood, gewoon alleen dat geweest — een verhaal, dat op een onbewaakt ogenblik uit zijn mond was komen rollen? Vuurhart duwde die gedachte van zich af. Ravenpoot was doodsbang geweest toen hij het aan Vuurhart had verteld. Het was overduidelijk dat hij zijn eigen verhaal geloofde. Waarom zou hij anders zo bang zijn geweest dat hij de Clan had verlaten?
Nadat Vuurhart een paar stukken verse prooi had uitgekozen nam hij ze mee naar de brandnetelkluit. Daar installeerde hij zich en begon nadenkend op een muis te kauwen. De bewondering waarmee Sintelpoot over Tijgerklauw had gesproken, zat hem niet lekker. Het zag ernaar uit dat hij de enige was die vermoedde dat er meer met de commandant aan de hand was dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Blauwsters houding tegenover Tijgerklauw was in elk geval niet veranderd. Zij behandelde hem nog steeds met hetzelfde vertrouwen en respect dat ze hem altijd had betoond. In een flits van frustratie rukte Vuurhart nog een mondvol van zijn prooi af.
Een luid genies deed hem opkijken. Grijsstreep kwam aanlopen.
‘Hoe gaat het?’ vroeg Vuurhart toen Grijsstreep bij hem kwam, ruikend naar een van Geeltands kruidenmengsels.
Grijsstreep liet zich neervallen en hoestte.
‘Ik heb wat eten voor je bewaard,’ miauwde Vuurhart en duwde een dikke lijster en een waterrat naar zijn vriend toe.
‘Geeltand zegt dat ik in het kamp moet blijven. Ze zegt dat ik kou heb gevat,’ mauwde Grijsstreep schor.
‘Dat verbaast me niets. Wat heeft ze je toegediend?’
‘Moederkruid en lavendel.’ Grijsstreep ging liggen en begon aan de lijster te knabbelen. ‘Dit is wel genoeg voor me,’ mompelde hij. ‘Ik heb niet zo’n honger.’
Vuurhart keek zijn vriend verwonderd aan. Hij had niet gedacht dat hij Grijsstreep dat ooit nog eens zou horen zeggen. ‘Weet je het zeker?’ vroeg hij. ‘Er is genoeg.’
Grijsstreep keek op de lijster neer en antwoordde niet. ‘Weet je het echt zeker?’ herhaalde Vuurhart.
‘Wat?’ Grijsstreep wendde zijn verre blik naar Vuurhart. ‘Eh, ja,’ mauwde hij.
Hij moet koorts hebben, bedacht Vuurhart hoofdschuddend. Nou ja, in elke geval was hij er nog, dankzij die RivierClanpoes.
* * *
Toen Vuurhart een paar dagen later wakker werd, vond hij het hol vol van de eerste bladkaalmist. Buiten kon hij de overkant van de open plek nauwelijks zien. Hij hoorde haastige pootstappen aankomen en Muisbont verscheen uit het donker.
‘Tijgerklauw wil je spreken,’ miauwde ze.
‘Goed, Bedankt,’ antwoordde Vuurhart. De schrik sloeg hem om het hart. Hij was gisteren even weggeglipt om Prinses te zien. Had Tijgerklauw dat gemerkt?
‘Wat was dat?’ klonk Grijsstreeps hese stem achter hem. Hij ging naast Vuurhart zitten, niesde en gaapte.
‘Tijgerklauw wil me spreken.’ Vuurhart keek naar zijn vriend. ‘Jij had nog moeten slapen.’ Hij begon zich zorgen te maken over Grijsstreep. Die had onderhand toch beter moeten zijn. ‘Heb je gisteren wel goed gerust?’ vroeg hij.
‘Zoveel als ik kon tussen het hoesten en niezen door,’ klaagde Grijsstreep.
‘Waarom lag je dan niet in je nest toen ik terugkwam van…’ Vuurhart aarzelde even. Hij had de hele middag met Prinses gepraat. ‘… de training.’
‘Denk je nou echt dat ik hier veel rust en stilte krijg?’ Grijsstreep zwaaide met zijn kop naar het hol. ‘De hele dag lopen krijgers in en uit! Ik heb een rustiger plekje opgezocht, dat is alles.’
Vuurhart wilde net vragen waar, maar Grijsstreep sprak eerst. ‘Ik vraag me af wat Tijgerklauw van je wil.’
Vuurharts poten prikten. ‘Ik kan maar beter naar hem toe gaan en het horen.’
Hij kon nog net de silhouetten van Tijgerklauw en Witstorm door de mist onder de Hogesteen zien zitten. Zodra Vuurhart aan kwam trippelen, hielden ze op met praten en wendde Tijgerklauw zich tot hem. ‘Het wordt tijd dat Sintelpoot en Stropoot beoordeeld worden,’ gromde hij.
‘Nu al?’ miauwde Vuurhart verrast. Zolang waren de leerlingen nog niet in training.
‘Blauwster wil weten hoeveel vooruitgang ze geboekt hebben. Vooral nu Grijsstreep te ziek is om Stropoot te trainen. Als Stropoot achterloopt, moet ze dat weten zodat ze hem een andere mentor kan geven.’
Vuurharts staart zwiepte heen en weer van ergernis. Grijsstreep zou toch zeker gauw beter zijn. Het zou oneerlijk zijn om zijn eerste leerling aan iemand anders toe te vertrouwen. ‘Ik neem Stropoot elke dag met mij en Sintelpoot mee,’ miauwde hij snel.
Tijgerklauw keek even naar Witstorm en knikte. ‘Ja, maar dit is je eerste keer als mentor. Dat is wel een beetje veel voor jou en de DonderClan heeft goedgetrainde krijgers nodig.’
Ja, ik weet het, en ik ben maar een poesiepoes en geen Clangeboren krijger, dacht Vuurhart bitter. Hij keek neer op zijn poten, tintelend van wrok. Niemand had hem gevraagd de training van Stropoot op zich te nemen en hij had zich behoorlijk ingespannen voor de twee leerlingen.
Tijgerklauw vervolgde: ‘Stuur Stropoot en Sintelpoot maar op jacht door de hoogsparren tot aan de tweebeenplaats. Houd ze in de gaten, kijk hoe ze jagen, en breng mij verslag uit. Ik ben benieuwd hoeveel verse prooi ze aan de voorraad kunnen toevoegen.’
Witstorm voegde eraan toe: ‘Als Sintelpoots vaardigheden even groot zijn als haar enthousiasme, moet er vanavond meer dan genoeg te eten zijn. Ik hoor dat ze een ijverige leerling is.’
‘Ja, dat is ze ook,’ was Vuurhart met hem eens, al luisterde hij nauwelijks meer. Tijgerklauws woorden bezorgden hem hartkloppingen. Waarom stuurde Tijgerklauw hem weer naar de tweebeenplaats? Zijn eigen jachtbeoordeling had over precies dezelfde route plaatsgevonden, en Tijgerklauw had toen gezien hoe hij praatte met een oude poesiepoesvriend. Hij had het aan Blauwster gemeld en daardoor had zij Vuurharts loyaliteit aan de Clan in twijfel getrokken. Vuurhart voelde de vacht langs zijn ruggengraat prikkelen. Was dit Tijgerklauws manier om hem te laten weten dat hij betrapt was op praten met Prinses?
Vuurhart draaide zijn kop om en gaf een vlugge lik over zijn rug om zijn opstaande haren met zijn tong plat te duwen. Hij ging weer rechtop zitten en opperde kalm:
De zonnerotsen zouden ook een goede plaats zijn om hun vorderingen te testen. Bovendien heeft de zon daar misschien wat van deze mist weggebrand.’
‘Nee,’ gromde Tijgerklauw. ‘De dageraadpatrouille heeft RivierClangeuren aangetroffen bij de zonnerotsen. Het kan zijn dat ze weer begonnen zijn daar te jagen.’
Boosheid flikkerde in zijn ogen en zijn omgekrulde lip toonde scherpe tanden. Ze zullen eerst eens terdege gewaarschuwd moeten worden voor we daar weer gaan trainen. Op dit moment zijn de hoogsparren een veel veiliger plek voor de beoordeling.’
Witstorm knikte instemmend en Vuurharts oren wiebelden onbehaaglijk bij dit nieuws. De RivierClan bij de zonnerotsen! Wat een geluk dat ze niet ontdekt waren door vijandige patrouilles toen Grijsstreep in de rivier viel.
‘Wat die mist betreft,’ vervolgde Tijgerklauw gladjes, ‘jagen in moeilijke omstandigheden zal de test veel interessanter maken.’
‘Ja, Tijgerklauw,’ miauwde Vuurhart. Hij boog zijn kop respectvol voor de twee krijgers. ‘Ik zal het Sintelpoot en Stropoot gaan vertellen. We zullen meteen beginnen.’
Toen Vuurhart de beoordeling uitlegde aan de leerlingen, zwiepte Sintelpoot haar staart omhoog en rende opgewonden rond. ‘Een beoordeling? Denk je dat we daar klaar voor zijn?’
Vuurhart liet zijn twijfel niet merken. ‘Ja, natuurlijk, antwoordde hij. ‘Jullie hebben hard gewerkt en veel geleerd.’
‘Maar zal deze mist het jagen niet erg moeilijk maken?’ vroeg Stropoot.
Vuurhart antwoordde: ‘Een stille lucht heeft ook voordelen.’
Stropoot keek nadenkend. Ineens lichtten zijn ogen op en miauwde hij: ‘Het zal moeilijker zijn om prooi te ruiken, maar het wordt ook moeilijker voor de prooi om ons te ruiken.’
‘Precies,’ viel Vuurhart hem bij.
‘Gaan we nu?’ vroeg Sintelpoot.
‘Nu meteen, als je wilt,’ antwoordde Vuurhart. ‘Maar denk erom dat je er de tijd voor neemt, het is geen wedstrijd…’ Sintelpoot luisterde al niet meer, ze stormde naar de kampingang. ‘Je hebt tot zonsondergang!’ riep hij haar na. Stropoot wierp even een blik op Vuurhart, draaide zich met een kleine zucht om en liep achter zijn zusje aan.
Vuurhart volgde het spoor van de leerlingen tussen de hoge sparren. De verende laag naalden onder zijn poten voelde vreemd na de bevroren grond in de rest van het woud. Hij volgde Sintelpoots spoor tot hij haar enthousiast door het bos zag sluipen. Daarna vond hij Stropoots geurspoor en volgde dat. Hier en daar kruisten de sporen elkaar.
Vuurhart kon ruiken waar de leerlingen gerend hadden, waar ze waren gaan zitten, zelfs waar ze op een bepaald punt een tijdje bij elkaar waren blijven staan.
Het duurde niet lang of Vuurhart vond een plek waar Sintelpoot iets had gedood. Ze had het meegenomen — bij het volgen van haar spoor vermengde de geur van haar vangst zich met haar eigen geur. Daarna ontdekte hij waar Stropoot een lijster had gevangen; er lagen overal veren.
De leerlingen deden het goed. Dat wist Vuurhart zeker toen hij een sterke reuk van verse prooi ontdekte. Hij groef tussen de naalden en de wortels van een spar. Daaronder lag een voorraad prooi verborgen, daar achtergelaten door Sintelpoot om later op te halen. Vuurhart voelde zich nogal trots over haar werk. Ze had heel wat gevangen en nu was ze op weg naar het eikenbos achter de tweebeenplaats.
Vuurhart volgde haar. Even voorbij de rand van het sparrenbos pikte hij Stropoots geur op. Het was sterk, wat betekende dat hij vlakbij was. Vuurhart sloop verder en tuurde om een jonge eik heen. De leerling zat ineengedoken onder een warwinkel van braamstruiken, goed gecamoufleerd in de schaduwen. Vuurhart kon nog net zijn staart heen en weer zien zwaaien.
Stropoot hield zijn ogen strak op een bosmuisje gevestigd dat tussen de wortels van een boom rondscharrelde.
Stropoot nam er alle tijd voor. Goed zo, dacht Vuurpoot.
Hij zag Stropoot zich poot voor poot naar voren bewegen. De bladeren onder zijn poten maakten nauwelijks geluid.
Hij sloop net zo stil als het muisje zelf, dat doorging met voedsel zoeken, zonder iets te vermoeden. Ademloos toekijkend herinnerde Vuurhart zich zijn eerste jacht.
Stropoot kwam steeds dichterbij. Het zachte geritsel van zijn poten versmolt met de achtergrondgeluiden van het bos. Vuurhart merkte dat hij in gedachten de leerling vooruit dwong. Stropoot was nu nog maar een konijnlengte van de muis af, zijn lichaam plat tegen de bosgrond gedrukt. De muis klauterde op een wortel en keek rond.
Hij verstijfde. Er was iets mis.
Nu! dacht Vuurpoot. Stropoot sprong. Hij landde op de muis en greep hem vast in zijn poten. De muis kreeg niet eens de tijd om tegen te stribbelen. Met één beet was het afgelopen.
Stropoot hief zijn kop op. Vuurhart zag de voldane uitdrukking op het gezicht van de jonge kat bij het inademen van de geur van pasgedode prooi. Daarna spurtte Stropoot weg door het bos. Vuurhart besefte dat hij zich erop verheugde aan Tijgerklauw verslag uit te brengen over zijn leerlingen.
‘Hallo!’ Bij het horen van het stemmetje achter hem sprong Vuurhart op van schrik. Hij draaide zich met een ruk om.
‘Hoe doen we het?’ vroeg Sintelpoot en keek schuin naar hem op.
‘Dat hoor je niet te vragen!’ blies Vuurhart en likte zijn opgezette haren plat. ‘Je hoort helemaal niet tegen me te spreken. Ik moet je beoordelen, weet je nog wel?’
‘O!’ miauwde Sintelpoot. ‘Sorry.’
Vuurhart zuchtte. Bij zijn eigen beoordeling zou hij het niet in zijn hoofd hebben gehaald naar Tijgerklauw toe te gaan. Hij wilde geen gehoorzaamheid afdwingen door Sintelpoot bang te maken, zoals Tijgerklauw met Ravenpoot had gedaan, maar hij zou geen bezwaar hebben tegen een beetje ontzag van tijd tot tijd. Soms voelde hij zich allesbehalve Sintelpoots mentor.
Sintelpoot keek even naar de grond, daarna keek ze naar hem op met een vragende uitdrukking op haar gezicht. ‘Ben jij echt hier geboren op de tweebeenplaats?’
Op die vraag was Vuurhart niet voorbereid. Zenuwachtig keek hij in de richting van het tweebeenhek. Hij hoopte vurig dat de onbekende geuren van Sintelpoot en Stropoot Prinses in haar eigen tuin zouden houden. ‘Waarom vraag je dat?’ vroeg hij ontwijkend.
‘Tijgerklauw zei zoiets, dat is alles,’ antwoordde Sintelpoot. Ze leek oprecht nieuwsgierig, maar Vuurhart voelde een duistere dreiging bij Tijgerklauws naam. Wat had Tijgerklauw Sintelpoot over hem verteld?
‘Ik ben geboren als poesiepoes,’ miauwde Vuurhart kordaat. ‘Maar tegenwoordig ben ik een krijgskat. Mijn leven is nu in de Clan. Mijn oude leven was niet kwaad, maar het is voorbij en daar ben ik blij om.
‘O, oké,’ mauwde Sintelpoot achteloos. ‘Tot straks!’
Ze draaide zich om en stormde weg tussen de bomen.
Vuurhart bleef alleen in het bos achter. Met bonzend hart staarde hij naar het hek. Een maan geleden zou wat hij tegen Sintelpoot had gezegd over hoe blij hij was dat zijn vroegere leven voorbij was, de zuivere waarheid zijn geweest. Nu was hij daar nog niet zo zeker van. Zijn vacht tintelde bij de gedachte dat hij de laatste tijd een paar van zijn gelukkigste momenten had doorgebracht met herinneringen ophalen samen met zijn zachtaardige poesiepoeszusje.