Hoofdstuk 14 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
AL VUURHARTS haren stonden overeind van afschuw.
Hoe kon Grijsstreep zo stom zijn! Hij overtrad elke regel van de krijgscode door deze kat van een andere Clan te ontmoeten.
‘Grijsstreep!’ siste Vuurhart en sprong uit de begroeiing tevoorschijn.
De twee katten draaiden zich met een ruk naar hem om. Zilverstroom had haar oren boos plat naar achteren gevouwen. Grijsstreep keek hem alleen maar geschrokken aan. ‘Jij bent me gevolgd!’
Vuurhart negeerde zijn verbaasde miauw. ‘Wat ben jij aan het doen? Weet je wel hoe gevaarlijk dit is?’
Zilverstroom liet zich horen. ‘Het is oké. Er komt hier geen patrouille tot na zonsondergang.’
‘En dat weet je helemaal zeker, hè? Alsof je alles wat je Clan doet zo precies weet!’ gromde Vuurhart.
Zilverstroom hief haar kin op. Ja, dat doe ik inderdaad. Mijn vader is Kromster, de leider van de RivierClan.’
Vuurhart verstijfde. ‘Wat is dit voor idioot spelletje?’ spuugde hij naar Grijsstreep. ‘Je had geen slechtere keus kunnen maken!’
Grijsstreep keek even in Vuurharts ogen, daarna wendde hij zich tot Zilverstroom. ‘Ik kan maar beter gaan,’ mauwde hij.
Zilverstroom knipperde langzaam met haar ogen en strekte haar kop uit om zijn wang aan te raken. Ze sloten hun ogen en bleven een ogenblik zo staan. Vuurhart keek toe met ogen die prikten van ongeloof. Zilverstroom fluisterde iets in Grijsstreeps oor en daarna gingen de katten uiteen. De RivierClanpoes hief haar kop op en staarde Vuurhart even uitdagend aan voor ze de rivier weer in glipte.
Grijsstreep sprong naar Vuurhart toe. Zonder een woord te zeggen renden de twee vrienden het Rivierterritorium uit en terug langs de zonnerotsen. Toen ze het kamp naderden vertraagde Grijsstreep zijn tempo.
Vuurhart minderde ook vaart. ‘Je moet ophouden met haar te zien,’ hijgde hij. Nu ze een eind van de grens met de RivierClan afwaren, was zijn paniek gezakt, maar hij was nog steeds woedend.
‘Dat kan ik niet,’ antwoordde Grijsstreep hees. Hij hoestte met zwoegende deinende flanken.
‘Ik begrijp het niet,’ miauwde Vuurhart. ‘De RivierClan staat op het ogenblik heel vijandig tegenover de DonderClan. Je hebt Luipaardvacht gehoord na de dood van Witklauw.’ Vuurhart kromp ineen wetend dat zijn woorden zijn vriend pijn zouden doen, maar hij kon nu niet meer terug. ‘Hoe weet je nu zeker of je deze RivierClankat wel kunt vertrouwen?’
‘Jij kent Zilverstroom niet,’ spuugde Grijsstreep terug.
Hij bleef staan en ging zitten. Zijn ogen werden dof van pijn. ‘Je hoeft me heus niet aan Witklauw te herinneren. Dacht je soms dat het gemakkelijk is te weten dat ik verantwoordelijk ben voor de dood van een van Zilverstrooms Clangenoten?’ Vuurhart snoof ongeduldig: Witklauw was een vijandelijke krijger, geen Clangenoot! Maar Grijsstreep vervolgde: ‘Zilverstroom begrijpt dat het een ongeluk was. De kloof was een slechte plaats voor een gevecht. Elke kat had daar kunnen vallen!’
Vuurhart ijsbeerde om hem heen terwijl Grijsstreep Zilverstrooms geur van zijn vacht begon te wassen.’ Het doet er niet toe wat Zilverstroom denkt! Hoe zit het met jouw loyaliteit aan de Donderclan?’ vroeg hij streng. ‘Jij overtreedt de krijgscode door haar te ontmoeten!’
Grijsstreep hield op met likken. ‘Denk je dat ik dat niet weet?’ siste hij. ‘Twijfel jij aan mijn loyaliteit aan de DonderClan?’
‘Wat moet ik dan denken? Je kunt haar niet blijven zien zonder de Clan voor te liegen. En wat als we weer in gevecht raken met de RivierClan? Heb je daar wel aan gedacht?’
‘Je maakt je veel te veel zorgen,’ snauwde Grijsstreep.
‘Zo ver komt het niet. Nu Brokkelster weg en de WindClan terug is, zullen de Clans in vrede met elkaar leven.’
‘De RivierClan gedraagt zich anders niet erg vredelievend,’ merkte Vuurhart op. ‘Je weet dat ze op de zonnerotsen hebben gejaagd, op ons territorium.’
‘Ze joegen al op de zonnerotsen voor wij geboren werden,’ hoonde Grijsstreep. Hij kronkelde om zich beneden bij zijn staart te wassen.
Vuurhart ging door met ijsberen. Grijsstreep leek domweg niet te beseffen wat hij aan het doen was. ‘Oké. En wat als je betrapt wordt door een patrouille van de RivierClan?’
‘Dat laat Zilverstroom niet gebeuren,’ antwoordde Grijsstreep tussen lange likken over zijn borstelige dikke staart door.
‘De SterrenClan-nog-aan-toe, zit je daar dan niet een heel klein beetje over in?’ barstte Vuurhart geïrriteerd uit.
Grijsstreep hield op met wassen en keek op naar zijn vriend. ‘Je begrijpt er echt niets van, hè? De SterrenClan moet dit zo hebben gewild. Luister, Zilverstroom wil me zien — zelfs na wat er met Witklauw is gebeurd. We denken hetzelfde; het is alsof we in dezelfde Clan geboren zijn.’
Vuurhart realiseerde zich dat het geen zin had verder met hem in discussie te gaan. ‘Kom mee,’ miauwde hij zwaar. ‘We kunnen maar beter teruggaan voor je opnieuw gemist wordt.’
Grijsstreep stond op. Zij aan zij liepen hij en Vuurhart naar de top van het ravijn en keken neer op het kamp. Steeds opnieuw echode één gedachte door Vuurharts hoofd: hoe kon Grijsstreep van Kromsters dochter houden en toch trouw blijven aan de DonderClan?
Hij wierp een vlugge blik op Grijsstreep en begon de steile helling af te klauteren. Ze slopen het kamp in via dezelfde weg waarlangs Grijsstreep het had verlaten. Vuurhart hield zijn adem in toen hij door de kampwand naar binnen drong, nijdig op Grijsstreep omdat die hem tot al dit stiekeme gedoe dwong. De schrik sloeg hem om het hart toen ze achter de kraamkamer uit kwamen en Witstorm op hen af zagen komen.
‘Grijsstreep, jij zou moeten rusten en niet hier rondhangen. Dat hoestje van jou begint zich al door het kamp te verspreiden. We kunnen niet hebben dat het ook de kraamkamer binnenkomt!’ waarschuwde de krijgskat. Grijsstreep knikte en trippelde terug naar het krijgershol. ‘En jij…’ — Vuurharts oren wiebelden zenuwachtig toen Witstorm zich naar hem toedraaide — ‘…moet jij je leerlingen niet trainen?’
‘Ik ben terug gekomen om bij Geeltand iets tegen buikpijn te halen,’ mompelde Vuurhart.
‘Nou, ga dat dan halen,’ antwoordde Witstorm, ‘en als je dat gedaan hebt, maak je dan nuttig en ga verse prooi zoeken. Het is bladkaal — we kunnen niet hebben dat jonge krijgers in het kamp rondhangen zonder iets uit te voeren!’
‘Ja, Witstorm,’ miauwde Vuurhart. Hij draaide zich om, opgelucht dat hij aan verdere vragen kon ontsnappen, en rende naar Geeltands hol.
Geeltand was kruiden aan het mengen. Er lagen verschillende hoopjes bladeren voor haar. Vuurhart bleef een poosje zwijgend naar haar staan kijken. Hij voelde zich treurig en afgemat na zijn ruzie met Grijsstreep en hij kon er niets aan doen dat hij wenste dat het Spikkelblad was die hier kruiden aan het mixen was in plaats van Geeltand.
Geeltand keek naar hem op. ‘Mijn voorraden raken uitgeput. Ik zal misschien hulp nodig hebben om de voorraad aan te vullen.’
Vuurhart gaf geen antwoord. Hij vroeg zich net af of hij haar zijn zorgen over Grijsstreep moest toevertrouwen toen zij zijn gedachten onderbrak.
‘Het ziet ernaar uit dat we withoest in het kamp hebben,’ gromde ze ongeduldig op een gedroogd blad kloppend, ‘Twee gevallen vanmorgen.’
‘Snelpoot?’ vroeg Vuurhart.
De oude medicijnkat schudde haar kop. ‘Snelpoot is gewoon verkouden. Het is Vlekstaarts jong. En Lappenpels. Het is nog niet ernstig, maar we moeten ons erop concentreren de Clan sterk te maken. En in bladkaal is er altijd de dreiging van groenhoest.’ Vuurhart begreep haar zorg. groenhoest kon dodelijk zijn. Geeltand keek weer op. ‘Wat is er met jou?’
‘O, niks, alleen wat buikpijn, maar dat doet er niet toe als je het druk hebt.’
‘Erg?’ miauwde ze.
‘Nee,’ gaf Vuurhart toe en vermeed haar blik.
‘Kom dan maar terug als het dat wel is.’ De medicijnkat ging verder met haar mengsel. Vuurhart draaide zich om en liep weg, maar Geeltand riep hem terug. ‘Let erop dat Grijsstreep in zijn nest blijft, wil je. Hij is een sterke jonge krijger. Als hij rust zou nemen, was hij allang beter geweest.’
Vuurharts staart zwaaide zenuwachtig. Had zij geraden dat Grijsstreep een paar keer het kamp uit was geglipt? Hij wachtte met kloppend hart of ze nog meer ging zeggen, maar Geeltand keek alweer met een frons naar de kruiden, dus trippelde hij stilletjes weg.
Het begon al donker te worden dus Vuurhart wist dat hij weinig tijd had om te jagen. Hij ving snel een spitsmuis, een vink en een muis, maar hij aarzelde voor hij naar het kamp terugging. Zijn bezorgdheid over Grijsstreep was voor zijn gevoel belangrijker dan wat Witstorm zou zeggen als hij niet op tijd een bijdrage zou leveren aan de hoop verse prooi. Vuurhart nam een besluit — als Grijsstreep niet naar rede wilde luisteren, dan zou Zilverstroom dat misschien wel doen.
Hij verborg zijn vangst onder een boomwortel en bedekte hem met bladeren. Voor de tweede keer die dag begaf hij zich naar de zonnerotsen. De regen die de hele dag had gedreigd, begon te vallen. Druppels trommelden onophoudelijk op de droge varens tegen de tijd dat Vuurhart de donkere helling afsloop naar de rivier.
Zelfs in de regen was Zilverstrooms geur gemakkelijk te vinden. Vuurhart volgde haar spoor naar de plek waar hij Grijsstreep en Zilverstroom samen had gezien. Tot het uiterste gespannen sloop hij naar de oever. Het zwarte water raasde onverbiddelijk voorbij en bezorgde Vuurhart ijskoude rillingen. Hij had weinig zin om eroverheen te zwemmen. Zijn vacht had niet het waterdichte olielaagje dat de RivierClankatten hadden, en bladkaal was geen seizoen om drijfnat te worden.
Plotseling verstijfde Vuurhart. Hij rook RivierClankrijgers!
Hij dook ineen en tuurde over de rivier. Hij zag Zilverstroom zich tussen de neerhangende takken van een treurwilg door dringen. Achter haar liepen twee leden van haar Clan, een van hen een krijgskat met massieve schouders en in de strijd gehavende oren. De krijger snoof de lucht achterdochtig op en tuurde om zich heen.
Vuurhart hoorde het bloed in zijn oren gonzen. Had de krijger zijn geur geroken?