Hoofdstuk 18 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
Grijsstreep had zijn nest al verlaten toen Vuurhart de volgende dag wakker werd. Hij zag dat het zonhoog was aan het licht dat door de takken heen gloeide. Zijn lichaam voelde nog steeds afgemat van verdriet maar hij stond op en stak zijn kop uit het hol. Het moest de hele ochtend gesneeuwd hebben, want er lag een dik tapijt op de grond en de sneeuw had zich opgehoopt tegen het hol, zodat hij naar buiten keek over een witte muur die tot aan zijn schouders reikte.
De gewone drukte van het kamp klonk gedempt. Vuurhart zag Wilgvacht en Halfstaart staan fluisteren aan de overkant van de open plek. Muisbont ploeterde door de sneeuw naar de voorraad verse prooi met een konijn dat uit haar mond hing. Ze bleef staan om te niezen en liep weer door.
Vuurhart tilde een poot op en legde die bovenop de sneeuw. Eerst voelde het hard, maar toen hij erop drukte, kraakte het dunne laagje ijs en hij snakte naar adem toen zijn poot in de sneeuwhoop wegzonk. Snuivend zakte Vuurhart tot aan zijn snuit weg in de sneeuw. Hij schudde zijn kop, hief zijn kin op en sprong naar voren, maar zonk weg in nog meer sneeuw. In paniek worstelde hij zich voort. Hij kreeg het gevoel dat hij verdronk. Plotseling voelde hij vaste grond onder zijn poten. Hij had de rand van de open plek bereikt. De sneeuw was hier niet meer dan een muislengte diep en opgelucht ging Vuurhart zacht knarsend zitten.
Hij spande zich op toen hij Grijsstreep op zich af zag ploegen door de sneeuw. De grote krijgskat leek er weinig last van te hebben beschermd als hij was door zijn dikke pels tegen de natte kou. Zijn gezicht was vertrokken van verdriet. ‘Heb je van Blauwster gehoord?’ vroeg hij toen hij naderbij kwam. ‘Ze heeft een leven verloren aan groenhoest.’
Vuurhart trok ongeduldig met zijn oren. Dat had hij zijn vriend vannacht al kunnen vertellen. ‘Dat weet ik,’ gromde hij. ‘Ik was bij haar.’
‘Waarom heb je me dat niet verteld?’ mauwde Grijsstreep geschokt.
‘Jij was niet bepaald vriendelijk gisterenavond, zoals je je zult herinneren. Trouwens, als jij het niet altijd zo druk had met het overtreden van de krijgscode zou je misschien beter op de hoogte zijn van wat zich in je eigen Clan afspeelt,’ snauwde hij.
Grijsstreeps oren wiebelden ongemakkelijk. ‘Ik ben net bij Sintelpoot geweest,’ miauwde hij. ‘Wat vreselijk dat ze zo gewond is.’
‘Hoe is het met haar?’
‘Ze zag er slecht uit, maar volgens Geeltand haalt ze het wel,’ antwoordde Grijsstreep.
Vuurhart staarde bezorgd over de open plek en stond op. Hij wilde zijn leerling zelf zien.
Grijsstreep miauwde: ‘Ze slaapt nu. IJzelvacht is bij haar en Geeltand wil niet dat iemand anders haar stoort.’
Vuurhart kromp onwillekeurig ineen. Hoe kon hij IJzelvacht vertellen dat het zijn schuld was dat Sintelpoot naar het donderpad was gegaan? Instinctief wendde Vuurhart zich tot Grijsstreep om steun te zoeken. Maar Grijsstreep stapte al over de besneeuwde open plek in de richting van de kraamkamer. Weer naar Zilverstroom, raadde Vuurhart nijdig. Terwijl hij hem nakeek, ontblootte Vuurhart een paar keer zijn nagels en trok ze weer in tot zijn vriend uit het zicht verdwenen was.
Vuurhart zag Vlekstaart, de oudste moederkat van de kraamkamer en de moeder van het jong met withoest, pas toen ze vlak voor hem bleef staan. ‘Is Tijgerklauw daarbinnen?’ vroeg ze wijzend met haar neus op het krijgershol.
Vuurhart schudde zijn kop.
Vlekstaart mauwde: ‘Er heerst groenhoest in de kraamkamer. Twee van Vlekneus’ jongen zijn ziek.’
‘Groenhoest!’ hijgde Vuurhart, zijn boosheid meteen vergeten. Gaan ze dood?’
‘Misschien. Maar bladkaal brengt altijd groenhoest,’ hield Vlekstaart hem zachtjes voor.
‘Er moet toch iets zijn wat we kunnen doen?’ riep Vuurhart.
‘Geeltand doet wat ze kan,’ antwoordde Vlekstaart. ‘Maar uiteindelijk is het de SterrenClan die beslist.’ Opnieuw golfde woede door Vuurhart heen toen Vlekstaart zich afwendde en terugtrippelde naar de kraamkamer. Hoe kon de Clan zulke tragedies verdragen? Hij voelde een overweldigende drang om het kamp uit te gaan en te ontsnappen aan de sombere atmosfeer waar de rest van de Clan zich bij neer leek te leggen.
Hij sprong op en spurtte blindelings over de besneeuwde open plek, door de doorntunnel het bos in. Tot zijn verwondering merkte hij dat hij instinctief de kant van de trainingskuil op ging. De gedachte dat hij daar eigenlijk bezig zou moeten zijn met het trainen van Sintelpoot, was meer dan hij kon verdragen. Bij het afgaan van het pad hoorde hij de stemmen van Witstorm en Stropoot. De witte krijger moest Stropoot mee uit trainen hebben genomen toen Vuurhart sliep. Was er dan geen enkele kat die met verdriet stilstond bij Blauwsters verloren leven? Vechtend tegen zijn woede en half verstikt door de brok in zijn keel rende Vuurhart toch door, in een wanhopige poging een zo groot mogelijke afstand tussen zichzelf en het kamp te krijgen.
Onder de hoge sparren stond hij eindelijk stil, met zwoegende flanken van het inspannende rennen door de sneeuw. Er heerste hier een stilte die hem kalmeerde. Zelfs de vogels zongen niet meer. Vuurhart voelde zich het enige levende wezen ter wereld.
Hij wist niet waar hij naartoe ging, hij trippelde gewoon door en liet zich troosten door de bossen. Maar terwijl hij zo doorliep, werd zijn geest weer helder. Voor Sintelpoot kon hij niets doen en Grijsstreep was buiten zijn bereik, maar hij kon Geeltand misschien helpen bij het gevecht tegen de groenhoest. Hij ging nog meer kattekruid halen.
Vuurhart liep in de richting van zijn oude poesiepoeshuis. Hij drong door de braamstruiken in het eikenbos dat grensde aan de tweebeenplaats. Daarna sprong hij op het hek langs de achtertuin van zijn oude huis, en duwde een rand sneeuw in de tuin beneden. Het kwam met een zachte plof neer. Vuurhart tuurde de tuin in. Hij zag sporen die kleiner waren dan die van een kat. Een eekhoorn was op zoek geweest naar zijn voorraadje noten.
Het kostte Vuurhart niet veel tijd om een ruime hoeveelheid bladeren van de kluit kattekruid te plukken. Hij wilde zoveel meenemen als hij maar kon. De zachte bladeren zouden dit weer misschien niet overleven; dit kon best eens zijn laatste kans zijn om het te verzamelen.
Met volgepropte mond ging Vuurhart naar de zwaaiende klep die hij als jong had gebruikt. Hij vroeg zich af of zijn huismensen hier nog woonden. Ze waren aardig voor hem geweest. Hij had zijn eerste bladkaal vertroeteld in hun nest doorgebracht, warm en veilig voor de wreedheden van het donderpad en de groenhoest.
De geur van het kattekruid moet me naar het hoofd zijn gestegen, dacht hij scherp. Hij rende door de tuin en nam het hek met één grote sprong, geschrokken van hoe sterk de gedachte aan zijn tweebeenhuis hem had geraakt. Verlangde hij echt naar de veiligheid en de voorspelbaarheid van een poesiepoesleven? Nee, natuurlijk niet! Vuurhart schudde die gedachte van zich af. Maar het idee terug te gaan naar het kamp trok hem ook niet erg aan.
Ineens dacht hij aan Prinses.
Vuurhart draafde langs de rand van de bossen naar dat deel van de tweebeenplaats waar de tuin van zijn zusje lag. Toen hij haar hek voor zich zag, groef hij een kuil in de sneeuw en begroef het kattekruid onder een laag dode bladeren om ze te beschermen tegen de vorst. Nog steeds hijgend van het rennen sprong hij op het hek en riep Prinses. Daarna ging hij terug naar het bos om op haar te wachten.
Rusteloos heen en weer lopend in de sneeuw onder een eik kreeg hij pijn in zijn poten van de koude. Misschien is ze aan het jongen, zei hij tegen zichzelf, of zit ze opgesloten. Hij had zich er net van overtuigd dat hij haar vandaag niet meer zou zien, toen hij haar vertrouwde miauw hoorde. Hij keek op en zag haar bovenop het hek staan. Vuurhart voelde een rilling van verwachting. Haar buik was niet langer opgezwollen. Prinses moest haar jongen hebben gekregen.
Bij haar nadering ademde hij haar geur in en voelde zich warm worden. ‘Jij hebt gejongd!’ miauwde hij.
Prinses raakte zachtjes zijn neus aan met de hare. ‘Ja,’ mauwde ze zachtjes.
‘Is alles goed gegaan? Zijn de jongen in orde?’
Prinses snorde: ‘Het ging prima. Ik heb vijf gezonde jongen,’ miauwde ze met ogen die glommen van tevredenheid. Vuurhart likte haar kop en ze miauwde: ‘Ik had nooit verwacht dat je zou komen met dit weer.’
‘Ik kwam kattekruid halen,’ vertelde Vuurhart. ‘Er heerst groenhoest in het kamp.’
Prinses’ ogen werden troebel van ongerustheid. ‘Zijn veel katten van je Clan ziek?’
‘Tot nu toe drie.’ Vuurhart aarzelde een ogenblik, daarna miauwde hij treurig. ‘Onze leider heeft gisteren weer een leven verloren.’
‘Weer een leven?’ herhaalde Prinses. ‘Wat bedoel je? Ik dacht dat het oudewijvenpraat was, dat katten negen levens hebben.’
‘Blauwster heeft negen levens gekregen van de SterrenClan toen ze leider van onze Clan werd,’ legde Vuurhart uit.
Onder de indruk keek Prinses hem aan. ‘Dus het is waar!’
‘Alleen voor Clanleiders. Wij gewone katten hebben maar één leven net als jij en Sintelpoot…’ Vuurharts stem stierf weg.
‘Sintelpoot?’ Prinses moet het verdriet in zijn stem hebben gehoord.
Vuurhart keek in haar ogen en de gedachten die in zijn hoofd hadden rondgespookt, kwamen naar buiten tuimelen. ‘Mijn leerling,’ miauwde hij, ‘Ze is gisteren gewond geraakt op het donderpad.’ Zijn stem brak bij de herinnering aan het vinden van haar gebroken bloedende lijfje. ‘Haar verwondingen zijn heel ernstig. Ze kan nog steeds doodgaan. En zelfs als ze het overleeft, zal ze nooit krijger worden.’
Prinses kwam dichterbij en drukte haar neus tegen hem aan. ‘Je praatte zo vol genegenheid over haar de laatste keer dat je hier was,’ mauwde ze. ‘Ze klonk vol plezier en energie.’
‘Dat ongeluk had nooit mogen gebeuren,’ gromde Vuurhart. ‘Ik was degene die naar Tijgerklauw toe moest gaan. Hij had om Blauwster gevraagd, maar Blauwster was ziek, dus bood ik aan te gaan. Ik moest eerst kattekruid halen, en toen is Sintelpoot in mijn plaats gegaan.’ Prinses leek geschrokken dus Vuurhart voegde er snel aan toe: ‘Ik had haar gezegd dat ze dat niet mocht doen. Maar als ik een betere mentor was geweest dan had ze misschien naar me geluisterd.’
‘Ik weet zeker dat je een prima mentor bent,’ probeerde Prinses hem te troosten, maar Vuurhart luisterde niet.
‘Ik weet niet waarom Tijgerklauw wilde dat Blauwster hem op zo’n levensgevaarlijke plek zou ontmoeten!’ spuugde hij. ‘Hij zei dat er bewijzen waren dat de SchaduwClan ons territorium binnen was gevallen, maar toen ik daar kwam rook ik geen enkele geur van hen!’
‘Was het een valstrik?’ probeerde Prinses.
Vuurhart keek naar zijn zusjes vragende gezicht en begon plotseling te twijfelen. ‘Waarom zou Tijgerklauw Sintelpoot kwaad willen doen?’
‘Het was Blauwster om wie hij had gevraagd,’ merkte Prinses op.
Vuurharts haren rezen overeind. Kon zijn zusje gelijk hebben? Tijgerklauw had inderdaad Blauwster opgeroepen om naar het smalste gedeelte van de donderpadberm te komen. Maar zelfs Tijgerklauw zou zijn Clanleider toch niet opzettelijk in gevaar brengen? Vuurhart schudde de gedachte van zich af. ‘Ik… ik weet het niet,’ stotterde hij. ‘Alles is op het ogenblik zo verwarrend. Zelfs Grijsstreep praat nauwelijks met me.’
‘Waarom niet?’
Vuurhart haalde zijn schouders op. ‘Dat is te ingewikkeld om uit te leggen.’ Prinses ging naast hem in de sneeuw zitten en drukte haar zachte vacht tegen hem aan. ‘Ik voel me op dit moment zo’n buitenstaander,’ vervolgde Vuurhart somber. ‘Het valt niet mee anders dan de anderen te zijn.’
‘Anders?’ Prinses begreep het niet.
‘Omdat ik geboren ben als poesiepoes terwijl alle andere katten in de Clan geboren zijn.’
‘Jij lijkt mij precies hetzelfde als een in de Clan geboren kat,’ mauwde Prinses. Vuurhart keek haar dankbaar aan. Ze ging door: ‘Maar als je niet gelukkig bent in de Clan, kun je altijd met mij mee naar huis gaan. Mijn huismensen zouden goed voor je zorgen, dat weet ik zeker.’
Vuurhart zag zichzelf al in zijn oude poesiepoesleven, warm, knus en veilig. Maar hij kon niet vergeten hoe hij vanuit zijn tweebeentuin naar het woud had gekeken en gedroomd van een leven in het bos. Een bries woei zijn dikke vacht op en bracht de geur van een muis in zijn neus. Vuurhart schudde beslist zijn kop. ‘Nee, dank je, Prinses,’ miauwde hij. ‘Ik hoor nu bij mijn Clan, Ik zou nooit gelukkig kunnen zijn in een tweebeennest, ik zou de geuren van het bos missen en het slapen onder de Zilverpels, en het jagen op mijn eigen voedsel en dat delen met mijn Clan.’
Zijn zusjes ogen glansden. ‘Het klinkt als een mooi leven,’ snorde ze. Ze keek verlegen op haar poten neer. ‘Ook ik staar soms wel eens naar het woud en vraag me af hoe het zou zijn daar te leven.’
Vuurhart snorde en stond op. ‘Dus je begrijpt het?’ Prinses knikte. ‘Ga je nu weer terug?’
‘Ja, ik moet het kattekruid naar Geeltand brengen nu het nog vers is.’
Prinses strekte haar kop naar voren om haar snuit in zijn flank te drukken. ‘Misschien zullen mijn jongen de volgende keer dat je komt sterk genoeg zijn,’ mauwde ze.
Opwinding tintelde in Vuurharts buik. ‘Ik hoop het,’ miauwde hij.
Toen hij zich omdraaide om weg te gaan riep Prinses: ‘Pas goed op jezelf, broertje, ik wil je niet nog eens verliezen.’
‘Dat gebeurt niet,’ beloofde Vuurhart.
* * *
‘Goed idee, Vuurhart,’ snorde Witstorm. Hij had Vuurhart het kamp binnen zien komen met een mond propvol kattekruid.
De hele weg terug was Vuurhart het water in de mond gelopen, al begon hij wel te denken dat hij blij zou zijn nooit meer een pol kattekruid te zien. Maar hij voelde zich beter dan toen hij het kamp was uitgegaan. Zijn zusje had veilig gejongd en hij kon weer helder denken.
Op weg naar Geeltands hol verscheen Tijgerklauw naast hem.
‘Nog meer kattekruid?’ constateerde de gestreepte kater, met een achterdochtige blik. ‘Ik vroeg me al af waar je gebleven was. Stropoot kan dat wel naar Geeltand brengen.’ Stropoot was even verderop bezig met sneeuwruimen. ‘Kom eens hier en breng dit kattekruid naar Geeltand,’ beval Tijgerklauw de leerling.
Stropoot knikte en kwam meteen aanspringen.
Vuurhart liet de bundel bladeren op de grond vallen. ‘Ik wil naar Sintelpoot,’ protesteerde hij.
‘Straks,’ gromde de commandant. Hij wachtte tot Stropoot het kattekruid had opgeraapt en meegenomen naar Geeltands hol. Daarna wendde hij zich tot Vuurhart. ‘Ik wil weten waar Grijsstreep steeds naartoe gaat.’
Vuurhart voelde zich warm worden onder zijn vacht. ‘Weet ik niet,’ antwoordde hij en keek Tijgerklauw recht aan.
Tijgerklauw staarde terug met kille, vijandige ogen, ‘Wanneer je hem ziet,’ siste hij, ‘zeg hem dan dat hij bij de gevallen eik moet blijven.’
‘Waar Geeltand vroeger sliep?’ Vuurhart wierp een blik op de warwinkel van takken waar de medicijnkat had gelegen toen ze voor het eerst in het DonderClankamp kwam, en gezien werd als een verstotene van de SchaduwClan. Snelpoot lag daar nu, naast Spikkelstaarts donkere, cyperse jong.
‘Daar moeten alle katten met withoest blijven tot ze weer beter zijn.’
‘Maar Grijsstreep is alleen maar verkouden,’ protesteerde Vuurhart.
‘Een verkoudheid is erg genoeg. Hij moet bij de omgevallen eik blijven!’ herhaalde Tijgerklauw. ‘Katten met groenhoest worden in een nest bij Geeltand ondergebracht. We moeten de verspreiding van de ziekte tegengaan.’ De ogen van de commandant flitsten zonder een spoor van medelijden. Vuurhart vroeg zich af of hij ziekte soms als een teken van zwakheid zag. ‘Het is in het belang van de Clan,’ voegde Tijgerklauw eraan toe.
‘Ja, Tijgerklauw. Ik zal het tegen Grijsstreep zeggen.’
‘En blijf bij Blauwster uit de buurt,’ waarschuwde de commandant.
‘Maar zij heeft geen groenhoest meer,’ wierp Vuurhart tegen.
‘Dat weet ik ook wel, maar haar hol is nog steeds vergeven van de ziekte. Ik kan het risico niet nemen dat een van mijn krijgers ziek wordt. Witstorm zegt dat geuren van RivierClankrijgers zelfs nog dichter bij ons kamp zijn geroken. Hij heeft me ook verteld dat hij vandaag Stropoot heeft moeten trainen. Ik verwacht dat jij morgen Stropoots training op je neemt.’
Vuurhart knikte. ‘Kan ik nu naar Sintelpoot toegaan?’
Tijgerklauw keek hem aan.
‘Ik denk niet dat Geeltand haar in de buurt van de katten met groenhoest heeft geïnstalleerd,’ voegde Vuurhart er geïrriteerd aan toe. ‘Ik zal heus niet besmet worden.’
‘Goed dan,’ knikte Tijgerklauw en stapte weg.
Midden op de open plek kwam Vuurhart Stropoot tegen. ‘Geeltand was heel blij met het kattekruid,’ mauwde Stropoot.
‘Mooi,’ antwoordde Vuurhart. ‘Tussen twee haakjes, ik ga jou morgen leren hoe je vogels moet vangen. Ik hoop dat je in bent voor een partijtje boomklimmen.’
Stropoots oren wiebelden opgewonden. ‘Nou en of! Ik zie je in de trainingskuil.’
Vuurhart knikte en liep door naar Geeltands hol. Hij zag meteen de arme kleintjes van Vlekneus. Ze lagen stilletjes te hoesten in een nestje van droge varens, met stromende neusjes en oogjes.
Geeltand begroette hem. ‘Bedankt voor het kattekruid. We zullen het nodig hebben. Lappenpels heeft nu ook groenhoest.’ Ze wees met haar neus op een ander nest in de droge varens. Daarin zag Vuurhart de haveloze zwart-witte vacht van de oude kater.
‘Hoe is het met Sintelpoot?’ vroeg hij omkijkend naar de medicijnkat.
Ze zuchtte. ‘Ze is daarnet wakker geweest, maar niet lang. Haar poot is ontstoken. De SterrenClan weet dat ik alles heb geprobeerd, maar ze moet dit toch alleen doen.’ Vuurhart tuurde in Sintelpoots nest. Het kleine grijze poesje bewoog met kleine rukjes in haar slaap, haar gewonde poot trok onbeholpen naar een kant. Plotseling rilde Vuurhart van de angst dat ze dit gevecht misschien zou verliezen. Hij wendde zich weer tot Geeltand hopend op een bemoedigend woordje, maar de medicijnkat liet haar kop hangen. Ze zag er uitgeput uit.
‘Denk je dat Spikkelblad deze katten had kunnen redden?’ vroeg ze onverwachts. Ze hief haar kop op en keek hem aan.
Vuurhart huiverde. Op deze plek voelde hij nog steeds Spikkelblads aanwezigheid. Hij herinnerde zich hoe handig ze Ravenpoots schouderwond had behandeld na het gevecht met de RivierClan, en hoe zorgvuldig ze hem had geïnstrueerd over Geeltands verzorging in de eerste tijd dat de oude poes in het DonderClankamp was. Daarna keek hij naar Geeltand en zag hoe ze gebukt ging onder alles wat ze had meegemaakt. ‘Ik weet zeker dat Spikkelblad alles net zo had gedaan,’ verzekerde hij haar.
Een van de kleintjes riep en Geeltand sprong op. Toen ze langs hem heen liep, boog Vuurhart zich voorover en streelde de oude poes zachtjes met zijn snuit. Dankbaar bewoog ze haar schouder. Diepbedroefd draaide hij zich om en ging naar de varentunnel.
De witte pels van IJzelvacht verscheen in het andere uiteinde. Ze kwam vast naar Sintelpoot kijken. Toen hij de moederkat naderde hief Vuurhart zijn kop op en keek in haar blauwe ogen. Het verdriet dat hij daar zag, kneep zijn keel dicht. ‘IJzelvacht,’ begon hij.
De moederkat bleef staan.
‘Het… het spijt me zo,’ stamelde Vuurhart bevend.
IJzelvacht keek verward. ‘Waarvoor?’
‘Ik had Sintelpoot moeten kunnen weerhouden naar het donderpad toe te gaan.’
IJzelvacht staarde hem aan, maar op haar gezicht stond niets dan verdriet te lezen. ‘Ik geef jou heus de schuld niet, Vuurhart,’ murmelde ze. Daarna liet ze haar kop hangen en haastte zich naar haar jong.
Grijsstreep was terug. Hij zat naast de kluit brandnetels een waterrat te eten.
Vuurhart ging naar hem toe. ‘Tijgerklauw zegt dat je je intrek moet nemen bij de omgevallen eik, bij de katten die withoest hebben,’ miauwde hij. Met een steek van wrok herinnerde hij zich hoe de commandant hem had ondervraagd over zijn vriend.
‘Dat hoeft niet,’ antwoordde Grijsstreep. ‘Ik ben beter. Geeltand heeft me vanmorgen genezen verklaard.’
Vuurhart keek Grijsstreep eens goed aan. Zijn ogen stonden weer helder en zijn snotneus was opgedroogd tot een onaantrekkelijke korst. Normaal had Vuurhart hem geplaagd over zijn gelijkenis met Loopneus, de medicijnkat van de SchaduwClan. Nu spuugde hij nijdig: ‘Tijgerklauw heeft gemerkt hoe vaak je weg was. Je had voorzichtiger moeten zijn. Waarom kun je niet bij Zilverstroom uit de buurt blijven, in elk geval voorlopig?’
Grijsstreep hield op met kauwen en staarde boos terug naar Vuurhart. ‘En waarom bemoei jij je niet met je eigen zaken?’
Vuurhart sloot zijn ogen en snoof van frustratie. Kon hij dan nooit tot zijn vriend doordringen? Daarna vroeg hij zich af of het hem eigenlijk nog wel kon schelen. Per slot van rekening had Grijsstreep niet eens naar Sintelpoot gevraagd.
Vuurharts maag knorde om hem te laten weten dat hij honger had. Hij kon net zo goed wat gaan eten. Hij haalde een mus van de hoop verse prooi en nam hem mee naar een stil hoekje van het kamp om hem alleen op te eten. Terwijl hij dat deed dacht hij aan Prinses, ver weg op de tweebeenplaats, met haar pasgeboren jongen. Eenzaam en bezorgd staarde Vuurhart het kamp rond en verlangde ernaar haar weer te zien.