Hoofdstuk 19 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
De volgende dagen vocht Vuurhart tegen de drang zijn zuster op te zoeken. Zijn verlangen om bij zijn poesiepoesfamilie te zijn begon hem een onbehaaglijk gevoel te bezorgen. Hij bleef druk aan het jagen in de besneeuwde bossen om de kampvoorraad aan te vullen.
Deze middag had hij een succesvolle jacht achter de rug. Toen de zon achter de bomen wegzonk, keerde hij met twee muizen en een vink in het kamp terug. Hij begroef de muizen in de sneeuwkuil en nam de vink mee voor zijn avondeten.
Toen hij klaar was met eten zag hij Witstorm op zich afkomen. ‘Ik wil dat jij Zandpoot meeneemt op de dageraadpatrouille,’ miauwde de grote witte krijger. ‘De SchaduwClan is al zo dichtbij als de uilenboom geroken.’
‘De SchaduwClan?’ echode Vuurhart gealarmeerd. Misschien had Tijgerklauw toch bewijzen van een inval gevonden. ‘Ik was van plan om Stropoot morgen mee uit te nemen.’
‘Grijsstreep is toch beter?’ vroeg Witstorm. ‘Dan kan hij Stropoot weer onder zijn hoede nemen.’
Ja, natuurlijk! dacht Vuurhart. En misschien zou het trainen van zijn leerling Grijsstreep een keer weghouden bij Zilverstroom. Maar dat betekende wel dat hij op patrouille moest met Zandpoot. En Vuurhart kon er niets aan doen dat hij moest denken aan de woedende blik die Zandpoot hem had toegeworpen toen hij had ingegrepen in haar gevecht met de RivierClankrijger naast de kloof. ‘Alleen Zandpoot en ik?’ vroeg hij.
Witstorm keek hem verwonderd aan. ‘Zandpoot is bijna een krijger, en jij kunt voor jezelf zorgen,’ antwoordde hij.
Witstorm had Vuurharts bezorgdheid helemaal verkeerd begrepen. Hij was niet bang aangevallen te worden door vijandige katten, hij was bang dat Zandpoot net zo’n bloedhekel aan hem had als Schorspoot. Maar Vuurhart ging er maar niet verder op in. ‘Weet Zandpoot het al?’
‘Vertel jij het haar maar,’ miauwde Witstorm.
Vuurharts oren wiebelden. Hij dacht niet dat Zandpoot het een leuk idee zou vinden samen met hem op patrouille te gaan, maar hij protesteerde niet.
Witstorm knikte kort en sprong naar het krijgershol. Zuchtend trippelde Vuurhart naar de plek waar Zandpoot zat bij de andere leerlingen.
‘Zandpoot.’ Vuurhart schuifelde ongemakkelijk. ‘Witstorm wil dat jij morgen samen met mij de dageraadpatrouille doet.’
Hij wachtte op een nijdig gesis, maar Zandpoot keek alleen maar naar hem op en miauwde: ‘Oké.’ Zelfs Schorspoot keek verbaasd.
‘O-oké,’ echode Vuurhart van zijn stuk gebracht. ‘Ik zie je bij zonsopgang.’
‘Zonsopgang,’ knikte Zandpoot.
Vuurhart besloot het goede nieuws over Zandpoots gebrek aan vijandigheid met Grijsstreep te delen. Het zou misschien een kans voor ze zijn om weer normaal met elkaar te gaan praten. Grijsstreep zat samen te tongen met Jaagwind bij de brandnetels.
‘Ha, Vuurhart,’ miauwde Jaagwind toen Vuurhart aan kwam lopen.
‘Hallo.’ Vuurhart keek vol verwachting naar Grijsstreep. Maar Grijsstreep had zijn kop afgewend en staarde naar de kampwand. Vuurharts moed zakte hem in de poten. Hij liet zijn kop hangen en keerde terug naar zijn nest. Hij kon haast niet wachten morgen op patrouille te gaan en het kamp achter zich te laten.
* * *
De hemel boven Vuurharts kop had een bleekroze gloed toen hij de volgende ochtend het hol uit drong.
Zandpoot stond buiten de doorntunnel op hem te wachten.
‘O, hallo,’ miauwde Vuurhart een beetje gegeneerd.
‘Hallo,’ antwoordde Zandpoot kalm.
Vuurhart ging zitten. ‘Laten we wachten tot de nachtpatrouille terugkomt,’ stelde hij voor.
Ze bleven zwijgend zitten tot ze het vertrouwde geritsel in de struiken hoorden dat de terugkeer van Witstorm, Langstaart en Muisbont aankondigde.
‘Iets gemerkt van de SchaduwClan?’ vroeg Vuurhart.
‘We hebben duidelijk wat SchaduwClangeur geroken,’ antwoordde Witstorm grimmig.
‘Het is vreemd.’ miauwde Muisbont fronsend. ‘Het zijn altijd dezelfde geuren. De SchaduwClan moet steeds dezelfde groep krijgers sturen.’
‘Controleren jullie twee de RivierClangrens maar,’ stelde Witstorm voor. ‘Wij hebben geen tijd gehad om daar te patrouilleren. Wees voorzichtig, en denk eraan dat jullie geen gevecht uitlokken. Kijk alleen uit naar tekenen dat ze weer op ons terrein hebben gejaagd.’
‘Ja, Witstorm,’ miauwde Vuurhart. Zandpoot knikte respectvol.
Vuurhart ging voorop. ‘We beginnen bij Vierboom en gaan dan langs de grens naar hoogsparren,’ miauwde hij toen ze uit het kampravijn klauterden.
‘Klinkt goed,’ antwoordde Zandpoot. ‘Ik heb Vierboom nog nooit in de sneeuw gezien.’ Vuurhart luisterde goed of hij iets van sarcasme in haar stem hoorde, maar ze leek het echt te menen.
Boven aan het ravijn besloot Vuurhart haar te testen. ‘Welke kant?’ vroeg hij.
‘Denk je nou heus dat ik de weg naar Vierboom niet weet?’ protesteerde Zandpoot. Vuurhart kreeg net spijt dat hij zich als een mentor had gedragen toen hij een welwillende glans in haar ogen zag. Zonder verder nog iets te zeggen draafde ze weg door het bos en Vuurhart spurtte achter haar aan.
Het was prettig weer eens met een andere kat door de bossen te rennen. Hij moest toegeven dat Zandpoot snel was. Ze was hem nog steeds twee vossenlengtes voor toen ze over een omgevallen boomstam sprong en uit het zicht verdween.
Vuurhart volgde haar met een grote sprong over de stam. Bij het neerkomen aan de andere kant raakte iets hem van achteren. Hij gleed weg in de sneeuw, rolde om en sprong overeind.
Zandpoot stond met wiebelende snorharen voor hem. ‘Kiekeboe!’
Vuurhart siste speels en sprong bovenop haar. Zandpoots kracht verraste hem, maar hij had het voordeel dat hij veel groter was. Toen hij haar eindelijk klemvast in de sneeuw drukte, protesteerde ze: ‘Ga van me af, dikzak!’
‘Oké, oké,’ miauwde Vuurhart en liet haar los. ‘Je vroeg erom!’
Zandpoot ging overeind zitten. Haar oranje pels zat onder de sneeuw. ‘Je ziet eruit alsof je door een sneeuwstorm bent gekomen!’ mauwde ze.
‘Anders jij wel.’ Ze schudden allebei de vlokken van hun vacht. ‘Kom mee,’ miauwde Vuurhart. ‘We moeten door.’
Zij aan zij draafden ze naar Vierboom. Tegen de tijd dat ze de top van de helling boven het dal bereikten, was de hemel melkblauw van kleur geworden. Bleek zonlicht verlichtte de besneeuwde diepte. De vier kale eiken beneden glinsterden van het ijs.
Zandpoot staarde met wijd opengesperde ogen omlaag. Getroffen door haar enthousiasme bleef Vuurhart staan wachten tot ze zich omdraaide.
‘Ik wist niet dat alles er zo anders uit zou zien in de sneeuw,’ mauwde ze toen ze de grens met de RivierClan begonnen te volgen naar de rivier. Vuurhart knikte.
Het ging veel langzamer nu ze in stilte langs de lijn van geurmarkeringen liepen, alert op verse geuren van de RivierClan aan deze kant van de grens. Om de paar bomen stond Vuurhart stil om een verse geurmarkering van de DonderClan achter te laten.
Plotseling bleef Zandpoot stokstijf staan. ‘Zin in een hapje verse prooi?’ fluisterde ze. Vuurhart knikte. De leerling zakte in sluiphouding en bewoog zich door de sneeuw met één trage pootstap na de andere. Vuurhart volgde haar blik en zag een jong konijntje onder een braamstruik rondhuppen. Met een snelle sis sprong Zandpoot op, dook de braamstruik in en drukte het konijn tegen de grond met een sterke voorpoot. In een soepele beweging trok ze het naar zich toe om het af te maken.
Vuurhart sprong op haar af. ‘Prima vangst, Zandpoot!’
Zandpoot keek gevleid. Ze liet de warme prooi vallen. ‘Ieder de helft?’
Graag!’
‘Dat is een van de leukste dingen van op patrouille gaan,’ mompelde Zandpoot tussen twee happen door.
‘Wat?’ vroeg Vuurhart.
‘Dat je kunt opeten wat je vangt, in plaats van het mee terug naar het kamp te moeten slepen,’ antwoordde Zandpoot. ‘Ik kan de keren niet tellen dat ik half verhongerd ben op de jacht.’
Vuurhart snorde geamuseerd.
Ze gingen weer verder langs de zonnerotsen waar het spoor het bos weer in leidde vlak langs de RivierClangrens. Toen ze de met varens begroeide helling boven de rivier bereikten, zond Vuurhart een schietgebedje op naar de SterrenClan dat ze Grijsstreep daar niet zouden aantreffen.
‘Kijk!’ miauwde Zandpoot plotseling. Haar lichaam verstijfde van opwinding. ‘De rivier… hij is bevroren.’
Vuurhart voelde een steek in zijn hart bij de herinnering aan Sintelpoot die precies dezelfde woorden had gebruikt vlak voor Grijsstreeps ongeluk. ‘We gaan niet naar beneden om te kijken!’ miauwde hij ferm.
‘Dat hoeft ook niet. Je kunt het van hieruit ook zien. Laten we gauw teruggaan om het de Clan te vertellen.’
‘Waarom?’ Vuurhart begreep niet waar Zandpoot zo opgewonden over was.
‘Een patrouille van onze krijgers kan nu de rivier oversteken!’ miauwde Zandpoot. ‘We kunnen het Rivierterritorium ingaan en wat terugstelen van de prooi die ze van ons hebben gepikt.’
Vuurhart voelde een koude rilling langs zijn ruggengraat lopen. Wat zou Grijsstreep daarvan vinden? En kon Vuurhart zich er wel toe brengen om in gevecht te gaan met de halfverhongerde RivierClan?
Zandpoot draaide ongeduldig om hem heen. ‘Kom je nog?’
‘Ja,’ antwoordde Vuurhart bedrukt. Hij sprong achter Zandpoot aan, die het bos in rende naar het kamp.
* * *
Zandpoot stormde door de doorntunnel met Vuurhart op haar hielen. Tijgerklauw keek op toen ze glijdend tot stilstand kwamen op de open plek.
Achter zich hoorde Vuurhart een geluid. Grijsstreep kwam de ingang binnen trippelen samen met Stropoot.
Een oproep klonk van onder de Hogesteen. ‘Vuurhart, Zandpoot, hoe was jullie patrouille?’
Vuurhart zag met een golf van opluchting Blauwster zitten, weer helemaal de oude, met haar kin in de lucht en haar staart gedrapeerd over haar voorpoten.
Zandpoot sprong naar de Hogesteen. ‘De rivier is bevroren,’ barstte ze los. ‘We kunnen er nu met gemak overheen.’
Blauwster keek de leerling nadenkend aan. Vuurhart kromp ineen toen hij de ogen van de DonderClanleider zag glinsteren. ‘Dank je wel, Zandpoot,’ mauwde ze.
Vuurhart boog zich naar Zandpoot toe en fluisterde in haar oor. ‘Kom mee, laten we het de anderen gaan vertellen.’ Hij vermoedde dat Blauwster de bevroren rivier met haar oudste krijgers wilde bespreken.
Zandpoot keek hem aan, begreep het en volgde hem naar het midden van de open plek. ‘Wat was dit een geweldige dag!’ miauwde ze. Vuurhart knikte alleen maar en keek bezorgd naar Grijsstreep.
‘Zo te zien hebben jullie plezier gehad!’ Schorspoot was uit het leerlingenhol gekomen. ‘En? Nog een RivierClankat verdronken?’ mauwde hij honend tegen Vuurhart.
Schorspoot keek Zandpoot vol verwachting aan. Vuurhart vermoedde dat hij wachtte op haar bijval, net als anders, maar Zandpoot luisterde niet. Vuurhart voelde een kleine tinteling van voldoening bij het geïrriteerde gezicht van Schorspoot toen ze ademloos miauwde: ‘We hebben gezien dat de rivier bevroren is. Volgens mij denkt Blauwster over een inval in het Rivierterritorium.’
Op dat moment schalde een oproep van hun leider vanaf de Hogesteen en de Clan begon zich te verzamelen op de open plek. De zon had zijn hoogste punt bereikt, wat in bladkaal betekende dat hij maar net boven de boomtoppen uitkwam.
‘Zandpoot en Vuurhart hebben ons goed nieuws gebracht. De rivier is bevroren,’ verklaarde Blauwster. ‘We zullen van de gelegenheid gebruik maken om een inval te doen in de jachtvelden van de RivierClan om ze er goed van te doordringen dat ze moeten ophouden met het stelen van onze prooi. Onze krijgers zullen een van hun patrouilles opsporen en ze een lesje leren dat ze zich nog lang zullen herinneren!’
Vuurhart kromp ineen toen hij dacht aan wat Zilverstroom hem had verteld over haar hongerlijdende Clan. Om hem heen klonken de enthousiaste uitroepen van de andere katten. Vuurhart had de Clan al in maanden niet zo opgewonden gezien.
‘Tijgerklauw!’ riep Blauwster boven het kabaal uit. ‘Zijn onze krijgers fit genoeg voor een aanval op de RivierClan?’ Tijgerklauw knikte.
‘Uitstekend.’ Blauwster hief haar staart op. ‘Dan zullen we bij zonsondergang op weg gaan.’ De Clan schreeuwde het uit van enthousiasme. Vuurharts poten prikten. Zou Blauwster ook meegaan? Ze ging haar leven toch zeker niet op het spel zetten bij een grensgeschil?’
Vuurhart keek over zijn schouder naar Grijsstreep. Hij staarde naar de Hogesteen met een zenuwachtig zwaaiende staartpunt. Toen het geschreeuw wegstierf riep Grijsstreep: ‘Het voelt warmer vandaag. Een dooi zou het ijs te gevaarlijk maken om over te steken.’
Vuurhart hield zijn adem in toen de andere katten zich omdraaiden om Grijsstreep nieuwsgierig aan te staren.
Tijgerklauw keek achterdochtig op Grijsstreep neer. ‘Jij hebt anders niet zo’n afkeer van vechten,’ mauwde de donkere krijger langzaam.
Donkerstreep rekte zijn nek uit en voegde eraan toe: ‘Ja, Grijsstreep, je bent toch niet bang voor die vlooienzakken van de RivierClan?’
Grijsstreep schuifelde onbehaaglijk heen en weer terwijl de Clan op antwoord wachtte.
‘Tss, wat kijkt hij bang!’ siste Schorspoot naast Zandpoot.
Vuurharts staart zwiepte boos, maar hij slaagde erin luchtig te klinken toen hij riep: ‘Ja, om natte poten te krijgen. Grijsstreep is dit bladkaal al eens door het ijs gezakt, en dat wil hij liever niet nog eens meemaken.’
De spanning in de Clan verdween onder geamuseerd gesnor. Grijsstreep keek naar de grond, zijn oren tegen zijn kop gedrukt. Alleen Tijgerklauw behield zijn wantrouwende frons.
Blauwster wachtte tot het gemompel ophield. ‘Ik moet de inval met de oudste krijgers bespreken.’ Ze sprong van de Hogesteen af met en kwam zo licht neer dat het moeilijk te geloven was dat ze een paar dagen geleden nog voor haar leven had gevochten. Tijgerklauw, Witstorm en Wilgvacht volgden haar naar haar hol en de rest van de Clan verdeelde zich in groepjes om over de voorgestelde inval te discussiëren.
‘Je vindt zeker dat ik je dankbaar moet zijn dat je me zo voor schut hebt gezet!’ hoorde Vuurhart Grijsstreep nijdig in zijn oor sissen.
‘Helemaal niet,’ snauwde hij, ‘Maar je zou me best dankbaar kunnen zijn dat ik nog steeds help je geheim te bewaren!’ Hij sprong weg naar de rand van de open plek met haar dat recht overeind stond van woede.
Zandpoot kwam op hem afrennen. ‘Het is echt tijd dat we die RivierClankatten laten zien dat ze niet naar believen op ons territorium kunnen jagen,’ miauwde ze met stralende ogen.
‘Ja, misschien wel,’ antwoordde Vuurhart afwezig. Hij kon zijn ogen niet van Grijsstreep afhouden. Verbeeldde hij het zich of zag hij Grijsstreep zich steeds dichter en dichter naar de kraamkamer toe manoeuvreren? Was Grijsstreep van plan weg te glippen om Zilverstroom te waarschuwen?
Vuurhart kwam langzaam overeind en trippelde naar de kraamkamer. Grijsstreep keek Vuurhart woest aan toen hij dichterbij kwam, maar voor de katten iets tegen elkaar konden zeggen, klonk Blauwsters oproep opnieuw vanaf de Hogesteen. Vuurhart bleef staan waar hij stond, maar hij hield zijn ogen niet van Grijsstreep af.
‘Wilgvacht is het met jonge Grijsstreep eens,’ verklaarde Blauwster. ‘Er is dooi op komst.’ Grijsstreep hief zijn kin op en keek Vuurhart uitdagend aan, maar dat kon Vuurhart niet schelen. Blauwster ging de inval afgelasten! Dus zou Grijsstreep niet hoeven kiezen tussen zijn Clan en Zilverstroom, en zou Vuurhart niet hoeven deelnemen aan een inval tegen een Clan die zoals hij wist al genoeg te lijden had.
Maar Blauwster was nog niet klaar. ‘Dus zullen we meteen aanvallen!’
Vuurhart keek opzij — Grijsstreeps triomfantelijke blik had plaatsgemaakt voor een uitdrukking van pure afschuw.
Blauwster vervolgde: ‘We zullen een patrouille krijgers hier laten om het kamp te bewaken. We moeten de mogelijke dreiging van de SchaduwClan niet vergeten. Vijf krijgers zullen de inval uitvoeren. Ik zal hier blijven.’
Gelukkig, dacht Vuurhart. Ze was dus niet van plan haar laatste leven te riskeren. ‘Tijgerklauw zal de patrouille aanvoeren. Donkerstreep, Wilgvacht en Langstaart zullen met hem meegaan. Dan is er nog een plaats open.’
‘Mag ik gaan?’ barstte Vuurhart uit. Ook al voelde zijn hart zwaar bij de gedachte de hongerige RivierClankatten te moeten aanvallen, het zou wel betekenen dat Grijsstreep geen keuze zou hoeven maken.
‘Dank je wel, Vuurhart. Jij mag je bij de invallers aansluiten.’ Blauwster was kennelijk blij met het enthousiasme van haar vroegere leerling. Tijgerklauw leek er minder blij mee. Zijn half dicht geknepen ogen keken naar Vuurhart met onverholen wantrouwen. ‘Er is geen tijd te verliezen,’ riep Blauwster. ‘Ik kan zelf de warme winden ook al ruiken. Tijgerklauw kan jullie onderweg verder op de hoogte brengen. Ga maar gauw!’
Donkerstreep, Langstaart en Wilgvacht draafden achter Tijgerklauw aan. Vuurhart volgde hen toen ze door de doorntunnel denderden en het ravijn opklauterden naar het Rivierterritorium. Ze stormden langs de zonnerotsen en bereikten de vijandelijke grens toen de bladkaalzon naar de bomen afdaalde. Vuurhart snoof de lucht op — Grijsstreep en Wilgvacht hadden gelijk, hij rook warmere winden en zag al regenwolken verschijnen boven de boomtoppen.
Toen ze de helling afrenden naar de rivier voelde Vuurhart grote onrust diep van binnen. Zilverstrooms wanhopige verhaal klonk nog na in zijn oren en hij vocht tegen zijn gevoelens van sympathie.
De DonderClankrijgers renden door de dorre varens en kwamen glijdend tot stilstand aan de oever van de rivier. Wat ze daar zagen maakte Vuurhart slap van opluchting. Het glanzende ijsveld dat hij daar eerder met Zandpoot had gezien, was opgebroken in een wilde stroom ijzig zwart water.