Hoofdstuk 20 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
Tijgerklauw wendde zich tot zijn krijgers met ogen die flitsten van frustratie. ‘We zullen het moeten uitstellen,’ snauwde hij.
De patrouille draaide zich om en ging op weg naar huis. Vuurhart stuurde een stil dankgebed op naar de SterrenClan, maar hij had een bittere smaak in zijn mond. Nu zou hij nooit weten of hij met de aanval door had kunnen gaan. Het was niet alleen Grijsstreep die hij niet vertrouwde, hij vertrouwde zichzelf niet eens.
De hele weg naar huis hield Vuurhart zich stil. Van tijd tot tijd zag hij Tijgerklauw een blik op hem werpen over zijn massieve bruine schouder. Het was een langzame tocht. Het licht van de korte bladkaaldag vervaagde al toen ze eindelijk boven aan het ravijn stonden. Vuurhart wachtte tot de andere krijgskatten naar beneden waren geklauterd. Tegen de tijd dat hij uit de doorntunnel kwam, was Tijgerklauw de teleurgestelde Clan al aan het uitleggen dat de rivier was ontdooid.
Vuurhart liep langs de rand van de open plek op zoek naar Grijsstreep. Hij moest weten of zijn vriend het kamp uitgeglipt was. Instinctief ging hij in de richting van de kraamkamer. Toen hij de warwinkel van braamstruiken naderde hoorde hij een bekende miauw. ‘Vuurhart!’
Vuurhart voelde een glimpje hoop. Was Grijsstreep hem misschien dankbaar dat hij had aangeboden de laatste plaats in de aanvalspatrouille in te nemen? Hij volgde de stem van zijn vriend naar de schaduwen achter de kraamkamer.
Vuurhart mauwde zachtjes in het donker, maar hij zag Grijsstreep nergens. Plotseling raakt iets hem in zijn zij met een geweldige dreun. Vuurhart draaide zich met een ruk om; al zijn zintuigen stonden op scherp. In het schemerige licht zag hij het silhouet van Grijsstreep met recht overeindstaande haren.
Grijsstreep haalde opnieuw uit. Vuurhart dook net op tijd weg voor de brede grijze poot die op zijn oor afzwiepte.
‘Wat ben jij aan het doen?’ brabbelde Vuurhart.
Grijsstreep legde zijn oren plat en siste: ‘Jij vertrouwde me niet. Jij dacht dat ik de DonderClan zou verraden!’
Hij sloeg nog een keer toe. Dit keer raakte hij het topje van Vuurharts oor.
Pijn en boosheid golfden door hem heen. ‘Ik wilde alleen voorkomen dat je zou moeten kiezen!’ spuugde hij. ‘Al is het waar dat ik niet goed weet waar jouw loyaliteiten op het ogenblik liggen.’
Grijsstreep vloog hem aan en sloeg hem achterover.
De twee katten raakten slaags, met ontblote nagels.
‘Ik maak mijn eigen keuzes,’ snauwde Grijsstreep.
Vuurhart worstelde zich los en sprong op Grijsstreeps rug. ‘Ik probeerde je te beschermen.’
‘Ik hoef niet beschermd te worden!’
Blind van woede boorde Vuurhart zijn nagels in Grijsstreeps pels, maar Grijsstreep gooide Vuurhart omver en samen kwamen ze achter de kraamkamer uitrollen.
De katten op de open plek sprongen uit de weg toen de twee jonge krijgskatten tegen hen aan botsten. Vuurhart gilde van woede toen Grijsstreep in zijn voorpoot beet. Hij sloeg een klauw uit en boorde zijn nagels in Grijsstreeps kop boven zijn oog. Grijsstreep reageerde door zich naar beneden uit te strekken en zijn tanden in Vuurharts achterpoot te zetten.
Houd hier onmiddellijk mee op!’ Bij Blauwsters strenge stem verstijfden Vuurhart en Grijsstreep. Vuurhart liet Grijsstreep los en schuifelde pijnlijk opzij. Grijsstreep deinsde achteruit met rechtovereind staande haren. Uit zijn ooghoek zag Vuurhart het honende gezicht van Tijgerklauw die met onverholen plezier toekeek, zijn lip opgerold zodat zijn tanden zichtbaar werden.
‘Vuurhart, ik wil je spreken in mijn hol… nu meteen!’ gromde Blauwster met vlammende ogen. ‘Grijsstreep, ga naar je nest en blijf daar!’
* * *
Terwijl de rest van de Clan wegsmolt in de schaduwen, hinkte Vuurhart achter Blauwster aan naar haar hol. Hij keek strak naar de grond, uitgeput en helemaal in de war.
Blauwster ging op de zandvloer zitten en staarde Vuurhart een ogenblik ongelovig aan. Daarna miauwde ze kwaad: ‘Waar ging dat om?’
Vuurhart schudde zijn kop. Hoe razend hij ook was, hij kon onmogelijk het geheim van zijn vriend verraden.
Blauwster sloot haar ogen en haalde diep adem. ‘Ik besef dat iedereen in het kamp op het ogenblik gespannen is, maar ik had nooit verwacht jou en Grijsstreep te zien vechten. Ben je gewond?’
Vuurhart voelde zijn oor en zijn achterpoot steken, maar hij haalde zijn schouders op en murmelde: ‘Nee.’
‘Ga je me nog vertellen wat hier aan de hand is?’
Vuurhart ontmoette haar ogen zo recht als hij maar kon. ‘Het spijt me, Blauwster. Ik kan het niet uitleggen.’ Dat is in elk geval de zuivere waarheid, dacht hij.
‘Goed,’ miauwde Blauwster ten slotte. ‘Dan lossen jullie twee het zelf maar op. De Clan gaat een moeilijke tijd tegemoet en dit soort onderlinge gevechten zal ik niet tolereren. Begrepen?’
‘Ja, Blauwster,’ antwoordde Vuurhart. ‘Mag ik nu gaan?’
Blauwster knikte dus Vuurhart draaide zich om en sloop het hol uit. Hij wist dat hij zijn vroegere mentor ernstig had teleurgesteld. Maar hij kon haar onmogelijk in vertrouwen nemen. De laatste keer dat hij dat had gedaan over Ravenpoots beschuldiging tegen Tijgerklauw, had ze hem niet geloofd. En als ze hem dit keer wel geloofde, zou hij zijn beste vriend verraden.
Ziek van ongerustheid sloop Vuurhart de open plek over en glipte het krijgershol binnen. In zijn nest naast Grijsstreep rolde hij zich op tot een zo klein mogelijke bal. Daar bleef hij roerloos liggen, zich bewust van Grijsstreeps gespannen lichaam naast zich, tot hij eindelijk in slaap viel.
* * *
Vuurhart werd de volgende ochtend vroeg wakker. De zon was nog niet opgegaan en de open plek was leeg toen hij naar Geeltands hol trippelde. Hij wilde Sintelpoot zien.
Geeltand sliep opgerold naast Vlekneus’ zieke jongen.
Ze lagen zacht te wriemelen in hun nest met dichte oogjes. Geeltand snurkte luid. Vuurhart wilde haar niet wakker maken dus sloop hij naar Sintelpoots nest en keek naar binnen.
Het kleine grijze poesje sliep ook. Het bloed was uit haar vacht gewassen. Vuurhart vroeg zich af of ze dat zelf had gedaan of Geeltand het had afgewassen. Vuurhart bleef ineengedoken naast Sintelpoot zitten kijken naar haar ademhaling. De manier waarop haar flanken rezen en daalden had iets geruststellends. Ze leek veel rustiger dan de laatste keer dat hij haar had bezocht.
Hij bleef bij haar tot het licht van de dageraad door de varens filterde en hij hoorde dat de Clan zich begon te bewegen. Vuurhart stond op. Hij boog zich over Sintelpoots nest en raakte haar zij zachtjes aan met zijn neus.
Toen hij zich omdraaide om weg te gaan, rekte Geeltand zich uit en deed haar ogen open. ‘Vuurhart?’
‘Ik kwam even naar Sintelpoot kijken,’ fluisterde hij.
‘Het gaat goed met haar,’ miauwde Geeltand en hees zich overeind.
Vuurharts ogen werden troebel van opluchting. ‘Bedankt, Geeltand.’
Toen hij op de open plek kwam, was Tijgerklauw een groep krijgers en leerlingen aan het toespreken. Hij zag Vuurhart meteen. ‘Fijn dat je ook je gezicht komt laten zien,’ gromde hij. Grijsstreep heeft zich ook net bij ons gevoegd, nadat hij even een woordje met Blauwster heeft gewisseld. Vuurhart keek naar zijn vriend, maar die staarde naar de grond. De andere krijgskatten zeiden ook niets toen Vuurhart haastig naar hen toeliep en naast Zandpoot ging zitten.
‘Tijdens deze dooi zal het in het bos wemelen van de prooi,’ miauwde Tijgerklauw. ‘Ze zullen honger hebben na zo lang in hun holletjes gezeten te hebben. Dit is een goede kans om zoveel te vangen als we maar kunnen.’
‘Maar er ligt nog verse prooi in de sneeuwkuil,’ miauwde Schorspoot.
‘Dat zal gauw genoeg kraaienvoer zijn,’ verzekerde Tijgerklauw hem. ‘We moeten elke gelegenheid om te jagen aangrijpen. Bij het voortduren van bladkaal zal de prooi steeds schaarser worden, en wat blijft zal te mager zijn.’
De krijgers knikten instemmend.
‘Langstaart’ — Tijgerklauw wendde zich tot de bleke cyperse kater — ‘ik wil dat jij de jacht organiseert.’ Langstaart knikte. Tijgerklauw stond op en trippelde naar Blauwsters hol. Vuurhart zag hem door de mosslierten verdwijnen. Hij kon er niets aan doen dat hij zich afvroeg of de leider en de commandant het over zijn gevecht met Grijsstreep zouden hebben.
Langstaarts stem riep hem uit zijn gedachten terug. ‘Vuurhart! Jij en Zandpoot kunnen met Muisbont meegaan. Grijsstreep kan met Witstorm en Stropoot op jacht. Het zal wel beter zijn dat ik jullie twee niet in dezelfde groep zet.’
Geamuseerd gesnor rimpelde door de groep, maar Vuurhart versmalde nijdig zijn ogen. Hij troostte zich met het bekijken van de scheur die hij in het oor van de bleek-gestreepte kat had achtergelaten toen Langstaart hem had uitgescholden op zijn eerste dag in het kamp.
‘Mooi gevecht gisteravond,’ mauwde Muisbont schor naast hem met een ondeugende glinstering in haar ogen. ‘Het maakte het gevecht onze neus voorbij ging, bijna goed.’
Vuurhart keek boos toen Schorspoot eraan toevoegde. ‘Ja nou! Goeie techniek… voor een poesiepoes.’
Knarsetandend keek Vuurhart naar de grond terwijl hij keer op keer zijn nagels ontblootte en weer introk.
Samen gingen de twee groepen het kamp uit. Bij het beklimmen van het ravijn tuurde Vuurhart naar de lucht.
De regenwolken die hij de vorige avond aan had zien komen, bedekten nu de hele hemel en de sneeuw onder hun poten veranderde in modder.
Muisbont nam Zandpoot en Vuurhart mee door de hoogsparren. Ik neem Zandpoot mee, had de bruine krijgskat tegen Vuurhart gezegd. ‘Jaag jij maar alleen. Dan zien we elkaar op zonhoog terug in het kamp.’
* * *
Vuurhart kon niet helpen dat hij opgelucht was alleen te zijn. Hij sloop tussen de bomen door, hij kon nog steeds maar nauwelijks geloven dat hij en Grijsstreep zo verbeten hadden gevochten. Hij voelde zich verloren en alleen zonder zijn oude vriend, ook al herkende hij hem haast niet meer. Zouden ze ooit weer vrienden kunnen worden?
Pas toen hij zachte bladeren onder zijn poten voelde, besefte Vuurhart dat hij helemaal door was gelopen naar het bos dat grensde aan de Tweebeenplaats. Meteen dacht hij aan Prinses en vroeg hij zich af of zijn poten hem soms voor een reden naar haar tweebeennest hadden gebracht.
Vuurhart ging rechtstreeks naar haar hek en riep zachtjes haar tuin in. Daarna sprong hij terug het bos in en wachtte tussen de struiken op de komst van zijn zusje.
Lang hoefde hij niet te wachten voor er gekrabbel klonk op het hek en hij haar speciale geur rook. Vuurhart wilde net op haar af springen toen hij een tweede, onbekende geur rook.
De varens ritselden en Prinses verscheen. In haar mond droeg ze een piepklein wit jong. Toen Vuurhart door de planten heendrong om haar te begroeten miauwde ze een warm welkom langs het bontbundeltje in haar mond.
Het jong was nog heel erg klein. Vuurhart vermoedde dat hij nog wel een maan gezoogd zou moeten worden. Prinses veegde wat smurrie weg met haar poot en legde het jong zachtjes op de bladeren neer. Daarna ging ze zitten en wikkelde haar dikke staart eromheen.
Vuurhart werd overweldigd door zijn gevoelens emotie. Dit was zijn eigen vlees en bloed, als poesiepoes geboren, net als hij! Hij trippelde stilletjes naar Prinses toe, begroette haar met zijn neus en boog zich daarna om het jong te besnuffelen. Het rook naar warmte en melk — vreemd en tegelijkertijd bekend. Toen Vuurhart hem een tedere lik over zijn kopje gaf, piepte hij waardoor kleine witte tandjes in zijn roze mondje zichtbaar werden.
Prinses keek Vuurhart met stralende ogen aan. ‘Ik heb hem voor je meegebracht, Vuurhart, miauwde ze zachtjes. ‘Ik wil dat je hem meeneemt naar je Clan zodat hij je nieuwe leerling kan worden.