Hoofdstuk 23 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
DE RIVIERCLAN en de SchaduwClan waren nog niet gearriveerd, maar de WindClan was er wel. Langster begroette Blauwster met een respectvol knikje.
Vuurhart ontdekte Eensnor en sprong op hem af. ‘Hoi!’ miauwde hij. Het was al twee maanden geleden dat hij de kleine bruingestreepte krijgskat met wie hij zij aan zij had gevochten op de rand van de kloof voor het laatst had gezien. Voor het eerst in tijden herinnerde hij zich Witklauws dood en voelde hij weer de rilling van afschuw bij het beeld van de RivierClankrijger die onder het wilde water verdween.
‘Waar is Grijsstreep?’ vroeg Eensnor. ‘Is hij er ook?’
Vuurhart zag aan de onrustige blik in zijn ogen dat de WindClankat ook aan Witklauws dood moest denken. ‘Hij is oké,’ antwoordde Vuurhart. ‘Hij is daar bij de anderen.’ Vuurhart dacht aan de moederkat van de WindClan die hij had geholpen met het dragen van haar jong. ‘Hoe gaat het met Ochtendbloem?’
‘Dolgelukkig dat ze weer thuis is,’ antwoordde Eensnor.
‘Haar jong groeit nu als kool. Vuurhart snorde van plezier. ‘Het gaat goed met de hele Clan, voegde Eensnor eraantoe. Hij keek naar Vuurhart met een geamuseerde glans in zijn ogen. ‘Het is geweldig om weer konijn te proeven. Ik hoop van mijn leven geen rat meer te hoeven eten!
Vuurhart ontdekte een nieuwe geur in de nachtlucht.
De RivierClan kwam er aan en hij rook ook de SchaduwClan. Hij tuurde omhoog naar de richel rondom het dal. Aan een kant kwam de RivierClan omlaag rennen.
Bovenaan de richel aan de overkant zag Vuurhart de SchaduwClan staan, hun vachten glanzend in het maanlicht. De magere gestalte van Nachtster stond aan het hoofd van de groep.
‘Eindelijk,’ gromde Eensnor. Hij had ze ook gezien. Het is vannacht te koud om lang te blijven rondhangen.’
Vuurhart knikte afwezig. In de groep RivierClankatten die het grasveld opkwamen, zocht hij naar Zilverstroom.
Hij herkende de lichtgrijze poes meteen. Ze kwam glijdend tot stilstand onderaan de helling en volgde daarna haar vader die koel begroetingen uitwisselde met krijgers van andere Clans.
Zenuwachtig zocht Vuurhart in het toenemende gedrang naar Grijsstreep. Zou hij het wagen vanavond met Zilverstroom te praten? De grijze krijgskat stond met zijn rug naar Zilverstroom toe te praten met een WindClankrijger.
Vuurhart staarde zo geconcentreerd naar Grijsstreep dat hij Doodvoet niet hoorde aankomen. ‘Goedenavond, Vuurhart,’ miauwde de WindClancommandant. ‘Hoe gaat het ermee?’
Vuurhart draaide zich om. ‘Hallo,’ miauwde hij. ‘Met mij gaat het goed, dankje.’
Doodvoet knikte. ‘Mooi,’ miauwde hij en hinkte weg.
Eensnor gaf Vuurhart een vriendschappelijk zetje. ‘Een hele eer!’ Vuurhart voelde een glimp van trots.
Blauwsters roep klonk vanaf de Groterots. Vuurhart draaide zich om en keek verrast op. De leiders begonnen meestal niet zo snel met de vergadering. Kromster en Nachtster stonden vlak naast elkaar op de rots. Blauwster wachtte naast Langster tot de katten zich beneden hen hadden verzameld. Het was de eerste keer dat Vuurhart de WindClanleider op een Grote Vergadering had gezien, besefte hij met een schok.
Vuurhart en Eensnor installeerden zich met de andere katten onder de rots. Vuurhart keek op naar Blauwster.
Hij verwachtte dat ze Langster en de WindClan welkom zou heten, maar de DonderClanleider was kennelijk niet in de stemming om tijd te verspillen aan vriendelijkheden.
‘De RivierClan heeft gejaagd bij de zonnerotsen,’ begon ze boos. ‘Onze patrouilles hebben keer op keer jullie krijgers geroken, Kromster! De zonnerotsen behoren toe aan de DonderClan!’
Onbewogen ontmoette Kromster Blauwsters ogen. ‘Ben je vergeten hoe kort geleden een van onze krijgers gedood is bij het verdedigen van ons territorium tegen de DonderClan?’
‘Het was totaal onnodig jullie territorium te verdedigen,’ antwoordde Blauwster. ‘Mijn krijgers waren niet op jacht. Ze keerden terug van het terughalen van de WindClan. Dat was een missie waarover wij het allemaal eens waren. Volgens de krijgscode hadden ze nooit aangevallen mogen worden.’
‘Jij spreekt over de krijgscode?’ spuugde Kromster. Maar hoe zit het met de DonderClankrijger die sindsdien ons grondgebied bespioneert?’
Daar was Blauwster niet op voorbereid. ‘Een krijger?’ echode ze. ‘Hebben jullie die dan gezien?
‘Nog niet,’ siste Kromster. ‘Maar we treffen zijn geurspoor zo vaak aan dat het niet lang zal duren voor we dat doen.’
Vuurhart keek geschrokken naar Grijsstreep. Hij wist maar al te goed welke krijger ze op Kromsters territorium hadden geroken. Zou een van de RivierClankatten zijn geur vanavond herkennen?
Grijsstreep staarde bewegingloos naar de leiders op de Groterots.
Tijgerklauws zware gromstem klonk op in de menigte, ‘We hebben de afgelopen maan niet alleen de RivierClan maar ook SchaduwClan op ons territorium geroken. En niet alleen één krijger, maar een hele patrouille van steeds dezelfde katten.’
De ogen van de SchaduwClanleider flitsten verontwaardigd. ‘De SchaduwClan heeft geen poot op jullie grondgebied gezet. Jouw krijgers kunnen kennelijk het verschil niet ruiken tussen katten buiten hun eigen Clan. Jullie hebben uitgestoten zwerfkatten geroken. Die hebben ook prooi uit ons territorium gestolen!’
Tijgerklauw snoof ongelovig en Nachtster keek kwaad op hem neer. ‘Twijfel je aan het woord van de SchaduwClan?’ De menigte murmelde onbehaaglijk terwijl Tijgerklauw terugstaarde naar Nachtster met onverholen achterdocht.
Voor het eerst liet Langster van zich horen met een onzeker wiegende staart. ‘Mijn krijgers hebben ook onbekende geuren geroken op het Windterritorium. Ze lijken van de SchaduwClan te zijn.’
‘Dacht ik het niet!’ snauwde Tijgerklauw. ‘De RivierClan en de SchaduwClan spannen samen tegen ons!’
‘Ons? Wat bedoel je met ons?’ spuugde Kromster. ‘Volgens mij zijn het jullie en de WindClan die samenspannen! Wilden jullie ze daarom per se terughalen? Zodat jullie ze kunnen gebruiken om samen met hen de rest van het woud te veroveren?’
Langster zette zijn haren op. ‘Dat is niet de reden dat we zijn teruggekomen, en dat weet je best. We hebben ons de laatste manen beperkt tot onze eigen jachtvelden.’
‘Waarom hebben we dan vreemde krijgskatten in ons territorium geroken?’ gromde Kromster.
‘Dat waren geen WindClankatten!’ siste Langster. ‘Het moeten zwerfkatten zijn geweest, zoals Nachtster zei.’
‘Zwerfkatten zouden anders wel een handig excuus zijn om onze territoria binnen te vallen, waar of niet?’ murmelde Blauwster. Ze staarde dreigend naar de leiders van de RivierClan en de SchaduwClan.
Kromsters haren schoten overeind en Nachtster zette een hoge rug op. Gealarmeerd zag Vuurhart Tijgerklauw opstaan en gespannen als een veer op de Groterots afstappen. Zouden de leiders echt slaags raken op een Grote Vergadering?
Op hetzelfde ogenblik gleed een donkere schaduw over het dal. Er viel een doodse stilte onder de katten die ineens in het donker stonden. Bevend keek Vuurhart omhoog. Een wolk was voor de volle maan geschoven en had al het licht weggenomen.
‘De SterrenClan heeft ons in duisternis gedompeld!’ Vuurhart herkende de stem van Halfstaart, een DonderClanoudste.
De medicijnkat van de SchaduwClan viel hem bij. De SterrenClan is boos. Deze vergaderingen horen vreedzaam te verlopen.’
‘Loopneus heeft gelijk!’ Dat was Geeltand. ‘We moeten niet met elkaar strijden, zeker niet tijdens bladkaal. We zouden er alles aan moeten doen om de veiligheid van onze Clans zeker te stellen!’ Haar stem galmde door de angstige stilte. ‘We moeten luisteren naar de SterrenClan.’