Hoofdstuk 24 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
LANGSTER NAM het woord, een schemerig silhouet op de Groterots. ‘De vergadering is ten einde volgens de wil van de SterrenClan.’ De menigte murmelde instemmend. De lucht was vol geuren van angst en vijandschap.
‘Kom mee, DonderClan.’ Vuurhart kon Blauwster nauwelijks zien toen ze van de Groterots af sprong en naar de rand van het grasveld liep. Hij drong zich door de andere katten heen naar haar toe. Hij zag de massieve gestalte van Tijgerklauw zich bij zijn leider voegen en de bleekgrijze contouren van de andere DonderClankatten die zich achter de twee grote krijgskatten verzamelden. Geen van de katten zei iets tijdens de plechtige klim naar boven. Vuurhart wierp een blik over zijn schouder. De andere Clans vertrokken ook. Tegen de tijd dat ze boven aan de helling kwamen, was Vierboom verlaten.
In stilte rende de Clan door het woud langs het geurspoor. Vuurhart zag Grijsstreep achterin de groep en vertraagde zijn tempo. Misschien zou Grijsstreep meer geneigd zijn over Zilverstroom te praten nu het duidelijk was hoe gespannen de verhoudingen waren tussen de Clans. Zijn geur was ontdekt in het Rivierterritorium. Grijsstreep bracht zichzelf en zijn Clan in gevaar met zijn stiekeme ontmoetingen.
Vuurhart zocht naar de juiste woorden maar Grijsstreep siste eerst: ‘Ik weet al wat je wilt zeggen. En ik houd niet op met haar te ontmoeten!’
‘Jij idioot met je muizenhersens!’ spuugde Vuurhart terug. ‘Ze zullen er gauw genoeg achter komen dat jij het bent. Blauwster zal het raden of een of andere kat van de RivierClan zal je geur herkennen. Tijgerklauw heeft het waarschijnlijk al geraden!’
Grijsstreep keek Vuurhart even bezorgd aan. ‘Denk je echt?’
‘Ik weet het niet,’ gaf Vuurhart toe, opgelucht iets van angst in Grijsstreeps stem te horen. Grijsstreep had zich de hele tijd gedragen alsof hij er geen idee van had wat er zou gebeuren als de Clan achter zijn relatie kwam. ‘Maar zodra hij er over na gaat denken…’
‘Oké, oké!’ spuugde Grijsstreep. Hij zweeg even. En als ik nou beloof dat we elkaar nog alleen maar op Vierboom ontmoeten? Op die manier zullen ze ons moeilijk kunnen ruiken, en hoef ik het Rivierterritorium niet in te gaan. Laat je me dan verder met rust?’
Vuurhart begon de moed te verliezen. Grijsstreep was niet van plan Zilverstroom zo gemakkelijk op te geven. Daarna knikte hij. Dit moest toch beter zijn dan vijandelijk territorium in te sluipen om haar te zien.
‘Ben je nu tevreden?’ Grijsstreep ogen flitsten in het donker, maar zijn stem klonk beverig. Vuurhart voelde een steek van verdriet over hun verloren vriendschap en een golf van medeleven met de grijze krijgskat. Hij strekte zijn kop uit om Grijsstreeps flank aan te raken met zijn neus, maar Grijsstreep rende snel naar voren en liet Vuurhart alleen in de achterhoede van de groep.
Ook al waren de katten moe van de tocht, toch riep Blauwster zodra ze thuiskwamen een vergadering bijeen. Het grootste deel van de Clan was toch nog wakker. De Grote Vergadering had korter geduurd dan anders, en de plotselinge wolk had ook de in het kamp achtergebleven katten gealarmeerd.
Terwijl Blauwster en Tijgerklauw zich op de Hogesteen installeerden liep Vuurhart haastig naar de kraamkamer.
Hij wilde weten hoe het met Wolkkit was. Hij stak zijn kop door de ingang. Het was pikdonker en warm daarbinnen.
‘Hallo, Vuurhart,’ fluisterde Vlekneus, een zwakke bewegende schaduw in de duisternis. ‘Het gaat veel beter met Wolkkit. Geeltand heeft hem moederkruid gegeven. Het was niet meer dan een koutje.’ De moederkat klonk opgelucht. ‘Wat is er op de Grote Vergadering gebeurd?’
‘De SterrenClan heeft wolken over de maan gelegd. Blauwster heeft de Clan bijeengeroepen. Kun je even weg?’ Vuurhart hoorde Vlekneus haar jongen besnuffelen.
‘Ja, dat kan wel even,’ antwoordde ze ten slotte. ‘Mijn jongen slapen nog wel een poosje door.’
Vuurhart trok zijn kop terug en samen voegden ze zich bij de katten die zich op de open plek hadden verzameld. Vuurhart voelde een vacht langs de zijne strijken en zag Sintelpoot naar hem opkijken met wijdopen, bezorgde ogen.
Blauwster was al begonnen. ‘De grootste dreiging gaat uit van de RivierClan en de SchaduwClan. We moeten ons erop voorbereiden dat deze twee Clans mogelijk samenspannen tegen ons.’
Een geschokt gemiauw rimpelde door de Clan.
‘Denk je echt dat zij samengaan?’ vroeg Geeltand schor. ‘RivierClan heeft de beste voedselbron, maar ik kan me niet voorstellen dat ze die met de SchaduwClan zouden willen delen.’
Vuurhart herinnerde zich Zilverstrooms woorden over de honger van de RivierClan na de tweebeeninvasie, maar hij zei niets uit angst dat Blauwster zou willen weten waar hij dat verhaal had gehoord.
‘Ze ontkenden het niet,’ merkte Tijgerklauw op.
Blauwster knikte. ‘Wat er ook van waar is, wij moeten onze waakzaamheid opvoeren. Vanaf vanavond zal elke patrouille uit vier katten bestaan, waarvan minstens drie krijgers. Er zal ook vaker gepatrouilleerd worden, twee keer ‘s nachts en één keer overdag, naast de patrouilles van zonsopgang en zonsondergang. We moeten de invallen van de RivierClan en de SchaduwClan een halt toeroepen en omdat zij verkiezen niet naar ons te luisteren, moeten wij voorbereid zijn op een gevecht.’
De Clankatten schreeuwden hun bijval. Vuurhart deed mee, ook al maakte hij zich ongerust over wat deze open vijandschap voor Grijsstreep zou betekenen. Hij keek om naar de andere katten. Hij kon alle ogen zien glanzen, behalve die van Grijsstreep. De grijze kater zat met gebogen kop aan de rand van de open plek.
Toen het lawaai was weggestorven, nam Blauwster opnieuw het woord. ‘De eerste patrouille zal nog voor de dageraad vertrekken.’ Ze sprong van de Hogesteen af, gevolgd door Tijgerklauw. De rest van de Clan verspreidde zich in kleine groepjes. Op weg naar het krijgershol hoorde Vuurhart hen zenuwachtig murmelen.
Vuurhart installeerde zich in zijn nest door het mos met zijn poten te kneden tot het zacht was. Boven aan het ravijn klonk de roep van een uil. Hij wist dat hij nog niet in slaap zou vallen. In zijn hoofd galmden de beschuldigingen die waren rondgevlogen tijdens de Grote Vergadering. Hij begreep de woede van de RivierClan. Ze hadden DonderClan geroken in hun territorium, en ze hadden honger sinds hun prooi minder was geworden.
Maar hoe zat het met de SchaduwClan? Die was kleiner sinds de DonderClan hen had geholpen hun vroegere tirannieke leider en zijn volgelingen te verjagen. Brokkelster had zelfs toegegeven dat hij Rafelster, zijn eigen vader, had gedood om Clanleider te worden. Maar de Clan was met rust gelaten om zich te herstellen van Brokkelsters bloedige regime. En Vuurhart kon de gedachte niet van zich afzetten dat nu er minder monden te voeden waren, de SchaduwClan het niet nodig had om de jachtvelden van de DonderClan of van welke andere Clan ook, onveilig te maken.
Terwijl hij daarover lag te piekeren, drongen Witstorm en Donkerstreep het hol binnen. Voor Witstorm naar zijn nest ging, bleef hij even naast Vuurhart staan. ‘Jij gaat morgen bij zonhoog samen met Zandpoot, Muisbont en mij op patrouille,’ miauwde hij.
‘Ja, Witstorm,’ antwoordde Vuurhart voor hij zijn kin op zijn poten legde. Hij moest gaan slapen — hij moest morgen fit zijn en klaar staan om voor zijn Clan te vechten.
* * *
De wolken die de maan hadden bedekt waren de volgende ochtend verdwenen. Vuurhart genoot van de zwakke zonnewarmte op zijn rug toen hij zich op de open plek zat te wassen. Uit de ingang van de kraamkamer tegen over hem kwam Wolkkit vrolijk en wel naar buiten springen.
Vuurhart was de SterrenClan dankbaar dat hij er zo gauw weer bovenop was gekomen. Zandpoot had gelijk gehad wat betreft de snelheid waarmee hij zou herstellen. Hij keek rond of hij Langstaart en Schorspoot zag zodat zij het ook konden zien, maar de open plek was verlaten.
Vuurhart stak over naar de kraamkamer. ‘Ha, Wolkkit,’ miauwde hij. ‘Voel je je beter?’
‘Ja hoor,’ piepte Wolkkit. Hij draaide in een cirkeltje rond om zijn staart te pakken met zijn kleine kaken. Een balletje mos dat aan zijn vacht vastgekleefd had gezeten, viel eraf en rolde over de grond. Wolkkit sprong er op af en gooide het in de lucht. Het stuiterde op de grond naast Vuurhart.
Vuurhart sloeg het terug naar het kitten, en Wolkkit sprong omhoog om het tussen zijn tanden op te vangen.
‘Goed zo!’ Vuurhart was onder de indruk. Met een poot schepte hij het mosballetje hoog de lucht in zodat het over de open plek vloog.
Wolkkit rende erachteraan en griste het weg. Hij rolde op zijn rug, gooide het balletje op met zijn voorpoten en schopte het weg met zijn achterpoten. Het kwam naast de kraamkamer neer. Vlug krabbelde Wolkkit weer overeind en spurtte erheen. Op een konijnensprong afstand drukte hij zich tegen de grond met zijn achterwerk in de lucht.
Vuurhart zag hoe hij zich opmaakte erbovenop te springen. Plotseling voelde hij zijn vacht prikkelen. Een lange donkere voorpoot werd vanachter de kraamkamer naar het mosballetje uitgestoken.
‘Wolkkit!’ riep Vuurhart. ‘Wacht!’ Schimmige beelden van gevaarlijke zwerfkatten zaten nog vers in zijn hoofd.
Wolkkit schoot overeind en keek vragend om.
Tijgerklauw kwam achter de kraamkamer uit met het mosballetje tussen zijn tanden. Hij droeg het naar het kitten toe en liet het voor Wolkits pluizig witte pootjes neervallen. ‘Kijk jij maar uit,’ gromde hij. ‘Zulk kostbaar speelgoed wil je toch zeker niet graag kwijtraken.’ Terwijl hij dat zei staarde de donkere krijger over Wolkkits kop heen strak naar Vuurhart.
Vuurhart huiverde. Wat bedoelde Tijgerklauw daarmee? Hij leek het over de mosbal te hebben — maar bedoelde hij soms eigenlijk dat Wolkkit het speelgoed was? Een beeld van Sintelpoot, een bloedend hoopje ellende naast het donderpad, flitste door Vuurharts hoofd. Was dat soms ook speelgoed dat hij was kwijtgeraakt? Een kil gevoel van afschuw beving hem terwijl hij zich opnieuw afvroeg of de DonderClancommandant op de een of andere manier verantwoordelijk was voor het ongeluk van zijn leerling.