Hoofdstuk 25 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
‘WOLKKIT!’
Vuurhart hoorde Vlekneus’ stem roepen vanuit de kraamkamer. Tijgerklauw draaide zich om en trippelde weg. Wolkkit gaf het mosballetje een laatste schuiver en rende naar de ingang van de kraamkamer. ‘Dag, Vuurhart,’ piepte hij voor hij erin verdween.
Vuurhart keek op naar de lucht. Het was bijna zonhoog, tijd om zich bij zijn patrouille te gaan voegen. Hij had honger, maar er was nog geen verse prooi verzameld. Misschien zou hij onderweg iets vinden. Haastig liep hij de open plek over en de doorntunnel door. Bevroren bladeren kraakten onder zijn poten.
Zandpoot en Muisbont stonden al onderaan de helling te wachten. Vuurhart stak ter begroeting zijn staart omhoog, onverwacht blij Zandpoot te zien.
‘Hoi,’ miauwde Zandpoot. Muisbont knikte hem toe.
Witstorm kwam de doorntunnel door. ‘Is de dageraadpatrouille al terug?’
‘Nog niets van ze gezien,’ antwoordde Muisbont.
Maar hij had het nog niet gezegd of Vuurhart hoorde geritsel in het struikgewas boven hen. Uit de struiken verschenen Wilgvacht, Jaagwind, Donkerstreep en Schorspoot.
‘We hebben de hele RivierClangrens gepatrouilleerd,’ rapporteerde Wilgvacht. ‘Geen spoor van vreemde jagers tot dusver. Blauwsters patrouille zal het gebied vanmiddag nog een keer controleren.’
‘Goed,’ antwoordde Witstorm. ‘Dan nemen wij de SchaduwClangrens.’
‘Hopelijk zullen zij net zo verstandig zijn als de RivierClan en wegblijven,’ miauwde Donkerstreep. ‘Na gisteravond moeten ze weten dat we op de uitkijk staan.’
‘Ik help het je hopen,’ gromde Witstorm. Hij wendde zich tot zijn patrouille. ‘Zijn jullie er klaar voor?’ Vuurhart knikte. Witstorm zwaaide met de punt van zijn staart en sprong de varens in.
Vuurhart volgde Muisbont en Witstorm. Met grote vaart sprongen ze omhoog het ravijn uit. Zandpoot volgde Vuurhart op de hielen; hij voelde haar warme adem toen ze achter hem aan de rotsen opsprong.
Ze hadden de slangenrotsen nog niet eens bereikt toen Vuurhart een bekende, sinistere geur rook. Hij deed zijn mond open om de anderen te waarschuwen, maar Muisbont was hem voor: ‘SchaduwClan!’
De vier katten bleven stilstaan om de ranzige lucht op te snuiven.
‘Ik kan niet geloven dat ze nu al weer teruggekomen zijn!’ murmelde Zandpoot. Vuurhart zag de haren langs haar ruggengraat trillen.
‘Het is een verse geur.’ Witstorms ogen fonkelden van woede. ‘Ik had gehoopt dat Nachtster zijn Clan weer wat eergevoel zou bijbrengen. Maar ik neem aan dat de kille winden achter het donderpad over het hart van elke SchaduwClankat waaien.’
Vuurhart draaide zich om en begon door een dikke varenkluit heen te dringen. Hij wreef met zijn tanden langs de varens om de geur op pikken die er hing. Het was inderdaad de SchaduwClan. De geur was bekend. Heel bekend. Vuurhart stond stil. Het was de geur van een SchaduwClankrijger die hij eerder had ontmoet, maar welke?
Vuurhart ging verder, in de hoop dat meer van die geur zijn geheugen zou stimuleren. Nu rook hij ook nog iets anders. Vuurhart keek omlaag. Tussen de verdroogde varens op de grond lag een hoopje konijnenbotten. Meestal begraven Clankatten de botten van hun prooi uit respect voor het leven dat zij beëindigd hebben. Plotseling besefte hij wat dit kon betekenen. Hij pakte een mondvol botten op en drong terug door de varens. Hij liet de botten voor Witstorms poten neervallen.
Woedend staarde Witstorm op de botten neer. ‘Konijnenbotten? De krijgers die deze hebben achtergelaten wilden ons laten weten dat zij op ons terrein hebben gejaagd! Hier moet Blauwster onmiddellijk van op de hoogte worden gebracht.’
‘Denk je dat ze een gevechtspatrouille op de SchaduwClan zal afsturen?’ vroeg Vuurhart. Hij had Witstorm nog nooit zo driftig gezien.
‘Dat moet ze zeker doen!’ siste de grote witte krijgskat.
‘En als het even kan, zal ik die zelf aanvoeren. Nachtster heeft ons vertrouwen beschaamd en de SterrenClan weet dat hij daarvoor gestraft moet worden.
* * *
‘Blauwster!’ Witstorm smeet de konijnenbotten neer in het midden van het kamp.
‘Blauwster is al op patrouille gegaan,’ vertelde Tijgerklauw die uit de schaduwen tevoorschijn trad.
Halfstaart en IJzelvacht kwamen aanhollen uit hun holen om te horen wat er aan de hand was.
Witstorm staarde naar Tijgerklauw; hij was nog steeds razend. ‘Kijk hier eens naar!’ spuugde hij.
Tijgerklauw hoefde niet uitgelegd te krijgen wat de botten betekenden, hun geur vertelde het hele verhaal. Zijn ogen begonnen te fonkelen van boosheid.
Vuurhart bleef op de rand van de open plek staan en keek naar de twee krijgskatten. Het bewijsmateriaal voorspelde weinig goeds, maar de ontdekking van de botten had bij hem vragen opgeroepen, geen boosheid. Het was nog maar drie manen geleden dat de SchaduwClan hun wrede leider met hulp van de DonderClan had verjaagd. Hoe kon diezelfde Clan in vredesnaam bereid zijn om een oorlog met de DonderClan te riskeren?
Tijgerklauw voelde zulke twijfels kennelijk niet.
Hij riep Donkerstreep en Jaagwind al bij zich. ‘Wilgvacht en Muisbont gaan ook met ons mee!’ verklaarde hij. ‘We zullen een SchaduwClanpatrouille opzoeken en ze een paar verwondingen geven die hun zullen leren voortaan uit ons territorium weg te blijven.’
Witstorm knikte.
‘Mag ik ook mee?’ vroeg Zandpoot. Ze had opgewonden achter de witte krijger lopen ijsberen. Nu stond ze stil en keek hem met glinsterende ogen aan.
‘Dit keer niet,’ antwoordde Witstorm.
Frustratie flitste over haar gezicht. ‘En Vuurhart dan?’ miauwde ze. ‘Hij heeft de botten gevonden.’
Tijgerklauw versmalde zijn ogen en zette zijn haren op. ‘Vuurhart, die moet hier blijven en het Blauwster vertellen wanneer ze terugkomt,’ siste hij uit de hoogte.
‘Jullie gaan weg voordat ze terugkomt?’ vroeg Vuurhart.
‘Ja, natuurlijk,’ spuugde Tijgerklauw. ‘Dit moet nu meteen afgehandeld worden!’ Hij wendde zich tot Witstorm en zwaaide met zijn staart. Vuurhart zag de twee krijgers het kamp uitstormen met Donkerstreep, Wilgvacht, Jaagwind en Muisbont vlak op hun hielen.
Hij hoorde hun poten over de bevroren aarde naar de zijkant van de ravijn roffelen.
Vuurhart werd zich er plotseling van bewust hoe leeg het kamp was. Toen IJzelvacht en Halfstaart tevoorschijn kwamen om de konijnenbotten te besnuffelen miauwde hij: ‘Wie zijn er met Blauwster mee?’
IJzelvacht keek op. ‘Grijsstreep, Langstaart en Snelpoot.’
Een koude windvlaag rimpelde door Vuurharts vacht. Hij hoopte dat het daardoor kwam dat hij huiverde. Hij was de enig overgebleven krijger in het kamp. ‘Kun jij even in het leerlingenhol kijken of Schorspoot daar is?’ vroeg hij aan Zandpoot.
Ze knikte, sprong de open plek over en stak haar kop in het hol. ‘Hij is hier!’ riep ze nadat ze haar kop had teruggetrokken. ‘Hij slaapt, samen met Stropoot.’
Geeltand kwam uit haar hoek tevoorschijn en hief haar kop op. Vuurhart ontspande zich een beetje bij het zien van de vertrouwde verschijning van de oude medicijnkat. Hij versmalde zijn ogen, klaar om haar te begroeten. Maar toen Geeltand de lucht proefde, vertrok haar gezicht van angst. Met trage, stijve passen liep ze op de konijnenbotten af en besnuffelde ze zorgvuldig, een voor een.
Vuurhart keek naar haar. Waarom was ze zo geïnteresseerd in die oude botten?
Eindelijk keek ze op en staarde Vuurhart aan. ‘Brokkelster!’ zei ze met schorre stem van afschuw.
‘Brokkelster?’ herhaalde Vuurhart. Ineens besefte hij met een schok wat dat betekende. Daarom was de lucht in de varens hem zo bekend voorgekomen. Het was Brokkelsters geur. ‘Weet je het zeker?’ miauwde hij dringend. ‘Tijgerklauw is al op weg naar Schaduwterritorium.’
‘Dit is niet het werk van de SchaduwClan!’ riep Geeltand. ‘Maar van Brokkelster en zijn ouwe maten. Ik ben medicijnkat van de SchaduwClan geweest. Ik was bij hun geboorte. Ik ken hun geuren evengoed als die van mijzelf.” Ze hield even op. ‘Je moet Tijgerklauw tegenhouden. Hij begaat een vreselijke vergissing als hij hen aanvalt!’
Het bloed gonsde in Vuurharts oren en maakte hem duizelig. Wat moest hij doen? ‘Maar ik ben de enig overgebleven krijger hier!’ miauwde hij ademloos tegen Geeltand. ‘Stel je voor dat Brokkelster het kamp aanvalt terwijl ik weg ben! Dat heeft hij al eerder gedaan. Hij heeft de botten misschien expres achtergelaten om ervoor te zorgen dat ons kamp onbewaakt achterblijft.’
‘Je moet het Tijgerklauw gaan vertellen voor hij…’ smeekte Geeltand maar Vuurhart schudde zijn kop.
“Ik kan jullie niet alleen laten.’
‘Dan ga ik wel!’ siste Geeltand.
‘Nee, ik ga wel!’ miauwde Zandpoot.
Vuurhart keek van de een naar de ander. Hij kon hen geen van beiden missen — hun kracht en training waren nodig voor de bescherming van de Clan. Maar Geeltand had gelijk: er mocht geen onschuldig bloed vergoten worden. Brokkelster was de invaller. De DonderClan had geen conflict met de SchaduwClan. Hij moest een andere kat sturen. Hij sloot zijn ogen en dacht diep na. Het antwoord kwam even later. ‘Stropoot!’ siste Vuurhart en sperde zijn ogen wijdopen. Luidkeels riep hij de naam van de leerling.
De jonge kat kwam het hol uit en trippelde de open plek over naar Vuurhart. ‘Wat is er?’ vroeg hij knipperend met zijn ogen.
‘Ik heb een belangrijke opdracht voor je,’ vertelde Vuurhart.
Stropoot schudde zich en stond rechtop. ‘Ja, Vuurhart,’ miauwde hij.
‘Jij moet Tijgerklauw gaan zoeken. Hij is met een gevechtseenheid op weg om een SchaduwClanpatrouille aan te vallen. Houd hem tegen en vertel hem dat het Brokkelster was die invallen deed in ons territorium!’ Stropoot sperde geschrokken zijn ogen open maar Vuurhart ging door. ‘Je zult misschien het donderpad moeten oversteken. Ik weet dat je daar niet op getraind bent…’ Beelden van Sintelpoots gewonde lichaam flitsten door zijn hoofd, maar hij drukte ze weg. ‘Je moet Tijgerklauw vinden,’ miauwde hij, anders wordt het oorlog tussen de Clans zonder dat daar een reden voor is.’
Stropoot knikte, zijn ogen kalm en vastberaden. ‘Ik zal hem vinden,’ beloofde de gestreepte leerling.
‘De SterrenClan sta je bij,’ murmelde Vuurhart. Hij strekte naar voren en raakte Stropoots flank met zijn neus aan.
Stropoot draaide zich om en sprintte de doorntunnel in. Vuurhart keek hem na, worstelend om zich onder controle te houden. Sintelpoot… het donderpad… de beelden bleven rond dwarrelen. Hij schudde zijn kop om helder te worden. Hij had geen tijd om zich daar zorgen over te maken. Als Brokkelster in Donderterritorium was, moest het kamp worden voorbereid op de aanval.
‘Wat is er aan de hand?’ Schorspoot was het leerlinghol uitgekomen. Vuurhart keek even naar hem, daarna rende hij naar de overkant van het kamp en klauterde de Hogesteen op. De open plek leek heel diep beneden zijn bibberende poten. Hij slikte en deed de gebruikelijke oproep: ‘Laat alle katten die oud genoeg zijn om…’ Maar dit duurde allemaal te lang! ‘Het kamp is in gevaar. Kom allemaal hierheen!’ schreeuwde hij dringend.
De ouderen en de moederkatten kwamen hun holen uitrennen, gevolgd door de kittens. Ze keken verbijsterd toen ze Vuurhart op de Hogesteen zagen staan. Sintelpoot kwam de varentunnel uithinken en keek Vuurhart met een sterke, heldere blik aan. Zodra Vuurhart haar zag hield het tollen van het kamp beneden hem meteen op.
‘Wat is dit?’ vroeg Eenoog, de oudste DonderClankat. ‘Wat voer jij daar uit?’
Vuurhart aarzelde niet. ‘Brokkelster is terug. Hij is misschien op dit moment al in Donderterritorium, Als Brokkelster ons aanvalt, moeten wij erop voorbereid zijn. Jongen en oudsten blijven in de kraamkamer. De rest moet klaar staan om te vechten…’
Een dreigend gegrom bij de ingang van het kamp onderbrak Vuurharts woorden. Een magere bruingestreepte kat met een haveloze vacht en gescheurde oren kwam het kamp binnenstappen. Zijn dikke staart was geknakt in het midden als een gebroken tak.
‘Brokkelster!’ hijgde Vuurhart. Instinctief ontblootte hij zijn nagels terwijl al zijn haren overeind gingen staan.
Vier schurftige krijgskatten kwamen achter hun leider aan met ogen die glinsterden van haat.
‘Dus jij bent de enige overgebleven krijger!’ siste Brokkelster zijn lippen dreigend naar achteren getrokken. ‘Dan wordt dit nog gemakkelijker dan ik dacht!’