Hoofdstuk 29 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
TOEN HET lichter werd in het hol werd Wilgvacht wakker, Vuurhart zag haar overeind komen, zich uitrekken en daarna naar buiten stappen. Met een laatste blik op de slapende gestalte van Grijsstreep ging hij achter haar aan.
‘Het sneeuwt niet meer,’ miauwde hij om de spookachtige stilte in het besneeuwde kamp te verbreken. Zijn stem echode over de open plek, en Wilgvacht knikte.
Geritsel begeleidde de geuren van Tijgerklauw en Jaagwind die ook het hol uitkwamen. Ze gingen zich naast Wilgvacht zitten wassen. Klaar voor de dageraadpatrouille, dacht Vuurhart. Hij vroeg zich af of hij zou aanbieden met hen mee te gaan, omdat hij best een race door het woud kon gebruiken, maar aan de andere kant wilde hij ook in het kamp blijven om een oogje op Grijsstreep te houden. De woorden van Spikkelblad drukten nog steeds zwaar op zijn hart. Hij kon de gedachte niet van zich afzetten dat Grijsstreep de krijger was die hij niet kon vertrouwen. Grijsstreep hield vol dat zijn verhouding met Zilverstroom niets afdeed aan zijn loyaliteit aan de Clan, maar hoe zou dat kunnen? Hij overtrad de krijgscode alleen al door haar te ontmoeten!
Plotseling hief Tijgerklauw zijn kop op alsof hij iets rook. Vuurhart spande zijn spieren. Zijn oren wiebelden — in de verte hoorde hij poten met grote snelheid knarsend door de sneeuw rennen. De wind bracht hen de geur van de WindClan. De pootstappen werden luider. De krijgskatten verstijfden — een kat kwam door de doorntunnel op hen af rennen. Tijgerklauw zette een hoge rug op en siste toen Eensnor de open plek op stormde.
De WindClankrijger kwam glijdend voor hen tot stilstand, zijn ogen vol afgrijzen. ‘De SchaduwClan en de RivierClan!’ hijgde hij. ‘Ze vallen ons kamp aan! Wij zijn ver in de minderheid en vechten voor ons leven! Langster weigert dit keer zich te laten verdrijven! We moeten hulp hebben anders wordt mijn Clan uitgeroeid!’
Blauwster kwam haar hol uitspringen. Alle ogen gingen van Eensnor naar haar. ‘Ik heb het gehoord,’ miauwde ze. Zonder op de Hogesteen te springen, liet de DonderClanleider de oproep horen om de Clan te verzamelen. De angstgeur van Eensnor verspreidde zich over de open plek terwijl hij de katten het ochtendlicht in zag stromen.
Zodra de Clan bijeen was, begon Blauwster: ‘We hebben geen tijd te verliezen. Het is zoals we al vreesden: de SchaduwClan en de RivierClan hebben zich bij elkaar aangesloten en vallen nu het WindClankamp aan. We moeten hen gaan helpen.’ Ze hield even op en keek rond langs de gezichten die haar ontdaan aanstaarden. Eensnor stond naast haar en luisterde zwijgend met wijdopen, hoopvolle ogen.
Vuurhart was ontzet. Nadat de valse zwerfkatten waren ontdekt, had hij echt geloofd dat Nachtster te vertrouwen was. Nu zag het ernaar uit dat de SchaduwClanleider toch de krijgscode had overtreden door samen te spannen met de RivierClan om de WindClan opnieuw uit hun thuis te verdrijven.
‘Maar we zijn bladkaalzwak!’ protesteerde Lappenpels. ‘We hebben al een keer een risico genomen voor de WindClan. Laten ze het dit keer zelf maar opknappen.’ Er klonk wat instemmend gemompel onder de oudsten en de moederkatten.
Het was Tijgerklauw die antwoord gaf. Hij kwam naast Blauwster staan en miauwde: ‘Je hebt gelijk dat je voorzichtig bent, Lappenpels. Maar als de SchaduwClan en de RivierClan samengaan, is het nog maar een kwestie van tijd voor ze zich tegen ons zullen richten. Het is beter dat we het nu tegen hen opnemen samen met de WindClan, dan later, alleen!’
Blauwster keek naar Lappenpels die zijn ogen sloot en zijn staart ophief om te tonen dat hij Tijgerklauws woorden accepteerde.
Geeltand kwam naar voren en mauwde zachtjes tegen de leider: ‘Ik denk dat jij in het kamp moet blijven, Blauwster. De koorts van de groenhoest mag dan gezakt zijn, maar je zult nog steeds zwak zijn.’ De twee katten wisselden een blik uit die Vuurhart met een schok begreep. Dit was Blauwsters negende en laatste leven. In het belang van de Clan kon zij dat niet bij een gevecht op het spel zetten.
Blauwster knikte kordaat. ‘Tijgerklauw, ik wil dat jij twee groepen organiseert, één om aanval te leiden en een tweede om de eerste rugdekking te verlenen. We moeten er zo snel mogelijk heen!’
‘Ja, Blauwster.’ Tijgerklauw wendde zich tot de krijgers. ‘Witstorm, jij leidt de tweede eenheid; ik leid de eerste. Ik neem Donkerstreep, Muisbont, Langstaart, Schorspoot en Vuurhart.’ Vuurhart hief zijn kop op toen Tijgerklauw zijn naam riep. Opwinding doorstroomde hem: hij ging met de voorhoede mee!
‘Jij!’ riep Tijgerklauw naar Eensnor. ‘Hoe heet jij? De WindClankrijger schrok van Tijgerklauws toon.
Vuurhart antwoordde voor hem. ‘Eensnor,’ miauwde hij.
Tijgerklauw knikte, met een snelle zijdelingse blik op Vuurhart. ‘Eensnor, jij gaat met mij mee. De rest van de DonderClankrijgers voegt zich bij Witstorm. Jij ook, Stropoot.’
‘Zijn we zover?’ riep Tijgerklauw. De krijgskatten hieven hun kop op en lieten hun strijdkreet horen. Tijgerklauw stormde naar de doorntunnel en iedereen rende achter hem aan.
Langs het ravijn klommen ze omhoog en spurtten het bos in op weg naar Vierboom en het hoogland daarachter. Tussen de bomen door rennend keek Vuurhart over zijn schouder. Grijsstreep bevond zich achteraan; zijn gezicht stond grimmig en zijn ogen staarden zonder iets te zien voor zich uit. Vuurhart vroeg zich af of Zilverstroom bij de aanvallers zou zijn en voelde een steek van medeleven met zijn vriend, maar dit keer had hij geen enkele twijfel aan zijn eigen bereidheid te vechten. Na het terugbrengen van de WindClan kon hij niet anders dan zich verantwoordelijk voor hen voelen. Hij zou geen enkele Clan toestaan ze terug te jagen naar die donderpadtunnels.
Opnieuw vulde de geur van Spikkelblad zijn neusgaten en Vuurharts vacht prikte. ‘Pas op voor een krijger die je niet kunt vertrouwen!’ Dit zou op meer dan een manier een moeilijk gevecht worden. Grijsstreep zou er niet meer onderuit kunnen zijn loyaliteit te bewijzen.
Ook al sneeuwde het niet meer, het kostte moeite om door de opgewaaide sneeuw te komen. Een ijskorst had zich op de sneeuw gevormd, maar de katten waren zwaar genoeg om daardoorheen te zakken naar de zachtere sneeuw eronder.
‘Tijgerklauw!’ Wilgvachts stem klonk uit de achterhoede. De commandant stond stil en draaide zich om.
‘We worden gevolgd!’ riep Wilgvacht.
Haar woorden deden Vuurhart huiveren. Waren ze in een hinderlaag gelopen? Zachtjes keerde de patrouille terug op zijn schreden, waakzaam en achterdochtig. Een zwaar besneeuwde tak kraakte boven hen zodat Stropoot een luchtsprong van schrik maakte.
‘Wachten!’ siste Tijgerklauw.
De katten doken ineen in de sneeuw. Vuurhart hoorde het geluid van pootstappen op hen af komen. Ze klonken licht, als kleine pootjes die over de ijskorst renden. Met een wee gevoel in zijn maag raadde Vuurhart al wie het waren een seconde voor Wolkkit en Vlekneus’ jongen opdoken van achter een boomstam.
Tijgerklauw rekte zich in zijn volle lengte voor hen uit en de kleintjes piepten van angst. De krijger herkende hen meteen en liet zich op zijn poten neervallen. ‘Wat doen jullie hier?’ spuugde hij.
‘We willen meevechten,’ miauwde Wolkkit. Vuurhart kromp ineen.
‘Vuurhart!’ riep Tijgerklauw. Vuurhart haastte zich erheen en de donkere krijger siste ongeduldig. ‘Jij hebt dit jong de Clan ingebracht; jij lost het maar op.’
Vuurhart keek in Tijgerklauws brandende ogen. Hij wist dat de commandant probeerde hem te dwingen te kiezen. Vuurhart kon óf meegaan met de gevechtsgroep en vechten voor zijn Clan, óf voor zijn poesiepoesfamilie zorgen. De hele patrouille wachtte in stilte af wat Vuurhart zou doen.
Vuurhart wist dat hij zou kiezen voor het vechten voor de Clan, maar hij kon zijn zusters jong daar niet aan opofferen. Wolkkit en de anderen moesten veilig teruggebracht worden door een andere kat. Maar welke krijger kon bij de aanval gemist worden?
‘Stropoot!’ riep Vuurhart naar Grijsstreeps leerling. ‘Wil jij deze jongen alsjeblieft naar huis brengen!’Vuurhart wachtte op protesten van Grijsstreep, maar de grijze krijger hield zich stil toen Vuurhart zijn leerling terug naar het kamp stuurde.
Stropoot staart zakte omlaag en Vuurhart voelde zich schuldig. ‘Er komen heus nog meer dan genoeg gevechten waar jij aan kunt deelnemen,’ beloofde hij.
‘Maar Vuurhart, jij zei toch dat wij op een dag zij aan zij zouden vechten!’ Wolkkits protest galmde tussen de bomen door. Tijgerklauw wierp Vuurhart een spottende blik toe. Vuurhart voelde zijn vacht onbehaaglijk prikken toen de patrouille geamuseerd grijnsde over wat het kleintje riep. Maar hij weigerde zijn verlegenheid te tonen. ‘Dat zullen we ook doen op een dag,’ miauwde hij. ‘Maar niet vandaag.’
Het witte jong liet zijn schouders hangen en Vuurhart slaakte een zucht van verlichting toen hij Wolkkit met tegenzin net als de twee andere jongen achter Stropoot aan terug naar het kamp zag lopen.
‘Je keuze verbaast me, Vuurhart,’ hoonde Tijgerklauw. ‘Ik had niet verwacht dat je erg happig zou zijn op dit gevecht.’
Vuurhart staarde Tijgerklauw aan en voelde het bloed heet door zijn aderen golven tot zijn hele lichaam gloeide van woede. ‘Was jij er maar net zo happig op als ik!’ antwoordde hij. ‘Dan zou je wel een strijdkreet slaken in plaats van ons hier te laten staan terwijl WindClankrijgers sterven!’
Tijgerklauw wierp hem een hatelijke blik toe, gooide zijn kop in zijn nek en schreeuwde het uit voor hij doordraafde naar het WindClankamp. Vuurhart en de anderen renden achter hem aan, voorbij Vierboom en tegen de steile helling op naar het hoogland. Ze sprongen naar boven met poten die geen geluid maakten in de sneeuw.
Toen ze boven kwamen werd Vuurhart bijna omver geblazen door een loeiende wind die zijn oren binnenste buiten keerde. Het WindClangebied leek kaler dan ooit nu de stekelige struiken bedekt waren met een laag sneeuw.
‘Vuurhart! Jij kent de weg naar het WindClankamp!’ brulde Tijgerklauw boven de wind uit. Leid ons erheen. Hij minderde vaart om Vuurhart voor te laten gaan. Vuurhart vroeg zich af of de commandant Eensnor soms niet genoeg vertrouwde om hen erheen te brengen. Hij keek hulpzoekend om naar Grijsstreep, maar de grijze krijger hield zijn kop omlaag en zijn schouders ongelukkig opgetrokken tegen de wind die aan zijn dikke vacht rukte. Van hem viel niet veel te verwachten. Vuurhart richtte zijn blik op naar de SterrenClan en zond een schietgebedje omhoog.
Tot zijn verassing merkte hij dat hij de vormen van het terrein zelfs onder de sneeuw kon herkennen. Daar was de dassenburcht en de rots die Grijsstreep had beklommen om de omgeving beter te kunnen zien. Hij volgde de contouren die hij zich herinnerde van zijn tocht met Grijsstreep tot hij bij de laagte kwam die het WindClankamp markeerde.
Vuurhart bleef op de rand van de diepte staan. ‘Daarbeneden!’ schreeuwde hij. Eén ogenblik viel de wind weg en hoorden zij beneden de geluiden van de strijd: gebrul en gekrijs van kat tegen katgevechten.