Hoofdstuk 3 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
BLAUWSTER LEIDDE hen snel terug naar het kamp. Door het lawaai van hun terugkomst ontwaakten de katten die thuis waren gebleven. Toen de groep door de doorntunnel naar binnen stroomde, doken slaperige gestalten op uit hun holen.
‘Is er nieuws?’ riep Halfstaart.
‘Was de SchaduwClan er?’ vroeg Wilgvacht.
‘Ja, zij waren er,’ antwoordde Blauwster ernstig. Ze liep langs Wilgvacht heen en sprong op de Hogesteen. Dit keer was haar gebruikelijke oproep voor een Clanvergadering niet nodig — de katten verzamelden zich al aan de voet van het rotsblok. Tijgerklauw sprong naast haar.
‘Er heerste vanavond een heel gespannen sfeer tussen de Clans,’ begon Blauwster. ‘En ik werd mij bewust van een mogelijke nieuwe verbintenis tussen Kromster en Nachtpels.’
Grijsstreep drong zich in de smalle ruimte naast Vuurhart. ‘Waar hebben ze het over?’ vroeg hij. ‘Ik dacht dat Nachtpels het eens was met Blauwster?’
‘Nachtpels?’ klonk de krakerige stem van de oude Eenoog achter in de menigte.
‘Hij is benoemd tot de nieuwe leider van de SchaduwClan,’ verklaarde Blauwster.
‘Maar zijn naam… is hij nog niet geaccepteerd door de SterrenClan?’ vroeg Eenoog.
‘Hij is van plan morgenavond de tocht naar de Moedermuil te maken,’ vertelde Tijgerklauw hem.
‘Geen leider kan voor zijn Clan spreken wanneer hij de goedkeuring van de SterrenClan nog niet heeft ontvangen,’ mompelde Eenoog, net luid genoeg dat alle katten het konden horen.
‘Hij heeft de steun van de SchaduwClan, Eenoog,’ antwoordde Blauwster met een knikje naar de oude poes. ‘We kunnen niet negeren wat hij vanavond heeft gezegd.’ Eenoog snoof korzelig en Blauwster hief haar kop op om zich tot de hele Clan te richten. ‘Op de vergadering heb ik voorgesteld om de WindClan te zoeken en ze terug naar huis te halen. Maar Kromster en Nachtpels willen niet dat ze terugkomen.’
‘Maar het is niet erg waarschijnlijk dat zij gaan samenwerken, toch?’ riep Grijsstreep. ‘Ze vlogen elkaar bijna in de haren over de jachtrechten in de rivier.’
Vuurhart wendde zich tot zijn vriend. ‘Zag je niet hoe ze elkaar aankeken tegen het einde van de vergadering? Ze zijn er allebei erg op gebrand het Windterritorium in hun poten te krijgen.’
‘Maar waarom?’ vroeg Zandpoot die naast haar mentor Witstorm zat.
Witstorm antwoordde haar. ‘Ik vermoed dat de SchaduwClan niet zo zwak is als we dachten. En Nachtpels lijkt eerzuchtiger te zijn dan je zou verwachten.’
‘Maar waarom zou de RivierClan op het WindClanterrein willen jagen? Ze hebben zich altijd dik gevreten aan de vis uit hun dierbare rivier!’ gromde Wilgvacht. ‘Het hoogland is een eind weg voor een paar winderige konijnen!’
De vroeger beeldschone moederkat, Spikkelstaart, sprak met een stem die hees klonk van ouderdom. ‘Op de Grote Vergadering hadden een paar van de RivierClanoudsten het erover dat tweebenen een gedeelte van de rivier hebben overgenomen.’
‘Dat is zo,’ zei IJzelvacht. ‘Ze zeggen dat tweebenen in hutten naast de rivier zijn komen wonen en de vis verstoren. De RivierClankatten moesten zich in de struiken verstoppen en met een lege maag toekijken!’
Blauwster keek nadenkend. ‘Voorlopig moeten we oppassen dat we niets doen dat de SchaduwClan en de RivierClan dichter tot elkaar brengt. Ga nu maar slapen. Jaagwind en Schorspoot, jullie nemen de dageraadpatrouille.’ Een koude windvlaag ritselde door de stervende bladeren in de bomen boven hen. Mompelend tegen elkaar begaven de katten zich naar hun nesten.
Voor de tweede nacht achtereen droomde Vuurhart.
Hij stond in de duisternis vlakbij het gebrul en de stank van een donderpad. Vuurhart werd heen en weer geblazen en verblind door de monsters die met schelle ogen op en neer denderden. Plotseling hoorde Vuurhart door het kabaal heen het zielige gillen van een jonge kat. De wanhopige jammerklacht sneed dwars door het denderen van de monsters heen.
Vuurhart werd met een schok wakker. Even dacht hij dat het gegil hem had gewekt. Maar het enige wat hij hoorde was het gedempte gesnurk van de krijgskatten die naast hem sliepen. Gegrom klonk ergens uit het midden van het hol. Het klonk als Tijgerklauw. Vuurhart voelde zich teveel van slag om weer in te slapen dus sloop hij stilletjes het hol uit.
Het was donker buiten en de sterren die aan de hemel fonkelden, vertelden hem dat de dageraad nog ver af was. Met het gillen van de jonge kat nog nagalmend in zijn oren trippelde Vuurhart met gespitste oren naar de kraamkamer. Hij hoorde pootstappen buiten de wand van het kamp en snoof de lucht op. Het waren Donkerstreep en Langstaart maar. Vuurhart rook de geur van de twee katten die het territorium van de DonderClan bewaakten.
De rust van het slapende kamp kalmeerde Vuurhart.
Elke kat zal wel eens nachtmerries hebben over het donderpad, zei hij tegen zichzelf. Hij sloop het hol weer in en draaide zich behaaglijk rond in zijn nest. Grijsstreep snorde even in zijn slaap toen Vuurhart naast hem ging liggen en zijn ogen sloot.
Grijsstreep maakte hem wakker door met zijn neus in zijn zij te porren. ‘Laat me met rust,’ mopperde Vuurhart.
‘Wakker worden!’ siste Grijsstreep.
‘ Waarom? Wij hoeven toch niet op patrouille!’ klaagde Vuurhart.
‘Blauwstaart wil ons spreken in haar hol, nu meteen!’
Versuft krabbelde Vuurhart overeind en volgde Grijspoot het hol uit. De zon kleurde de hemel roze, en rijp lag op de bomen rond het kamp.
De twee katten sprongen de open plek over en kondigden hun komst aan met gedempt gemauw.
‘Kom binnen!’ Het was de stem van Tijgerklauw die antwoordde achter de hangende mosslierten. Schrik golfde door Vuurhart bij de herinnering aan zijn gesprek met Blauwster onderweg naar de Grote Vergadering. Had ze Tijgerklauw verteld over zijn beschuldigingen? Grijsstreep drong zich Blauwsters hol binnen. Weinig op zijn gemak ging Vuurhart achter hem aan.
Blauwster zat op haar nest met opgeheven kop en heldere ogen. Tijgerklauw stond midden op de zandstenen vloer. Vuurhart probeerde de uitdrukking op zijn gezicht te lezen, maar de ogen van de grote kater waren net zo koud en onverzettelijk als altijd.
Blauwster viel met de deur in huis. ‘Vuurhart en Grijsstreep, ik heb een belangrijke opdracht voor jullie.’
‘Een opdracht?’ herhaalde Vuurhart. Opluchting en opwinding vaagden zijn zorgen weg.
‘Ik wil dat jullie de WindClan gaan zoeken en terugbrengen naar hun territorium,’ verklaarde Blauwster.
‘Voor jullie al te opgewonden worden, bedenk wel dat dit heel gevaarlijk kan worden,’ gromde Tijgerklauw. ‘We weten niet waar de WindClan is heengegaan, dus jullie zullen wat er van hun geur is overgebleven moeten volgen in wat waarschijnlijk vijandelijk gebied is.’
‘Maar jullie zijn door het Windterritorium gekomen toen jullie met mij zijn meegegaan naar de Maansteen,’ miauwde Blauwster. ‘Jullie zijn bekend met hun geur, en ook met het tweebeenterritorium voorbij het hoogland.’
‘Gaan wij alleen met zijn tweeën?’ vroeg Vuurhart.
‘Alle andere krijgskatten zijn hier nodig,’ miauwde Tijgerklauw. ‘Bladkaal is op komst en we moeten zoveel mogelijk prooi verzamelen. We hebben vele prooischrale manen voor de boeg.’
Blauwster knikte. ‘Tijgerklauw zal jullie helpen met de voorbereidingen voor de reis.’ Vuurharts poten prikkelden van onrust. Blauwster had nog evenveel vertrouwen in haar commandant als tevoren. Waarom was hij de enige kat in de DonderClan die Tijgerklauw wantrouwde?
‘Jullie moeten zo snel mogelijk vertrekken,’ vervolgde Blauwster. ‘Veel succes.’
‘We zullen ze vinden,’ beloofde Grijsstreep.
Vuurhart dwong zijn gedachten terug naar de reis die voor hen lag, en knikte.
Tijgerklauw volgde hen Blauwsters hol uit. ‘Weten jullie de weg naar het Windterritorium nog?’
‘O ja, Tijgerklauw, we waren daar nog maar een paar…’ Vlug onderbrak Vuurhart het gretige antwoord van Grijsstreep. ‘Nog maar een paar manen geleden,’ miauwde hij en wierp zijn vriend een waarschuwende blik toe. Bijna had Grijsstreep hun tocht met Ravenpoot van een paar dagen geleden verraden.
Tijgerklauw aarzelde. Vuurhart hield zijn adem in. Had hij iets gemerkt van Grijsstreeps verspreking?
‘En herinneren jullie je de WindClangeur nog?’ mauwde de commandant.
In stilte stuurde Vuurhart een bedankje op naar de SterrenClan.
De jonge krijgers knikten, en Vuurhart zag al voor zich hoe hij door de stekelige struiken van het hoogland op zoek ging naar de verdwenen Clan.
‘Jullie zullen kruiden nodig hebben om kracht op te doen en de honger te onderdrukken. Ga die bij Geeltand halen voor jullie vertrek.’ Tijgerklauw hield even op. ‘En vergeet niet dat Nachtpels van plan is vanavond naar de Maansteen te gaan. Zorg dat jullie bij hem uit de buurt blijven.’
‘Ja, Tijgerklauw,’ antwoordde Vuurhart.
‘Hij zal nooit weten dat we daar waren,’ verzekerde Grijsstreep hem.
‘Ik verwacht niet anders,’ miauwde Tijgerklauw. ‘Vooruit, ga maar!’ Zonder verder nog iets te zeggen draaide hij zich om en rende weg.
‘Hij had ons best even succes kunnen wensen,’ klaagde Grijsstreep.
‘Hij denkt vast dat wij dat niet nodig hebben,’ grapte Vuurhart toen ze de open plek overstaken naar Geeltand. Maar intussen dacht hij na. Tijgerklauw leek hen met evenveel respect te behandelen als elke andere krijgskat — kon het zijn dat hij toch niet de verrader was waar Ravenpoot hem voor hield? Het was nog steeds koud ondanks de opkomende zon, maar geen van de katten rilde. Vuurhart merkte dat zijn vacht dikker werd nu de dagen korter werden.
Geeltands hol lag aan het einde van een tunnel onder de varens. Een groot gespleten rotsblok stond in de hoek van een klein beschut grasveldje. Voor Geeltand was het Spikkelblads hol geweest. De herinnering aan de zachtaardige lapjespoes stemde Vuurhart droevig. Spikkelblad was gedood door een krijger van de SchaduwClan. Hij miste haar verschrikkelijk.
‘Geeltand!’ riep Grijsstreep. ‘We komen reiskruiden halen!’
De twee katten hoorden een hese miauw uit een schemerige spleet in het rotsblok en Geeltand wrong zich naar buiten,‘Waar gaan jullie naartoe?’ vroeg ze.
‘We moeten de WindClan gaan zoeken en weer naar huis brengen,’ vertelde Vuurpoot haar. Hij kon de trots in zijn stem niet verbergen.
‘Jullie eerste opdracht als krijgers!’ mauwde Geeltand schor. Gefeliciteerd! Ik zal de kruiden die jullie nodig hebben gaan halen.’ Even later kwam ze terug met een bundeltje gedroogde bladeren in haar mond. ‘Eet maar lekker op!’ snorde ze nadat ze de bladeren op de grond had gelegd.
Vuurhart en Grijsstreep kauwden gehoorzaam op de onsmakelijke bladeren. ‘Jakkes!’ spuugde Grijsstreep. ‘Net zo smerig als de vorige keer.’ Vuurhart knikte met een vertrokken gezicht. Spikkelblad had hen dezelfde kruiden gegeven toen ze met Blauwster naar de Maansteen waren gereisd.
Grijsstreep slikte de laatste hap door en gaf Vuurharts schouder een zetje met zijn neus. ‘Kom mee, slome duikelaar! We moeten gaan!’ Hij sprintte het grasveldje af. ‘Dag!’ riep hij over zijn schouder naar Geeltand.
‘Wacht op mij!’ mauwde Vuurhart en rende achter zijn vriend aan.
‘Dag, jonge katten! Veel succes!’ riep Geeltand hen na.
Terwijl hij door de tunnel draafde, hoorde Vuurhart de varens ritselen in de ochtendwind. Het leek alsof ze fluisterden: ‘Succes! Goede reis!’