Hoofdstuk 4 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
OP WEG naar buiten kwamen de jonge krijgers bijna in botsing met Witstorm die met Zandpoot en Jaagwind het bos inging voor de dageraadpatrouille.
‘Sorry!’ hijgde Vuurhart. Hij bleef staan en Grijsstreep kwam glijdend naast hem tot stilstand.
Witstorm knikte. ‘Ik hoor dat jullie twee worden uitgezonden op een speciale missie,’ miauwde hij.
‘Ja,’ antwoordde Vuurhart.
‘Dan wens ik jullie alle bescherming van de SterrenClan toe,’ mauwde Witstorm ernstig.
‘Waarvoor?’ spotte Zandpoot. ‘Gaan jullie op jacht naar veldmuisjes?’
Jaagwind, een magere cyperse kat, draaide zich om en fluisterde iets in Zandpoots oor. De schampere uitdrukking op haar gezicht veranderde en de minachting in haar groene ogen veranderde in nieuwsgierigheid.
De patrouille ging opzij om Vuurhart en Grijsstreep door te laten. Het tweetal draafde verder en klauterde de helling van het ravijn op.
Op de weg door het woud naar Vierboom zeiden Vuurhart en Grijsstreep niet veel om hun adem te sparen voor de lange tocht. Bovenaan de steile helling aan de overkant van het grasveld tussen de vier eiken bleven ze even staan om uit te hijgen van de klim.
‘Waait het hier nu echt altijd?’ mopperde Grijsstreep. Hij zette zijn dikke vacht op tegen de ijskoude wind die over het hoogland vlaagde.
‘Ik denk dat er gewoon geen bomen zijn die de wind tegenhouden,’ antwoordde Vuurhart. Hij kneep zijn ogen halfdicht. Dit was het territorium van de WindClan. Hij snoof de lucht op en ontdekte een geur die daar volgens al zijn zintuigen niet thuishoorde. ‘Ruik jij ook RivierClankatten?’ murmelde hij weinig op zijn gemak.
Grijsstreep stak zijn neus in de lucht. ‘Nee. Denk jij dat die hier zijn?’
‘Zou kunnen. Misschien willen ze nog gauw even gebruik maken van hun afwezigheid, nu ze weten dat de WindClan binnenkort terugkomt,’ waarschuwde Vuurhart.
‘Op dit moment ruik ik niks,’ fluisterde Grijsstreep.
De twee vrienden liepen behoedzaam over een bevroren spoor dat beschut werd door heidestruiken.
Een verse geur deed Vuurhart op slag stilstaan. ‘Ruik je dit wel?’ siste hij tegen Grijsstreep.
‘Ja,’ fluisterde Grijsstreep en drukte zich tegen de grond. ‘RivierClan!’
Vuurhart liet zich zakken zodat zijn oren niet boven de heide uitstaken. Naast hem hief Grijsstreep zijn donkergrijze kop op om over de struiken heen te turen. ‘Ik zie ze,’ murmelde hij. ‘Ze zijn op jacht.’
Vuurhart rekte zich voorzichtig uit om te kijken.
Vier RivierClankrijgers joegen achter een konijn aan door een bosje stekelige struiken. Vuurpoot herkende Zwartklauw van de Grote Vergadering. De bruinzwarte krijgskat sprong omhoog met ontblote nagels, maar kwam weer overeind zitten zonder dat de jacht iets had opgeleverd. Het konijn moest erin geslaagd zijn net op tijd haar hol te bereiken.
Vuurhart en Grijsstreep doken weer naar beneden en drukten hun buik tegen de bevroren grond.
Het zijn geen beste konijnenjagers,’ siste Grijsstreep smalend.
‘Ik denk dat de RivierClan beter is in het vangen van vis,’ fluisterde Vuurhart terug. Zijn neus bewoog toen hij de geur opving van een doodsbang konijn dat op hen afrende. Met een steek van angst hoorde Vuurhart de pootstappen van de RivierClankatten erachteraan stormen. ‘Ze komen deze kant op! We moeten ons verstoppen!’
‘Kom mee,’ fluisterde Grijsstreep. ‘Ik ruik dassen in die richting.’
‘Dassen?’ echode Vuurhart. ‘Is dat wel veilig?’ Hij had het verhaal gehoord van hoe Halfstaart zijn staart had verloren in een gevecht met een humeurige oude das.
‘Maak je maar geen zorgen. De geur is sterk, maar oud,’ stelde Grijsstreep hem gerust. ‘Er moet hier ergens een oude dassenburcht zijn.’
Vuurhart snoof. Zijn geurklieren vingen een zware, bijna vosachtige reuk op,‘Weet je zeker dat die verlaten is?’
‘Dat zullen we zo weten. Kom mee, we moeten hier weg,’ antwoordde Grijsstreep. Hij rende voorop door de lage struikjes. Aan het geritsel van de hei hoorde Vuurhart dat de krijgers van de RivierClan steeds dichterbij kwamen.
‘Hier!’ Grijsstreep duwde met zijn schouder een pol heide opzij waarachter een zanderig hol in de grond zichtbaar werd. ‘Ga erin! De dassenreuk zal onze geur maskeren. Daar kunnen we wachten tot ze weg zijn.’
Pootstappen klonken op de grond boven hun hoofd. De twee katten hielden hun adem in toen de stappen ophielden en een kat van de RivierClan riep ‘Dassenburcht!’ Aan het krakende stemgeluid herkende Vuurpoot Zwartklauw.
Een andere stem antwoordde: ‘Is hij verlaten? Misschien heeft het konijn zich daarin verstopt.’
Naast hem in het donker voelde Vuurpoot Grijsstreeps haren overeind schieten. Hij ontblootte zijn nagels en staarde naar de ingang van het hol, klaar om te vechten wanneer de krijgskatten binnen zouden komen.
‘Wacht, de geur gaat deze kant op,’ mauwde Zwartklauw. Boven hen klonk gekrabbel van poten toen de RivierClankatten wegspurten.
Grijsstreep blies langzaam zijn adem uit. ‘Denk je dat ze weg zijn?’
‘Misschien moeten we nog even wachten, om er zeker van te zijn dat niemand is achtergebleven,’ stelde Vuurhart voor.
Buiten klonken geen geluiden meer. Grijsstreep gaf Vuurhart een duwtje. ‘Kom mee,’ mauwde hij.
Behoedzaam volgde Vuurhart zijn vriend naar buiten in het daglicht. Er was niets meer te zien van de patrouille van de RivierClan. De frisse bries blies de dassenstank uit Vuurharts geurklieren.
‘We moeten het kamp van de WindClan gaan zoeken,’ mauwde hij tegen Grijsstreep. ‘Dat is de beste plek om hun geurspoor op te pikken.’
‘Oké,’ antwoordde Grijsstreep.
Ze liepen langzaam door de hei met hun mond een beetje open om op tijd te kunnen ruiken of er nog meer RivierClankrijgers rondliepen. Ze bleven staan bij een grote platte rots die steil omhoog liep boven de toppen van de stekelige struiken uit.
‘Ik zal er wel op klimmen om een kijkje te nemen,’ bood Grijsstreep aan. ‘Mijn vacht steekt minder af tegen de rots.’
‘Goed,’ miauwde Vuurhart. ‘Maar houd je kop in.’
Hij zag zijn vriend de rots op sluipen. Bovenaan bleef Grijsstreep ineengedoken zitten en tuurde rond over het plateau, daarna liet hij zich weer omlaag glijden naar Vuurhart. ‘Ik geloof dat er een holte is,’ pufte Grijsstreep wijzend met zijn staart. ‘Ik zie daar een laagte in de hei.’
‘Laten we gaan kijken,’ miauwde Vuurhart. ‘Dat zou best eens het kamp kunnen zijn.’
‘Dat dacht ik ook,’ knikte Grijsstreep. ‘Het is waarschijnlijk de enige plek daarboven die beschutting biedt tegen de wind.’
Toen ze de holte naderden rende Vuurhart langs Grijsstreep heen en tuurde over de rand. Het leek alsof een krijger van de SterrenClan zijn poot uit de hemel omlaag had gestoken, een pootvol veen uit het plateau had geschept en vervangen had door dicht stekelig struikgewas dat aan weerszijden bijna tot aan de rand van de holte reikte.
Vuurhart snoof. Hij rook vele geuren, allemaal WindClangeuren, jong en oud, mannetjes en vrouwtjes, met op de achtergrond een zwakke lucht van verse prooi dat sinds lang kraaienvoer was geworden. Dit moest het verlaten kamp zijn.
Vuurpoot sprong de helling af naar beneden en drong door de struiken heen. De stekels haakten in zijn vacht en schramden zo gemeen over zijn neus dat de tranen in zijn ogen sprongen. Hij hoorde Grijsstreep naast zich schelden op de doorns die in zijn oren prikten. Ze bereikten een beschutte open plek. De zanderige bodem was aangestampt door vele generaties poten. Aan een kant van de open plek stond een rotsblok, dat gladgeslepen was in talloze winderige manen.
‘Dit is inderdaad hun kamp,’ murmelde Vuurhart.
‘Ik begrijp niet hoe Brokkelster de WindClan uit zo’n goedbeschermd kamp kon verjagen!’ mauwde Grijsstreep met een poot wrijvend over zijn pijnlijke neus.
‘Zo te zien hebben ze zich uit alle macht verdedigd,’ wierp Vuurpoot tegen. Hij besefte met een schok hoe vreselijk het kamp eruit zag. De grond lag bezaaid met plukken vacht en overal zag hij opgedroogde bloedvlekken.
Mosnesten waren uit de holen getrokken en vernield. In het hele kamp vermengden oude SchaduwClangeuren zich met de lucht van doodsbange WindClankatten.
Vuurhart huiverde. ‘Laten we proberen het geurspoor hiervandaan te vinden,’ miauwde hij. Hij snoof de lucht diep in en volgde de sterkste geur. Grijsstreep trippelde achter hem aan door een smalle opening in de doornstruiken.
‘WindClankatten moeten nog kleiner zijn dan ik me herinner,’ mopperde Grijsstreep terwijl hij zich achter Vuurhart aan door de opening wrong.
Vuurhart keek even geamuseerd naar zijn vriend. De geur was hier heel duidelijk — zeker WindClan, maar vermengd en sterk, als van vele angstige katten. Toen keek hij naar de grond die vol opgedroogde bloedspetters zat. ‘We gaan deze kant op,’ mauwde hij somber. Twee manen regen en wind waren er niet in geslaagd de tekenen van het onheil weg te wassen. Vuurhart kreeg een helder beeld van de verslagen en gewonde Clankatten die hun thuis ontvluchtten. Briesend van woede sprong hij achter zijn vriend aan.
Het spoor leidde hen naar de rand van het hoogland waar ze stil bleven staan om op adem te komen. Voor hen liep een helling omlaag naar boerenland van de tweebenen. In de verte, waar de zon begon onder te gaan, torenden de toppen van de Hoogstenen.
‘Zou Nachtpels daar al zijn?’ murmelde Vuurhart.
Aan het einde van een tunnel onder de Hoogstenen lag de heilige Maansteen, waar de leider van elke Clan samen droomde met de SterrenClan.
‘We willen hem in elk geval hier niet tegen het lijf lopen.’ Grijsstreep zwaaide met zijn staart naar het weidse tweebeengebied. ‘Het zal al moeilijk genoeg zijn om tweebenen, ratten en honden te ontwijken, zonder ook nog eens de nieuwe leider van de SchaduwClan tegen te komen!’
Vuurhart knikte. Hij dacht aan hun laatste tocht door dit gebied met Blauwster en Tijgerklauw. Ze waren toen bijna gedood door een bende ratten en alleen de komst van Rogge, de eenling, had hen kunnen redden. Maar toch had Blauwster daarbij een van haar levens verloren. De herinnering daaraan stak Vuurhart als een bosmier.
Grijsstreep draaide zijn brede kop naar Vuurhart. ‘Denk je dat we daar een spoor van Ravenpoot zullen vinden?’ miauwde hij.
‘Ik hoop het,’ antwoordde Vuurhart plechtig. Het laatste wat hij van Ravenpoot had gezien was het witte puntje van zijn staart dat in het onweer op de hoogvlakte was verdwenen. Had de leerling van de DonderClan Rogge’s terrein veilig weten te bereiken?
De twee krijgskatten begonnen aan de afdaling waarbij ze elke pol gras zorgvuldig besnuffelden om zeker te weten dat ze op het spoor van de WindClan bleven.
‘Zo te zien gingen ze niet naar de Hoogstenen,’ merkte Grijsstreep op. Het spoor leidde zijwaarts naar een groot weiland. Ze bleven langs de rand dichtbij de heg, net als de WindClan had gedaan. De geur leidde hen het weiland uit naar een tweebeenpad dat door een kleine groep bomen voerde.
‘Kijk!’ miauwde Grijsstreep. Hoopjes zongebleekte prooibotjes lagen verspreid in het struikgewas. Mos was bijeengeschraapt tot nesten onder de dichtste braamstruiken.
‘De WindClan moet een poging hebben gedaan zich hier te vestigen,’ mauwde Vuurhart verrast.
Wat zou hen van hier verjaagd hebben?’ vroeg Grijsstreep snuffelend. ‘De geur is al oud.’
Vuurhart haalde zijn schouders op en de twee katten volgden het spoor in de richting van een dikke heg. Ze wrongen zich er met moeite doorheen naar een grasberm. Aan de andere kant van een smalle greppel lag een breed spoor in de aarde.
Grijsstreep sprong behendig over de greppel op het harde rode spoor. Vuurhart keek rond en verstijfde toen hij in de verte een donker silhouet herkende. ‘Grijsstreep! Stop!’ siste hij.
‘Wat is er?’
Vuurhart wees met zijn neus. ‘Kijk naar die tweebeenplaats daar! We moeten in de buurt van Rogge’s territorium zijn.’
Grijsstreeps oren trokken zenuwachtig. ‘Dat is waar die honden wonen! Maar de WindClan is heel zeker hierlangs gekomen. We kunnen maar beter opschieten. We moeten voor zonsondergang langs dat tweebeennest zien te komen.’
Vuurhart herinnerde zich dat Rogge hen had verteld dat de tweebenen de honden ’s nachts loslieten, en de zon daalde al naar de steile toppen van de Hoogstenen. Hij knikte. ‘Misschien hebben de honden de WindClan uit het bosje verjaagd.’ Met een steek van angst dacht hij aan Ravenpoot. ‘Denk je dat hij Rogge heeft gevonden?’ vroeg hij.
‘Wie? Ravenpoot? Waarom niet? Wij zijn toch ook tot hier gekomen!’ mauwde Grijsstreep. ‘Onderschat hem niet. Weet je nog die keer dat Tijgerklauw hem naar de slangenrotsen stuurde? Toen kwam hij terug met een adder!’
Vuurhart snorde bij die herinnering terwijl Grijsstreep over het spoor sprong en door de heg aan de andere kant heen drong. Vuurhart rende achter hem aan. Hij versnelde om de lengte van zijn sprongen aan die van zijn vriend aan te passen.
Een hond blafte woest in de buurt van het tweebeennest, maar zijn valse gegrauw stierf algauw weg in de verte. Bij het ondergaan van de zon daalde de temperatuur en rijp vormde zich op het gras.
‘Moeten we wel doorgaan?’ vroeg Grijsstreep. ‘Wat doen we als het spoor toch naar de Hoogstenen leidt? Nachtpels zal daar nu zeker aangekomen zijn.’
Vuurhart hief zijn snuit op en snoof aan de bruinwordende bladeren van een paar varens. De reuk van de WindClan, zuur van angst, kwam in zijn neus. ‘We kunnen beter doorgaan,’ miauwde hij. ‘We stoppen pas als het echt niet anders kan.’
De koude wind woei een andere lucht naar Vuurharts neus — er was een donderpad in de buurt. Grijsstreep trok een vies gezicht. Hij had het ook geroken. De krijgskatten keken elkaar even bezorgd aan, maar draafden door. De stank werd al sterker en sterker tot ze het gebrul van de monsters in de verte konden horen. Tegen de tijd dat ze de heg bereikten die langs het brede grijze pad liep, was het moeilijk om nog iets van het WindClanspoor te ruiken.
Grijsstreep bleef staan en keek om met een onzekere blik in zijn ogen. Maar Vuurhart kon nog net een glimpje angstgeur ruiken. Hij sloop door de schaduwen naast de heg tot hij een plek vond waar de heg minder dik was. ‘Hier hebben ze geschuild,’ mauwde Vuurhart en stelde zich voor hoe de doodsbenauwde WindClankatten door de heg naar het Donderpad hadden gestaard.
‘Dat was waarschijnlijk de eerste keer dat de meeste van hen het donderpad zagen,’ merkte Grijsstreep op toen hij zich bij Vuurhart naast de heg voegde.
Vuurhart keek zijn vriend verrast aan. Hij had nog nooit een WindClankat ontmoet — ze waren bijna in dezelfde tijd dat hij leerling was geworden, uit hun territorium verdreven. ‘Patrouilleerden zij dan niet langs hun grenzen?’ vroeg hij verwonderd.
‘Je hebt hun territorium toch gezien — het is er behoorlijk woest en kaal en de prooi is daar niet gemakkelijk te vangen. Ik denk dat ze nooit hadden gedacht dat een andere Clan de moeite zou nemen daar te gaan jagen. Per slot van rekening heeft de RivierClan de rivier, en in goede jaren zitten onze bossen vol prooi, zodat niemand hun magere konijnen nodig heeft.’
Een monster denderde met brandende nachtogen voorbij aan de andere kant van de heg. Vuurhart en Grijsstreep deinsden terug toen de windvlaag hun vacht opwoei dwars door de muur van bladeren heen. Toen het geluid was weggestorven, kwamen ze behoedzaam overeind en snuffelden bij de wortels van de heg.
‘Het spoor lijkt hieronderdoor te lopen.’ Vuurhart drong door de heg naar de grasberm langs het donderpad. Grijsstreep krabbelde achter hem aan.
Maar aan de andere kant van de heg hield het geurspoor abrupt op.
‘Ze moeten óf op hun schreden zijn teruggekeerd, óf hier het donderpad zijn overgestoken,’ miauwde Vuurhart. ‘Kijk jij hier rond, dan zal ik aan de overkant gaan kijken.’ Hij deed zijn best zijn stem kalm te laten klinken, maar uitputting maakte hem wanhopig. Ze konden toch zeker het spoor niet kwijtraken nu ze al zover gekomen waren?