Hoofdstuk 5 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
VUURHART WACHTTE tot het enige wat hij hoorde het gonzen van het bloed in zijn oren was. Toen ging hij naar de rand van het donderpad. Het strekte zich breed en stinkend, maar stil voor hem uit. Vuurhart rende eroverheen. De grond onder zijn poten voelde koud en glad.
Hij stopte pas toen hij het gras aan de andere kant had bereikt.
De lucht was hier bezoedeld door de scherpe stank van het donderpad en zijn monsters, dus ging Vuurhart naar de heg. Nog steeds geen spoor van de WindClankatten. Het was erg ontmoedigend.
Een monster denderde zo plotseling voorbij dat Vuurhart een luchtsprong maakte van schrik. Hij schoot onder de heg. Daar bleef hij bevend ineengedoken zitten en vroeg zich in paniek af wat hij nu moest doen.
Toen rook hij het: een miniem geurspoortje dat aan kwam drijven op de windvlaag die het monster had veroorzaakt. De WindClan was hier geweest!
Vuurhart riep Grijsstreep zo hard als hij maar kon.
Er was even een pauze, toen klonk het geluid van poten die over het donderpad roffelden naar hem toe.
‘Heb je het spoor gevonden?’ hijgde zijn vriend.
‘Ik weet het niet zeker. Ik ving iets op, maar ik kan de plaats niet precies bepalen.’ Vuurhart wrong zich door de heg heen, met Grijsstreep vlak achter zich aan. Hij hief zijn neus op naar het open veld voor hen. Heb jij enig idee wat daar is?’
‘Nee,’ antwoordde Grijsstreep. ‘Ik denk niet dat er één Clankat is die ooit zo ver gekomen is.’
‘Behalve de WindClan dan,’ murmelde Vuurhart duister. Op enige afstand van de verwarrende dampen van het donderpad, werd het spoor ineens duidelijk. De WindClan was hier zeker langsgekomen. De twee katten liepen het hoge gras in, recht door het veld.
‘Vuurhart!’ Grijsstreep klonk gealarmeerd.
‘Wat is er?’
‘Kijk daar!’
Vuurhart bleef staan en lichtte zijn kop op. Voor zich zag hij het donderpad met een boog de lucht ingaan op massieve stenen poten, verlicht door de ogen van de monsters die erover heen bewogen. Daaronder was nog een ander donderpad dat afboog de duisternis in.
Grijsstreep knikte naar een hoge distel. ‘En ruik hier eens.’
Vuurhart inhaleerde de geur. Het was een verse WindClanmarkering!
‘Ze moeten zich hier ergens in de buurt gevestigd hebben,’ murmelde Grijsstreep ongelovig.
Vuurhart voelde een steek van opwinding in zijn maag. De twee katten keken elkaar een ogenblik zwijgend aan, daarna liepen ze zonder iets te zeggen in de richting van de stinkende donderpaden.
Ten slotte was het Grijsstreep die sprak: ‘Waarom zou de WindClan naar een plek als deze gaan?’
‘Ik denk dat zelfs Brokkelster ze hier niet zou achtervolgen,’ antwoordde Vuurhart grimmig. Hij stond stil. Een gedachte bleef zich opdringen.
Grijsstreep bleef naast hem staan. ‘Wat is er?’
‘Als de WindClan zich zo dicht bij de donderpaden verschuilt,’ miauwde Vuurhart langzaam, ‘dan moeten ze er wel erg op gebrand zijn niet gevonden te worden. Ze zullen waarschijnlijk meer geneigd zijn ons te vertrouwen als we bij daglicht naar ze toegaan, dan als we in het donker aan komen sluipen.’
‘Bedoel je dat we kunnen gaan uitrusten?’ vroeg Grijsstreep en liet zich zwaar op de grond neerzakken.
‘Alleen tot het licht wordt,’ miauwde Vuurhart. ‘We moeten een plekje opzoeken waar we ons kunnen verbergen en dan proberen wat te slapen. Heb jij honger?’ Grijsstreep schudde van nee. ‘Ik ook niet,’ beaamde Vuurhart. ‘Ik weet niet of het door de kruiden komt of door die misselijkmakende walm van het donderpad.’
‘Waar zullen we gaan slapen?’ Grijsstreep keek om zich heen.
Vuurhart had al een donkere schaduw gezien op de grond verderop. ‘Wat is dat?’
‘Een hol?’ Grijsstreep klonk onzeker. ‘Het is te groot voor een konijn. Er zal hier toch zeker geen dassenburcht zijn!’
‘Laten we gaan kijken,’ stelde Vuurhart voor.
Het hol was groter dan dat van een das, glad en bekleed met steen. Vuurhart snoof, zette toen zijn voorpoten op de rand en tuurde behoedzaam naar binnen. Een stenen tunnel liep met een welving de grond in. ‘Ik voel dat er lucht doorheen stroomt,’ miauwde hij; zijn stem echode weg in de duisternis. ‘Hij moet daar ergens boven komen.’ Hij trok zijn kop terug en wees met zijn neus naar de kluwen van donderpaden.
‘Is hij leeg?’ vroeg Grijsstreep.
‘Zo te ruiken wel.’
‘Kom mee dan.’ Grijsstreep ging voorop de tunnel in.
Na een paar vossenlengtes ging hij niet verder omlaag.
Vuurhart bleef staan en snoof de vochtige lucht op.
Het enige wat hij kon ruiken waren de dampen van het donderpad. Er klonk gebrul boven zijn hoofd. Vuurharts poten sidderden toen de stenen bodem begon te trillen.
Was het donderpad boven hen? Hij zette zijn vacht op tegen de genadeloze tocht en voelde Grijsstreeps vacht langs de zijne strijken — zijn vriend was al aan het ronddraaien om zich te installeren voor de nacht. Vuurhart hurkte neer en kroop tegen zijn vriend aan. Hij sloot zijn brandende ogen en dacht aan de zachte boswind en het ritselen van de bladeren. Kort streed hij tegen het schrijnende verlangen thuis te zijn in zijn eigen nest, voor hij toegaf aan het zwart dat zijn hoofd binnenglipte.
Toen Vuurhart zijn ogen weer opende, gloeide grijzig licht aan het eind van de tunnel. Het moest bijna dag zijn. Vuurharts botten deden pijn van de koude harde grond.
Hij gaf Grijsstreep een zetje, die gromde: ‘Is het al ochtend?
‘Bijna,’ antwoordde Vuurhart en stond op. Grijsstreep rekte zich uit en stond ook op.
‘Ik denk dat we die kant op moeten gaan, miauwde Vuurhart. Hij draaide zijn nek van het licht af. Ik denk dat deze tunnel precies onder een donderpad doorloopt. Dat brengt ons misschien dichter bij de… Zijn stem stierf weg; hij had geen woorden om de kluwen van donderpaden die ze gisteren hadden gezien, te beschrijven. Achter hem knikte Grijsstreep en samen trippelden ze zwijgend het duister in.
Het duurde niet lang voor Vuurhart verderop licht zag. Ze versnelden hun pas tot ze een korte steile helling op draafden die hen een wereld van grijzig ochtendlicht binnenvoerde.
Ze kwamen aan op de rand van een veldje van kaal, smerig gras, dat aan twee kanten werd ingesloten door donderpaden en waarboven een andere omhoog de lucht in welfde. Een vuur brandde in het midden van het gras. Er lagen een paar tweebenen omheen. Een van hen rekte zich uit en rolde om en een andere gromde nijdig in zijn slaap, maar het kabaal en de stank van de donderpaden leken hen niet wakker te maken.
Vuurhart bekeek hen argwanend, en verstijfde toen iets anders zijn aandacht trok: donkere silhouetten die voor de vlammen langs heen en weer flitsten. Katten! Zou het de WindClan zijn? Vuurhart keek naar het vuur en de katten en ineens schoot de herinnering aan zijn droom hem te binnen — het lawaai van het donderpad, het beeld van de vlammen en de katten en Spikkelblads stem die murmelde: ‘Vuur zal de Clan redden.’
Vuurharts knieën knikten van emotie. Betekende dit dat het lot van de DonderClan verbonden was met het lot van de WindClan?
‘Vuurhart? Vuurhart!’
Grijsstreeps stem riep Vuurhart terug naar de werkelijkheid. Hij haalde diep adem om te kalmeren.
‘We moeten Langster gaan zoeken en met hem spreken,’ miauwde hij.
‘Denk je dan dat het de WindClan is?’ vroeg Grijsstreep.
‘Je hebt hun markering toch geroken, wie kunnen het anders zijn?’ antwoordde Vuurhart.
Grijsstreep keek hem stralend aan. ‘We hebben ze gevonden!’ riep hij zegevierend.
Vuurhart knikte. Hij zei maar niet dat het vinden van de WindClan maar de helft van hun opdracht was. Ze moesten hen er ook nog van overtuigen dat het veilig was om terug te keren.
Grijsstreep haalde diep adem, klaar om eropaf te springen. ‘Vooruit, kom mee!’
‘Wacht eens even,’ waarschuwde Vuurhart. ‘We mogen ze niet aan het schrikken maken.’
Net op dat moment schoot een van de tweebenen overeind en begon te schreeuwen tegen de haveloze katten rondom het vuur. De andere tweebenen werden ook wakker van het kabaal en begonnen ook te schelden met harde, boze stemmen.
De WindClankatten schoten weg. Vuurhart en Grijsstreep verloren alle voorzichtigheid uit het oog en stormden achter hen aan. Vuurpoot voelde zijn vacht prikken van angst toen hij en Grijsstreep recht op het vuur en de tweebenen afrenden. Al zijn instincten waarschuwden hem bij hen uit de buurt te blijven, maar hij durfde de vluchtende WindClankatten niet uit het oog te verliezen.
Een van de tweebenen stond wankelend op en torende hoog boven hen uit. Vuurhart gleed uit en deed een wolk stof opstuiven. Iets explodeerde naast hem en besproeide hem met harde splinters, maar niets drong door zijn dikke vacht heen. Hij keek om naar Grijsstreep. Tot zijn opluchting zag hij zijn vriend vlak achter zich met wijdopen ogen van schrik en een dik opgezette vacht.
Ze stoven weg naar de veilige schaduw van het hoog oprijzende donderpad. Voor zich zag Vuurhart de WindClankatten stoppen bij een van de grote stenen potten.
En daarna verdwenen de katten een voor een in de grond.
‘Waar zijn ze gebleven?’ miauwde Grijsstreep verbaasd.
‘Een andere tunnel in?’ giste Vuurhart. ‘Kom mee. Laten we gaan kijken.’
Behoedzaam naderden de twee vrienden de plaats waar de WindClankatten waren verdwenen. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze een gat in de grond. Net als hun onderkomen van die nacht was de ingang rond, bekleed met steen en liep steil naar beneden een inktzwarte duisternis in.
Vuurhart ging voorop, al zijn zintuigen gespitst op een mogelijke patrouille van de WindClan. De grond onder zijn poten was nat en slijmerig, en om hen heen echode het geluid van druppelend water. Toen de tunnel minder helde, spitste Vuurhart zijn oren en opende zijn mond.
De vochtige lucht rook ranzig en bitter — nog erger dan de tunnel waarin ze geslapen hadden. Hier vermengde de donderpadwalm zich met de angstgeur van de WindClankatten.
Het was te donker om iets te kunnen zien, maar na een paar stappen voelden Vuurharts snorharen een bocht in de tunnel. Vuurhart zwaaide met zijn staart en raakte Grijsstreep zachtjes aan met de punt. In het donker kon hij zijn vriend niet zien, maar Grijsstreep moest zijn seintje hebben begrepen want hij bleef naast Vuurhart staan, en samen keken ze om de hoek.
Voor hen werd de tunnel verlicht door een klein gaatje in de bovenkant, dat uitkwam in het braakliggende terrein erboven. In het grijze licht zag Vuurhart een groot aantal katten bijeenzitten — krijgers en oudsten, moederkatten en jongen, allemaal broodmager. Een koude bries woei onophoudelijk door het gat boven en blies door de dunne vacht van hun uitgemergelde lijven. Vuurhart rilde, want de tocht bracht hem de stank van ziekte en kraaienvoer.
Plotseling schudde de tunnel toen een monster boven hun hoofd voorbij raasde. Tot het uiterste gespannen sprongen Grijsstreep en Vuurhart op, maar de WindClankatten reageerden niet. Ze bleven gewoon met halfgesloten ogen dicht bijeen gekropen zitten, doof en blind voor hun omgeving.
Het kabaal stierf weg. Vuurhart haalde diep adem en stapte de hoek om in het schemerige licht.
Een grijze WindClankater draaide zich op slag om. Al zijn haren schoten overeind en met een rauwe kreet alarmeerde hij de rest van de Clan. In een geoliede manoeuvre vormden de WindClankrijgers met hoog opgezette rug en woest geblaas verdedigingslinie in de tunnel voor de moederkatten en de oudsten.
Vol afschuw zag Vuurhart ontblote nagels en doornscherpe tanden blikkeren. Deze halfverhongerde katten stonden op het punt hen aan te vallen.