Hoofdstuk 11 - Hoogtij
By Jackie van Laren
We krijgen allemaal een grote kop erwtensoep, met roggebrood en spek. Mayke meldt er grinnikend bij dat het een geluk bij een ongeluk is: ze had nogal veel erwtensoep gemaakt en ingevroren, afgelopen maart nog, omdat het zo koud bleef, en eigenlijk was ze ervan uitgegaan dat ze de laatste resten wel weg zou moeten gooien. Maar het is nu nog goed, en het is natuurlijk perfect eten met buiten zo’n koude, natte rotstorm die om de Vis huilt.
Greetje komt met haar soep bij mij in de loungehoek van de serre zitten, en terwijl we eten, staren we een beetje mismoedig naar de voortjagende flarden laaghangende, grauwe wolken. Grijs op grijs, tot het bijna zwart-groen lijkt. De golven hebben grote schuimkoppen en de vloed begint rap op te komen; zo rap als zelfs ik nog niet eerder heb gezien.
De mannen staan om de tafel met Axels radio-ontvanger, luisterend naar de frequentie van het schip dat in nood is. Het communiceert met de helikopter van de kustwacht; de flarden die Greetje en mij bereiken klinken alsof ze overwegen om de bemanning aan boord van de helikopter te hijsen en zo aan land te brengen. Het gaat blijkbaar om zes bemanningsleden.
‘Past dat wel in zo’n heli?’ vraagt Greetje een beetje angstig.
Cam, die juist binnen gehoorsafstand staat met een rol ducttape in zijn hand, omdat hij het zeil over het gat in de serre wil verstevigen, zegt over zijn schouder: ‘Zo’n search-and-rescue-heli, dat is meestal een Dauphin, met de staartrotor in zo’n gat. Daar kan zo een man of tien in, hoor. Als het niet meer is. Hangt ook een beetje af van hoeveel brandstof hij nog heeft en hoe ver hij ermee moet vliegen. Hij zal heel wat verbruiken met boven zo’n schip hangen en mensen eraf takelen.’
‘Hoe weet jij dat allemaal?’ Ik kijk hem verbaasd aan.
‘Mijn vader heeft zijn helikopterbrevet. Hij heeft er interesse in; heeft er zelf ook een. Een kleintje maar, hoor; max vier personen, inclusief piloot. Hij is druk geweest met de overname van een helikopteronderdelenfabriek; we hebben er de afgelopen tijd wat vaker over gepraat.’
O ja. Cams ouders zijn absurd rijk; zijn vader is zo’n internationale zakentycoon die overal meerdere vingers in de pap heeft. Je zou dat gemakkelijk vergeten, als je hem zo ziet; hij heeft tegenwoordig zoiets vrijgevochtens. Maar als hij er dan zo achteloos over praat, weet je het meteen weer: iets maakt dat hij een soort klasse apart is.
Heel gek is dat: je hebt van die gewone jongens, die heel knap kunnen zijn of juist niet, maar het zijn en blijven gewone jongens. Zoals mijn broer. Goed gelukt exemplaar, op zich, maar wel een gewone jongen. En je hebt van die buitencategorie jongens. Het hoeft niet eens te betekenen dat ze buitengewoon knap zijn (Cam is eigenlijk echt helemaal mijn type niet, hoewel ik wel geloof dat hij op zijn eigen manier knap is), maar ze zijn zo speciaal dat je niet eens ziet of ze knap zijn of niet. Het is alsof ze daaraan voorbijgaan.
Cam heeft dat, honderd procent zeker. Maar Axel op zijn manier ook, en Vincent misschien ook wel. Martin is volgens mij nog de meest gewone jongen, hoewel die dan naar mijn smaak juist wel weer hartstikke knap is.
En Sjaak...
Ik kijk tersluiks naar het tafeltje waar hij helemaal alleen zit, nog steeds met zijn viool, en nu ook een kop soep. Hij eet en staart in het niets. Zijn gezicht... Ik denk eigenlijk dat hij de buitencategorie van de buitencategorie is. Hij heeft iets... goh, ik weet het gewoon niet, maar ik zou het liefst de hele tijd naar hem kijken.
‘Vind je hem heel leuk?’ hoor ik naast me.
Shit, o, shit; Greetje. Ben ik zo doorzichtig? Ik doe echt iets verkeerd.
‘Hmm, ja, een beetje,’ lieg ik zo goed als ik kan, ‘hij heeft wel iets interessants.’
‘Hij lijkt helemaal geen interesse te hebben in, nou, je weet wel, meisjes en zo; hij zit hier volgens mij al twee weken, maar het enige wat hij doet is af en toe wat drinken met je broer. Hij praat verder met niemand, behalve met de mensen van hier, van Grote Vis, maar die hebben natuurlijk ook hun eigen beslommeringen, die gaan ook niet elke avond feesten.’
‘Het is ook nog vroeg in het seizoen, hè?’ mompel ik maar een beetje, starend in mijn soepkom. Ik staar naar een spekje; dat is duizend keer beter dan nog een keer betrapt worden op staren naar Sjaak.
‘Er zijn wel al allemaal van die surflui, hoor. Die hangen de hele tijd op het strand, god weet waar ze logeren. Ik weet dat er een stelletje op de camping zitten, maar ik heb ook het idee dat ze af en toe op het strand slapen. Wist je dat Robbie er vorige week een stel van het eiland af heeft gegooid? Hadden ingebroken in de watertoren; ze hadden er een heel huisje in ingericht. Zeiden ze dat ze het gekraakt hadden!’
‘Brutaal zeg. Robbie, dat is toch die politieagent? Ik ben zo lang weg geweest dat ik alleen nog maar over hem heb gehoord.’
‘Aardige vent, hoor. Maar hij kan echt enorm streng zijn als hij dat nodig vindt. En bang is hij ook niet. Je broer en Martin hebben hem geholpen om die vage lui op de boot te krijgen, het was een heel gedoe. Van die ongewassen ecohippies waren het, met dreadlocks en gebatikte fladderkleren en alles.’
Ik moet nu toch wel een beetje lachen. ‘Volgens mij is het als je surfer bent soort van onmogelijk om ongewassen te zijn; je ligt toch de hele dag in de zee te weken?’
Greetje grinnikt nu ook. ‘Ja, maar dat kan je toch niet echt wassen noemen? Al dat zout, en dat zand; moet je je voorstellen wat dat met dreadlocks doet!’
‘Ouwe zwabber,’ zeg ik, en nu liggen we echt in een deuk.
‘Je bent zelf een ouwe zwabber,’ hikt Greetje.
‘Nietes,’ giechel ik terug.
Ineens klinkt vanuit Sjaaks hoek een zacht, treurig melodietje. De mannen rondom de radio horen het volgens mij niet eens, hoewel ze, bijna als vanzelf, wel wat minder hard praten. Het wijsje heeft zoiets eenzaams, zoiets onvervulds, dat het me bij de keel grijpt en de tranen me bijna in de ogen staan als de laatste noot wegsterft. Het kost me de grootst mogelijke moeite om niet naar hem te kijken.
‘Jee,’ mompel ik tegen Greetje, ‘hij is wel heel goed, zeg.’
* * *
Een half uur later blijkt dat het moment waarop we allemaal op ons gemak een kop soep aten, een soort stilte voor de storm was. Wat eigenlijk een beetje onzinnig klinkt, want de storm raasde buiten natuurlijk vrolijk door, maar het was voor ons in ieder geval even rustig.
Ineens heeft Vinnie Siets aan de lijn, terwijl er tegelijkertijd op Axels geïmproviseerde radio een druk gepraat losbarst. Alle opvarenden zijn van het in nood verkerende containerschip gehaald, met behulp van de helikopter, en twee mensen lijken ernstig gewond. Eén bemanningslid hangt nog aan de lier als het schip ineens gevaarlijk slagzij maakt en de containers beginnen te schuiven; nog geen minuut later komt het bericht van de helikopterradio dat het laatste bemanningslid binnenboord is en het hele schip is gekapseisd. De containers zijn meteen als uitgestrooide confetti over de zee verspreid; de golfslag is zo onregelmatig en hoog en de stroming zo sterk, dat het op dit moment niet te voorspellen is waar de containers naartoe gaan.
‘Drijven die dingen dan?’ Sjaak kijkt bedenkelijk.
Sjaak, Greetje en ik hebben ons aangesloten bij de groep rondom de radio; Mayke en Wende hebben eerst de lege soepkoppen opgehaald, maar zijn er nu ook weer bij.
‘Soms,’ zegt Tjerk. ‘Hangt er een beetje vanaf wat erin zit, hoeveel lucht er nog bij zit, hoe luchtdicht ze zijn.’
Ik slik en bijt even op mijn onderlip. Misschien moet ik het maar gewoon nu meteen doen, dan ben ik ervan af. Voorzichtig manoeuvreer ik mezelf zo dat ik naast Tjerk terechtkom.
‘Hoi,’ zeg ik zachtjes tegen hem.
‘Hoi,’ zegt hij terug, ‘jij bent toch de jongste van Olivier?’
Ik knik. ‘Nynke. Maar vroeger wilde ik dat iedereen me Yvonne noemde.’
Hij knikt ook. ‘Zat je niet in Leeuwarden, bij Menno’s oudste zus?’
‘Inderdaad.’ Ik glimlach een beetje wrang. ‘Wegens wangedrag, zal ik maar zeggen.’
‘Je hebt het goed doorstaan,’ zegt Tjerk met een knipoog. ‘Ik herinner me die dame nog wel; ik was als kind ook niet de makkelijkste, en als ze me dan te pakken kreeg kon ze zo aan mijn oor trekken, nou, dan ging ik door de grond. Toen was ze nog een jonge meid, want ze is, wat, vijftien jaar ouder dan ik? Ze was nog erger dan de schooljuffrouw die we toen hadden, en die was echt vreselijk streng. Hielp natuurlijk allemaal niks, bij mij werd het pas wat toen ik bij de commando’s kwam. Discipline, oefeningen, orde, rust, reinheid, regelmaat...’ Hij zegt het met iets van weemoed in zijn stem.
Ik moet er wel een beetje om glimlachen, zij het voorzichtig; ik vind het best moeilijk om me Tjerk voor te stellen als jongetje, en al helemaal als de schrik van het eiland.
‘Ik... wil me graag verontschuldigen voor die keer dat we in de reddingsboot hebben gezeten, onder het dekzeil, en dat we zo’n rommel hebben gemaakt,’ zeg ik maar gauw, nu ik nog durf.
Tjerk knikt. ‘Ik dacht wel dat jij daarbij zat. Wie waren het nog meer?’
Ik noem Leon en nog een paar namen, en kijk naar mijn tenen.
‘Hebben jullie nog meer gedaan dan cola drinken, chips eten en een joint roken?’ Tjerk klinkt ineens precies zo streng als waar ik al bang voor was.
Ik kijk hem geschrokken aan. ‘Nee, nee echt niet! Er was toch niets kapot? Leon had een EHBO-doos opengemaakt, maar niemand had aan de motor gezeten, of aan iets anders wat stuk zou kunnen gaan,’ zeg ik maar snel.
‘Ik heb het niet over de motor. Ik heb het over één meisje met drie jongens, drugs; er had wel van alles kunnen gebeuren,’ bromt Tjerk. ‘Ook dingen waar je niet zo vrolijk van zou zijn geworden. Ik hoop maar dat je nu niet meer zo’n roekeloos kind bent, Nynke, dat je wat beter op jezelf past. Je bent een mooie, slimme meid, dus gebruik die hersens van je ook wel een beetje, hè?’
Ik krijg een soort klap op mijn schouder; ik voel dat het op ongeveer de halve kracht is van hoe hij bijvoorbeeld Axel een klap op zijn schouder zou geven.
‘Dus... je vindt het niet erg dat we dat toen hebben gedaan?’
Hij haalt zijn schouders op en grinnikt.
‘Je was wel heel boos, heb ik toen van mijn vader gehoord.’
‘Ja, natuurlijk heb je dat van je vader gehoord. Die was zich ook rot geschrokken van het hele verhaal, en om precies dezelfde reden als ik. Maar een paar lege chipszakken en colaflessen en een paar rondslingerende pleisters zijn echt geen reden om nou nog steeds boos te zijn, hoor, meid. Wel netjes van je dat je je verontschuldigt, dat moet ik wel zeggen. Maar goed, als ik een paar jaar met Menno’s oudste zus in één huis moest wonen, dan werd ik waarschijnlijk van schrik ook netjes.’ Hij grijnst me breed tegemoet, en ik kan niet anders dan opgelucht ademhalen en meelachen.
‘Dus jij was vroeger zo’n beetje de wilde meid van het eiland,’ hoor ik even later in mijn oor. Sjaak staat naast me. Hij heeft blijkbaar het hele gesprek tussen Tjerk en mij gehoord. Er loopt een soort rare rilling over mijn rug: dat komt deels doordat hij dichterbij staat dan ik comfortabel vind, en doordat ik zo ineens zijn stem in mijn oor hoor, maar deels ook doordat ik het geloof ik helemaal niet leuk vind als hij me zo ziet. Als de wilde meid van het eiland. Ik weet niet hoe ik dan wel wil dat hij me ziet; ik heb er geloof ik nog nooit echt over nagedacht hoe ik wil dat mannen, of een bepaalde man in het bijzonder, mij zien. Het enige wat ik altijd wilde was gewoon mijn zin krijgen, en bij mannen was dat doel over het algemeen niet zo moeilijk te bereiken. Hoe ze me daar dan bij zagen, daar dacht ik vroeger gewoon niet over na.
Gek; nu dus ineens wel. Ineens is het belangrijk wat Sjaak van me denkt.
‘Ik was denk ik meer het kreng van het eiland,’ zeg ik snel, met volgens mij nogal een rood hoofd, ‘ik ben echt verschrikkelijk gemeen geweest tegen allerlei mensen.’
Maar voordat ik kan zien hoe Sjaak daarop reageert, klinkt ineens het snel dichterbij komende geronk van de kustwachthelikopter en trekt Axel een sprintje naar de deur, met Vincent in zijn kielzog.
‘Wat gaan ze doen?’ vraag ik snel aan Wende, die ze met grote ogen nakijkt.
‘Dokter Ellen ophalen. De heli gaat proberen op de keerlus te landen, want hij heeft bijna geen brandstof meer. Kan je een beetje tegen bloed, denk je?’
* * *
Ik had van tevoren geen idee of ik tegen bloed zou kunnen, maar natuurlijk renden we allemaal de duinweg af toen de helikopter eenmaal veilig stond, en de wieken stilstonden. Gelukkig was er genoeg ruimte om te landen, gelukkig was alles goed gegaan.
‘Nou, dat laatste stukje was wel running on fumes,’ bromde de piloot, die Tjerk een beuk op zijn rug gaf en er een even harde voor terugkreeg.
De zijdeur van de heli ging open en er sprongen een stuk of zes brede kerels uit. Beverig maar zichtbaar blij dat ze het gered hadden stonden ze naast de heli, terwijl Tjerk, de piloot en de copiloot voorzichtig probeerden een gewond bemanningslid naar buiten te manoeuvreren, zo te zien de kapitein, liggend op zo’n bord met handvatten. Cam en Martin vingen de draagbaar op, Mayke en ik pakten ieder een handvat bij de voeten van de gewonde en met z’n vieren begonnen we aan de klim. Het was belachelijk zwaar, maar op de een of andere manier kregen we hem, voor mijn gevoel in ieder geval, razendsnel het duin op en de Vis in, waar in ieder geval geen wind en regen was.
Ik keek maar niet te veel naar zijn been, dat er bloederig uitzag. Gelukkig was de arme man flauwgevallen, want anders zou hij vast ontzettend veel pijn hebben. We legden hem op twee tafels, die Wende razendsnel had leeggemaakt en tegen elkaar aan geschoven.
‘Blijven jullie hier,’ zei Cam haastig over zijn schouder, terwijl hij en Martin meteen weer richting deur renden, ‘hou hem in de gaten en geef de anderen wat warms.’
‘Yes sir,’ zei Mayke, zonder een spoor van sarcasme. Ik volgde haar naar de keuken, en daar sta ik nu, in een pan ontdooiende erwtensoep te roeren, terwijl ik hoor hoe de rest van de geredde bemanning binnenkomt en door Tjerk, Martin, Cam en de kustwachters zo goed mogelijk wordt geïnstalleerd.
Wende steekt haar hoofd om de hoek. ‘Liggen er nog extra fleecedekens in het aggregaathok? Die oude, die we eigenlijk weg wilden doen?’
Mayke denkt even na. ‘Volgens mij wel; ik denk niet dat Cam ze al naar de surfkeet heeft gebracht.’
‘Nou, ik hoop het maar, want de vloed staat intussen tot aan de duinenrij, dus daar kunnen we voorlopig niet meer bij,’ zegt Wende, en dan verdwijnt ze weer schielijk uit beeld.
Tjeerd komt binnen met zijn arm om Greetje heen. Ze is helemaal bleek en slap.
‘Glaasje cola of zo?’ zegt hij tegen niemand in het bijzonder. ‘We hebben een extra slachtoffer.’
‘O, sorry, ik voel me zo stom,’ mompelt ze zwakjes, ‘ik werd helemaal naar van al dat bloed van die man z’n been, en die andere heeft z’n onderarm gebroken, het staat scheef en het bot steekt door zijn huid, en die hoofdwond...’
Mayke rukt ergens een fles cola vandaan, pakt een mok en vult die zonder al te veel omhaal. Ze steekt hem uit naar Greetje. ‘Ga even zitten, daar op het krukje, en drink rustig op,’ zegt ze, meteen in de praktische modus. ‘Hoofdwonden bloeden altijd heel erg, het is waarschijnlijk een sneetje van niks.’ En dan gaat ze weer snel verder met haar eigen pan soep, en met het snijden van roggebrood.
Bij mij begint de soep al zachtjes te borrelen, maar het is nog niet echt goed warm, dus ik roer gestaag verder. Als ik even over mijn schouder gluur zie ik dat Tjeerd nog steeds naast Greetje staat – zij zit intussen op het krukje dat Mayke had aangewezen – en dat ze zo ongeveer tegen zijn been leunt terwijl ze haar cola met kleine slokjes opdrinkt. Tjeerd lijkt het helemaal niet erg te vinden, sterker nog, hij waakt over haar als een trouwe lobbes.
Ik doe mijn best om niet te glimlachen; als er niet zo veel narigheid aan de hand was, zou ik me in de handen wrijven.
Binnen in de Vis gaat de deur opnieuw open en hoor ik aan de stemmen – het gebrom van Axel, het geluid van Vincents stem – dat ze weer terug zijn, samen met dokter Ellen. Natuurlijk kunnen de kustwachters ook wel het nodige op het gebied van EHBO, maar voor de twee ernstig gewonden is er meer nodig, in ieder geval om ze te stabiliseren totdat ze naar een ziekenhuis gevlogen kunnen worden.
‘Hoe moet dat nou?’ zeg ik tegen Mayke. ‘Ze kunnen hier natuurlijk niet blijven.’
‘Ik weet het ook niet precies; ik denk dat die kustwachtheli eerst brandstof moet krijgen, op de een of andere manier. Geen idee wat erin moet. De traumahelikopter kan hier vast ook wel landen, als de kustwachtheli het kan, maar dan moet die van de kustwacht wel eerst weg. Twee van die dingen past natuurlijk niet. En het moet niet nog harder gaan waaien. Volgens mij was het nu al kantje boord allemaal. Hoe ver ben jij met je soep?’
‘Bijna goed, denk ik.’
En dan krijgen we het even heel druk met opscheppen en uitdelen. Wende komt helpen met uitserveren, Greetje, die intussen een beetje is opgeknapt, helpt in de keuken. Mijn broer blijft – heel lief – als redder in de nood bij haar in de buurt, en zo te zien vindt ze dat erg fijn; soms kan ik die jongen bijna wel zoenen, ook al is het mijn broer.
Eerst krijgen natuurlijk de geredde drenkelingen soep, en daarna de kustwachters. Dokter Ellen is nog te druk bezig met de gewonden; de gewonde man die nog bij kennis is heeft zo te zien – en te horen – veel pijn aan zijn arm. Die krijgt ook pas straks, als hij al wat wil. De ander, de kapitein, is nog steeds bewusteloos.
Dan begin ik aan onze mensen; ik voel me gek genoeg op dit moment zo onderdeel van deze plek, en deze groep mensen, dat ik bij mezelf merk dat ik er in zulke termen over nadenk. Belachelijk natuurlijk, maar toch. Zelfs Sjaak voelt een beetje als een van ons, als ik – ondanks dat gevoel toch een beetje voorzichtig – op hem af stap. Hij staat bij een raam, handen in zijn zakken, naar de buiten voortrazende storm te staren.
‘Wil je ook nog een kop soep?’
Hij kijkt verrast op; hij was erg diep in gedachten.
‘O. Eh, nee, dank je. Ik... wou dat ik nog iets kon doen,’ zegt hij, ingehouden gefrustreerd. ‘Dat ik ergens mee kon helpen. Ik heb geholpen die mensen naar binnen te brengen, maar verder voel ik me op dit moment echt volkomen nutteloos.’
Ik knik. ‘Heb ik ook wel een beetje,’ mompel ik, op de een of andere manier niet in staat om normaal tegen hem te doen. Ik raak iedere keer zo van slag van hoe intens die jongen is; het is alsof hij alles heel diep voelt.
‘Jij doet tenminste nog iets nuttigs, eten uitdelen,’ zegt hij stuurs. ‘Wat kan ik nou bijdragen?’
‘Misschien kan je... een stukje spelen? Dat wat je daarnet speelde, voordat ze kwamen, dat was mooi.’
‘O,’ zegt Sjaak, een beetje bokkig nu, ‘ik dacht dat je het niet had gehoord.’
‘Wel,’ zeg ik. ‘Het was heel mooi.’
‘Zelfgeschreven,’ zegt hij, en hij lijkt ineens verlegen met zichzelf, ondanks al die stuursheid.
‘Doe je die toch nog een keer? Ze zeggen dat muziek rustgevend is, en troostrijk, toch? Misschien vinden die arme mannen het wel heel fijn als je iets voor ze speelt?’
Hij knikt. En loopt naar de vioolkist, die nog steeds in zijn hoek op de tafel ligt.