Hoofdstuk 13 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Ik loop achter Martin en Tjeerd aan de Vis binnen en zie Wende aan de bar zitten, zo wit als een laken.
‘Hé, jeetje, wat is er met je, ben je toch nog ziek?’ vraag ik haar, terwijl de jongens druk beginnen te praten over afgelopen nacht en hoe het strand er op dit moment bij ligt.
‘Oef, nou, ik dacht dat ik ervanaf was, maar ik had het zeker niet goed uitgeziekt. Het kwam met een rotvaart terug, vanmorgen. Maar nu is het geloof ik wel echt weg; ik ben nog een beetje bibberig – we hebben ook wel raar geslapen, hoor, op die zitzakken – maar mijn maag zit gelukkig weer op de plek waar hij hoort. Volgens mij zou ik zelfs wel iets lusten voor het ontbijt. Dat had ik een half uur geleden ook niet gedacht, zeg!’
‘Heeft het hier erg gespookt, vannacht?’
Wende vertelt me, in een samenvattingsstijl die ze waarschijnlijk van haar man heeft geleerd, hoe het nog tekeergegaan is nadat de bemanningsleden van het intussen ten onder gegane containerschip door de kustwachthelikopter naar de vaste wal waren gevlogen. De zee kwam vervaarlijk hoog het strand op en Axel, die was gaan kijken toen hij gekraak hoorde, had al meteen gezien dat de surfkeet van zijn palen was geslagen door een aanspoelende container.
‘Verderop schijnt er nog een te liggen. Ax zal zo wel naar de gloppen willen rijden om te kijken hoeveel troep er achter de duinen is gespoeld; als het water zo hoog is gekomen dan zal de natuur daar ook een flinke tik hebben gehad van het zoute water. Om van de rotzooi nog maar te zwijgen.’
Ik knik, en zie vanuit mijn ooghoek dat er nog steeds kleine groepjes dorpelingen over de duinweg komen. ‘Tjeerd!’ roep ik naar mijn broer. ‘Als je nog wat wilt jutten moet je snel zijn, hoor; het halve dorp is er al.’
‘Nou,’ zegt mijn broer, ‘laat dat nou maar even zitten. Ik maak me meer zorgen over het opruimen van al die rommel.’
‘Ik denk dat iedereen er wel zo over denkt,’ zegt Martin. ‘Volgens mij moeten we de boel snel een beetje gaan organiseren. Ik heb al een paar zakken van het strand gehaald en bij de fietsen gelegd, maar misschien moeten we even iets op de Facebookpagina van het dorp zetten, of zo. Je kan toch moeilijk het hele dorp appen, Axel?’
‘Daar kijken de mensen op het strand toch niet meer op, op die Facebookpagina?’ vraag ik, terwijl Axel me een kop thee aanreikt.
‘Of had je liever koffie gewild?’
‘Nee hoor, thee is heerlijk. Geef mijn broer maar koffie, anders valt hij zo dadelijk weer in slaap.’
‘Hm,’ zegt Axel grinnikend, en ‘Nietes!’ zegt mijn broer verontwaardigd.
‘Dat doe jij nou nooit, hè?’ zegt Martin tegen Wende. ‘Mij zo pesten.’
‘Hm,’ zegt Wende, in een behoorlijk goed gelukte imitatie van Axel.
We lachen allemaal een beetje, hoewel de ondertoon niet vrolijk is. Natuurramp, is het woord dat door mijn hoofd blijft spelen. Dit is een natuurramp.
Wende heeft achter de bar haar laptop liggen, en even later staat er een berichtje op de dorps-Facebookpagina: kom met vuilniszakken naar Grote Vis voor opruimwerkzaamheden tussen strandpaal 6 en strandpaal 8; om 10 uur gratis koffie voor dorpsgenoten. De antwoorden stromen binnen onder het bericht en nog geen vijf minuten later belt Tjerk naar Axels mobiel.
‘Lijkt me een goed idee dat jij het coördineert,’ bromt Axel in zijn toestel, ‘kom maar hiernaartoe.’
Martin zegt: ‘Zal ik even kijken hoe het zit met Cam en Mayke?’ Hij beent meteen de deur uit.
‘Zijn in een van de huisjes blijven slapen,’ ondertitelt Wende voor mij, ‘we hadden allemaal zo’n beetje het gevoel dat we in de buurt moesten blijven. Vin is naar beneden gegaan met Milena, die wilden weten of de toren niet van de kerk was gewaaid. Ze zullen zich zo ook wel melden; ik hoop dat ze even willen helpen met het ontbijt hier. We hebben nog een paar gasten in de huisjes zitten. En onze Sjaak, die moet natuurlijk ook nog wat eten.’
Ik ben intussen op een kruk gaan zitten en kijk Martin na, die tussen de huisjes door stapt, omdat ik dan een legaal excuus heb om even naar het huisje te kijken waarvan ik weet dat hij erin zit.
Sjaak, dus.
Het is heel stom, maar iedere keer gaan mijn gedachten weer terug naar hem. Heel stiekem ook: zo zit ik ergens aan te denken, zo sluipt er een gedachte aan hem tussen de andere gedachten door, dringt zich naar voren en gaat pontificaal midden in mijn hoofd aanwezig zitten zijn.
Hoe hij me even een soort onhandige knuffel gaf, zomaar, toen hij me omhoogtrok in de regen. En hoe hij zijn armen zo beschermend om me heen sloeg toen dat stuk hout door het raam kwam, midden in de storm.
Maar ook hoe hij zo vervelend en stoer deed, over met twee lelijke meiden naar bed gaan, en hoe hij zo raar flirterig deed. Toen vond ik hem ineens verschrikkelijk. En toen hij daarna zo mooi viool zat te spelen, had hij weer zoiets treurigs, zoiets eenzaams, en daarna was hij ineens weer heel afstandelijk.
Ik kan echt geen chocola maken van die jongen, en op de een of andere manier intrigeert dat me blijkbaar. Plus, hij ziet er goed uit. Mooi, zelfs, onder de juiste omstandigheden. En hij ruikt lekker. En hij is het soort jongen met wie ik best zou willen, eh...
Ik voel dat ik een rood hoofd krijg, alleen al door aan hem te denken. Dat is ook stom, zeg; ik wil het helemaal niet, maar als dan ineens de deur van zijn huisje opengaat en hij naar buiten stapt, haar los, zwarte spijkerbroek met gaten, zwarte Docs, zwarte hoodie, dan krijg ik zowat een schok en word ik alleen nog maar roder.
‘Hij vroeg gisteren nog naar je,’ zegt Wende, die het blijkbaar allemaal in de gaten heeft.
‘Wie,’ zeg ik, zo neutraal mogelijk.
‘Sjaak, natuurlijk. Die had niet gezien dat Ax met jou en Tjeerd en Greetje was weggegaan, dus op een goed moment vroeg hij aan mij waar je uithing.’
‘Hij noemde me zeker Dingetje,’ zeg ik schamper, terwijl mijn hart ineens dik en warm aanvoelt in mijn borstkas.
‘Nee hoor,’ zegt Wende glimlachend. ‘Hij noemde je Nynke.’
Voor mijn gevoel zit ik daarna als versteend op mijn barkruk, met een rooie kop die maar niet wil zakken, te wachten totdat Sjaak het terras is overgestoken en door een van de deuren in de serre naar binnen is gestapt.
Eindelijk krijg ik het voor elkaar om weg te kijken, en ik draai me om op mijn kruk, om hem zo goed en zo kwaad als dat gaat te negeren.
Ik hoop niet dat hij nu denkt dat ik dat doe omdat ik graag wil dat hij me interessant vindt, of zoiets, ik bedoel, de Greetje-tactiek is niet wat ik voor ogen heb. Ik heb helemaal geen tactiek voor ogen, ik heb gewoon geen idee waar ik mee bezig ben. Of ik wel met iets bezig ben. Ik heb alleen maar een soort hyperbewustzijn van die lange jongen die nu, zal je altijd zien, precies de kruk naast de mijne uitkiest om op te gaan zitten.
‘Wil je nog ontbijten, Sjaak?’ vraagt Wende. ‘Ik hoop dat je het niet heel erg vindt als ik even geen koffie voor je maak, want alleen die geur al, daar komt mijn maag van in opstand. Maar misschien wil Cam wel even de barista uithangen, als hij tenminste al wakker genoeg is.’
Martin, die met Cam en Mayke in zijn kielzog is binnengekomen, kijkt over zijn schouder naar Cam en trekt een veelbetekenende wenkbrauw op.
‘Wat een slavendrijverij is het hier toch,’ verzucht Cam, maar hij loopt braaf om de bar heen en begint het nogal oud en rammelig uitziende koffiezetapparaat tot leven te wekken.
‘Volgens mij was dat ding in zijn vorige leven een stoommachine,’ bromt Sjaak, die het hele proces met interesse volgt. ‘Steampunk. Het is elke keer weer spannend of er nog koffie uit komt.’
‘Nee, jij trekt volle zalen,’ zegt Cam grinnikend, maar dan produceert hij toch een kop koffie. Wende rimpelt haar neus en loopt weg van de bar, de keuken in, waar Mayke zo te horen meteen aan de slag is gegaan.
Axel is naar buiten gelopen, telefoon aan zijn oor, en ik kan door het raam zien dat zich een groepje mensen om hem heen verzamelt, buiten, totdat Tjerk aankomt en het heft in handen neemt.
‘Jongelui,’ zegt Cam gewichtig, maar overduidelijk nauwelijks serieus, ‘begin nooit iets in de horeca, want het is niets dan een bron van zorgen. En slavendrijverij. Wat er ook gebeurt, je bent altijd de sjaak.’
‘Daar kan ik over meepraten,’ zegt Sjaak gortdroog, en ik proest het uit.
Ik weet niet waarom, maar ik krijg toch zo ongenadig de slappe lach, ik val nog net niet van mijn barkruk af. Het zal wel van de zenuwen zijn, maar tegelijk lucht het ook echt geweldig op, ik kan niet anders zeggen.
‘Gaat het een beetje?’ vraagt Sjaak geïnteresseerd, maar tegelijk op een soort onwillige toon. Alsof hij het eigenlijk liever niet had gevraagd.
Ik knik toch maar.
‘Waar was je nou ineens, gisteren?’
‘Axel gaf ons een lift naar huis.’
Hij knikt. ‘Ik had het begrepen, ja. Van Wende.’ Dat klinkt bijna als een verkapte beschuldiging; ik raak er helemaal geërgerd van.
‘Waarom vraag je er dan naar?’
Hij haalt zijn schouders op.
Ik heb het waarschijnlijk veel te bits gezegd, want hij fronst en kijkt even van me weg.
‘Waarom ben je nou alwéér hier?’ vraagt hij dan humeurig.
‘Om te helpen, natuurlijk. Mijn broer kwam me uit bed schudden omdat hij wilde zien of er iets te jutten viel, maar het strand ligt er vreselijk bij; dat kunnen we toch niet zo laten? En het is al op het nieuws geweest, gisteravond al; zal je zien dat als straks de boot aanlegt, we overspoeld worden door van die goedbedoelende natuurfreaks die willen helpen, maar elkaar allemaal voor de voeten lopen en het daardoor alleen maar erger maken.’
Hij knikt, bijt even op zijn lip maar zegt verder niets, hij trekt alleen zijn schouders nog iets verder op.
‘Waarom ben jij eigenlijk zo vroeg op? Lijkt me niks voor jou,’ zeg ik dan, in een futiele poging om toch iets in stelling te brengen tegen al die ongezelligheid van hem.
‘Ik kon niet goed in slaap komen, ik bleef piekeren,’ bromt hij, en dan duikt hij in zijn koffiekop.
‘Ga je... helpen met schoonmaken?’
‘Lijkt me wel,’ zegt hij, gevolgd door: ‘Aaah, goeie koffie, dat had ik echt even nodig. Ik zal wel oud worden; ik kan volgens mij niet meer tegen korte nachten.’
Ik moet ineens om hem lachen. Het floept zo uit mijn mond, zo’n dom meisjesgiebeltje, en het is helemaal niet eens zo grappig, wat hij zegt.
Shit, straks denkt hij nog dat ik interesse heb.
In hem.
Ik ga door de grond bij de gedachte alleen al; nu ben ik degene die de andere kant uit kijkt, alleen al om mijn rooie hoofd een beetje te kunnen laten afkoelen.
We zwijgen een tijdje, terwijl hij zijn koffie drinkt en ik mijn thee.
‘Dus... je gaat in Amsterdam studeren, na de zomer. Aan de toneelschool.’ Sjaak zegt het alsof het iets idioots is.
‘Dat is wel de bedoeling, ja; ik ben aangenomen en alles... eh, vind je dat niet oké, of zo?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘En dan ga je actrice worden,’ zegt hij na nog even broeden, ‘en dan ga je in een soap spelen en jezelf vreselijk belangrijk vinden. Of wil je groots en meeslepend aan het tonéél? In het theáter?’ De sarcastische nadruk die hij die woorden meegeeft is bijna tastbaar.
‘Ik hoop wel dat ik werk kan vinden, ja,’ zeg ik verlegen. ‘Ik heb eigenlijk nog geen idee wat voor richting precies, ik weet alleen maar dat ik zo goed mogelijk wil leren acteren, want als ik dat doe, dan voel ik iets. Dat ik iets kan overbrengen, iets kan doen wat andere mensen raakt.’
Hij geeft me een lange, peilende blik. ‘Volgens mij meen je dat ook nog echt,’ zegt hij, nog steeds sarcastisch. ‘Wacht maar totdat je die opleiding hebt afgerond. Dan ben je net als al die andere hoopvolle, gretige ellebogenwerkers, die alleen maar aan zichzelf en de spotlights kunnen denken.’
Ik staar even naar de bar, sprakeloos. Wat een venijn, bij hem; waar zou dat vandaan komen? Het raakt me, echt; ik voel het helemaal trekken in mijn hartstreek.
‘Waarom praat je er zo lelijk over,’ fluister ik bijna.
‘Ik heb wat gehad met zo’n meid. Ik weet waar ik het over heb. Duurde niet lang, eindigde onbevredigend. Vooral voor mij. Ze kon wat beters krijgen; weg was ze. En mijn vader, die is heel lang theaterproducent geweest, had een groot bedrijf. Altijd allemaal van die grieten in zijn bed, ze stonden nog net niet in de rij voor de deur.’
‘Ik dacht dat je zei dat je vader net een nieuwe vriendin had,’ zeg ik, nog steeds zachtjes, en vanbinnen intussen bibberend, ‘is dat er dan ook zo een?’ Ik weet niet waarom zijn woorden me zo diep raken, maar ik zou denk ik het liefst even een potje janken. Dit is echt zo niet wat ik me ervan had voorgesteld als ik hem weer tegen het lijf zou lopen, hoewel ik eigenlijk ook niet kan benoemen wat ik me er dan wél van had voorgesteld.
‘Wanneer zei ik dat?’ Hij fronst zo diep dat het er bijna komisch uit zou zien, als zijn groene ogen niet zo stormachtig stonden.
‘Toen in de Boei, toen je met mijn broer binnenkwam?’
Hij knikt. Denkt even na, en schudt daarna zijn hoofd. ‘Nee, dat is er niet zo een; volgens mij heeft mijn vader voor het eerst van zijn leven een behoorlijke keus gemaakt. Wonderbaarlijk trouwens dat je dat nog weet, dat je hebt geluisterd; ik dacht dat actrices alleen naar hun eigen stemgeluid wilden luisteren.’
Ik haal diep adem en knijp mijn ogen dicht; nog even en ik moet gewoon écht janken van die strontvervelende, lelijke, chagrijnige eikel van een vent.
‘Ik ga nu weg,’ zeg ik, zo waardig mogelijk, ‘er zijn vast wel mensen op het eiland met minder vooroordelen dan jij. Dan ga ik daarmee praten, dat is waarschijnlijk een stuk gezelliger.’ Als ik eenmaal naast mijn kruk sta, vraag ik aan Cam, die nog steeds achter de bar bezig is maar die niet laat blijken dat hij het gesprekje tussen Sjaak en mij heeft opgevangen: ‘Wat krijg je van me voor de thee?’
Cam wuift me de deur uit. ‘Ga nou maar helpen, en als je er genoeg van hebt krijg je nog wel een kop van het een of ander van me. Hopla, alle handen zijn meegenomen, op het moment. Ik kom zo dadelijk ook, zeg dat maar tegen Axel; zodra de dames de keuken op orde hebben ben ik erbij, buiten.’
Zonder nog om te kijken loop ik naar buiten.
Axel en Tjerk hebben intussen de mensen in ploegen verdeeld: stevige kerels voor het zwaardere werk en de dames voor plastic en piepschuim.
‘Ik rij m’n LaRo het strand op,’ zegt Axel, ‘iedereen zijn vuilniszakken daarin, en als hij vol zit breng ik het hier. Scheelt een hoop op en neer geloop; zijn we sneller waar we wezen moeten.’
‘Ik ben bezig met een grote vuilcontainer van de wal,’ zegt Tjerk, telefoon aan zijn oor. ‘Die vrachtwagen kan hier zijn met de boot van twaalf uur, dus dan moeten we alvast een flinke berg zakken hebben liggen. Plastic en piepschuim in blauwe zakken, de rest in zwarte zakken, mensen.’
Ik krijg van mijn broer een rolletje blauwe vuilniszakken in mijn handen gedrukt, en samen lopen we, in de hele groep, de weg af en het strand op.
‘Zus, wat kijk je bedrukt,’ zegt Tjeerd gemoedelijk. ‘Ben je er nog niet overheen dat ik je zo vroeg uit bed heb gehaald? Wees nou blij; geen mens pakt de boot om half zes naar het eiland, dus nou hebben we tot tien uur de tijd om het vast een beetje op poten te zetten, voordat Jan en alleman hier mee komt doen. Het schijnt vanmorgen alweer uitgebreid op het NOS Journaal te zijn geweest, al die troep op de stranden van de eilanden; ze noemen het zelfs al een milieuramp. Niemand weet precies wat er in al die containers zit, of heeft gezeten; het kan nog dagen doorgaan dat er dingen aanspoelen. Of niet; ze kunnen het gewoon niet voorspellen.’
‘Ben ik toch ook blij om,’ zeg ik bokkig, ‘dat we op tijd zijn.’
‘Nou, wat is er dan?’
Ik sla een vuilniszak open en begin stukken plastic op te rapen en erin te stoppen. ‘Niks,’ zeg ik. ‘Die Sjaak, die deed lullig, over mijn opleiding.’
‘Moet ik hem op zijn bek timmeren voor je?’
Ik schiet in de lach. ‘Tjeerd, doe normaal. Dat zou je nooit doen, dat is toch niks voor jou?’
‘Echt wel! Ze moeten van mijn zus afblijven, wat dacht jij dan? Ik ben hartstikke trots dat je naar de theaterschool in Amsterdam gaat, ik bedoel, hoe bijzonder is dat?’
Ik kan er niks aan doen, maar Tjeerds woorden gloeien toch op vanbinnen. Hij is trots op me. Dat vind ik tof, echt. En ineens springen de tranen me weer in de ogen. Had ik verdorie net gedacht dat ik ze had onderdrukt, druipen ze zo langs mijn neus naar beneden.
‘Nynk?’ zegt mijn broer, een beetje onzeker.
Ik kijk hem aan, er is toch niks meer aan te doen.
‘Wat heeft die lul tegen je gezegd?’ Meteen is hij helemaal niet meer onzeker, maar woedend. ‘Ik ga terug, ik ga –’
‘Nee, je gaat niks. Hij zei gewoon dat hij een hekel heeft aan actrices omdat die altijd maar met zichzelf bezig zijn. Blijkbaar heeft hij een keer een vriendinnetje gehad, of een scharrel, of weet ik wat het was, en die heeft hem gedumpt toen ze iemand kon krijgen die bekender was, of zo, iemand waar ze meer aan had voor haar carrière. Hij klonk heel bitter, en hij had dus meteen al zijn vooroordelen klaar. Ik vond het echt heel naar om aan te horen; hij is er blijkbaar van overtuigd dat ik ook zo ben, en als ik niet zo ben, dat ik dan wel zo word, als ik die opleiding eenmaal heb afgemaakt.’
‘Ik moet echt even met hem praten,’ zegt Tjeerd duister.
‘Nee.’ Ik doe mijn best zo gedecideerd mogelijk te klinken. ‘Ik kan mijn eigen boontjes wel doppen. Ik zal nog wel meer nare dingen te horen krijgen, als ik dit voor mijn werk ga doen; ik denk dat ze bij audities ook niet echt zachtzinnig zijn. Misschien moet ik maar gewoon leren om ermee om te gaan dat mensen soms heel lullig tegen je doen. Ik was er zelf tenslotte vroeger ook een ster in.’
‘Maar dat is helemaal niet wie je echt bent, Nynk. Toen niet, en nu ook niet.’
‘Denk je?’
‘Hoe jij je gedroeg, dat was pubergedrag, je wilde gewoon choqueren. Vroeger was je altijd lief, hoor, en nu toch weer? Je was altijd slim, en een lief, mooi meisje om te zien. Ik had je toch nooit met mijn autootjes laten spelen toen je nog klein was, als je echt diep vanbinnen zo’n kreng zou zijn? Misschien moet ik ook meteen even met tante Rimi gaan praten; volgens mij heeft dat malle mens je gehersenspoeld. Nou heb je een minderwaardigheidscomplex.’
Ik begin, dwars door mijn tranen heen, te grinniken en geef mijn broer een duw die niets uithaalt. ‘Pas maar op voor tante Rimi. Die is echt niet bang voor jou, en voordat je het weet heeft ze jou ook gehersenspoeld. Zelfs Tjerk is een beetje bang voor haar, en toen was ze nog jong.’
‘Serieus?’
Tjeerd begint ook te grinniken, en zij aan zij vullen we onze vuilniszakken.