Hoofdstuk 14 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Op de een of andere manier raak ik mijn broer kwijt bij het plastic rapen. Als ik – nadat ik een weerbarstig flapperende lap bubbeltjesplastic achterna ben gerend totdat ik eindelijk mijn voet er een keer op kan zetten en het in mijn vuilniszak kan stoppen – opkijk, zie ik hem een heel eind verderop bezig met een groot, ondefinieerbaar stuk hout. Hij aan de ene kant, Tjerk aan de andere kant; ze slepen het gebroederlijk richting Axels LaRo.
Ik krijg alweer een nieuw stuk plastic in het vizier en spring eropaf, voordat de nog best stevige wind het oppakt en weer verder weg blaast. Buk, grijp, prop in zak. Spring, buk, grijp, prop; ik moest toch zo nodig iets aan mijn conditie doen? Nou, dit is best een goed begin. Het is niet per se warm buiten maar ik heb de druppels op mijn voorhoofd van de inspanning.
‘Hé,’ hoor ik ineens van niet al te veraf.
Ik keer me om en zie dat ik best een eind van de strandopgang naar de Vis ben afgedreven, en ook een behoorlijk eind van de meeste opruimers en de LaRo vandaan.
Sjaak staat me van top tot teen op te nemen, met een baseballpetje op zijn hoofd én de capuchon van zijn hoodie eroverheen, een halfvolle vuilniszak in zijn hand. Hij houdt zijn hoofd een beetje scheef en ik kan eigenlijk niet uitmaken of hij nou kritisch of juist welwillend naar me kijkt. Maar ik vind eigenlijk vooral dat ik er niets van moet vinden; hij is een onaardige, sarcastische, bevooroordeelde zak, en ik wil dus niks met hem te maken hebben.
‘Hé,’ zeg ik terug, zo stuurs als ik kan, en dan draai ik me om, rug naar hem toe, en gris een voorbij waaiende sliert doorzichtig plastic van het zand.
‘Nynke,’ zegt hij.
‘Ja?’ zeg ik, met tegenzin, en ik draai me maar weer naar hem toe. ‘Wat is er? Ga je me nog verder vertellen hoe ik in elkaar zit? Wat ik ben, hoe ik ben, wat ik doe? Wat ik volgens jou allemaal fout doe, of, eh, als ik het nu nog niet fout doe, wat ik dan in ieder geval zeer binnenkort fout zal gaan doen?’
Hij kijkt naar zijn voeten, die een beetje door het zand schoffelen. ‘Eh,’ zegt hij. En dan blijft het stil.
‘Dus...’ zeg ik na een tijdje, en ik wil me alweer omdraaien om verder te gaan met plastic vangen, als hij ineens opkijkt. Zijn blik raakt de mijne met een klap die ik vanbinnen voel doortrillen. Ik heb dat nog nooit gehad, dat ik me zo raar kon voelen van hoe iemand naar me kijkt. Hoe, nou ja, een mán naar me kijkt. Van zijn ogen, de kleur, de diepgang die erin verscholen ligt. Alsof hij me stript met die blik, en ik bedoel niet alsof hij me met zijn ogen uitkleedt, maar alsof hij me fileert. Vel van het vlees, vlees van de botten, tot alleen de essentie overblijft. Mijn essentie, alsof hij me ziet, écht ziet; alsof ik me voor hem nooit zou kunnen verschuilen.
Ik schud mijn hoofd, vooral tegen mezelf: wat een onzin, deze gedachten. Hij heeft me nog geen half uur geleden keihard afgebrand, aan de bar van de Vis, alsof ik bij voorbaat al ik weet niet wat gedaan zou hebben. Niks geen essentie: vooringenomen arrogante eikel.
‘Wat bedoel je, nee,’ zegt hij, in antwoord op mijn hoofdschudden. ‘Wil je niet meer met me praten? Oké, ik kwam ook wel als een lul uit de hoek, ik geef het eerlijk toe. Sorry daarvoor. Cam heeft me nog de oren gewassen toen je eenmaal was weggelopen, dus ik zal het wel te bont hebben gemaakt. Netjes genuanceerd zijn is nooit zo heel erg mijn forte geweest, als ik eerlijk ben. Ik weet natuurlijk ook wel dat jij er niks aan kan doen dat ik niet zulke leuke ervaringen heb met actrices die van alles van me moeten, vanwege...’
‘Ja, vanwege wat eigenlijk? Vanwege het feit dat je muzikant bent?’
Ik begin maar weer met plastic en piepschuim rapen, en Sjaak komt naast me lopen. Hij verzamelt de kleinere dingen; hij heeft al een heleboel van die verzopen pluche beestjes, en allerlei andere gemengde, maar betrekkelijk handzame rommel.
‘Vanwege dat, ja. Een beetje bekendheid doet wonderen. Voor een bepaald type vrouwen, dan. Ik ben er nogal op afgeknapt, in het recente verleden.’
‘Dat begrijp ik intussen,’ zeg ik, maar zonder sarcasme. ‘Heeft... iemand je veel verdriet gedaan, of zoiets?’
Hij denkt erover na. ‘Nou, dat valt eigenlijk best mee, ik bedoel, ik zit niet met een gebroken hartje te hunkeren naar een of andere vrouw die me heeft gedumpt voor een betere optie, of zo. Het is meer... in het algemeen. Het cynisme, de doortraptheid, die me zo tegen de borst stuit. Dat je iemand versiert, of je láát versieren, omdat je hoopt dat het goed is voor je netwerk, of je profiel, of je carrière, of wat dan ook. Het is koud, berekenend. Ik heb dat nogal veel gezien om me heen, in mijn jeugd, en ook wel later in mijn eigen leven, en ik, ik... moet er gewoon niks van hebben,’ eindigt hij ineens, een beetje haastig en onhandig.
Ik knik. ‘Ik was vroeger ook heel berekenend,’ zeg ik dan, kleintjes. ‘Ik was zonder enige terughoudendheid bereid om van alles en nog wat te doen, alleen om iemand mijn kant uit te manipuleren. En dan vooral jongens, en mannen, want die waren lekker makkelijk.’
Hij kijkt me van opzij even aan, een stille aanmoediging om het uit te leggen.
‘Nou, weet je wel, als je ze het gevoel geeft dat er op de een of andere manier iets met seks te halen valt, dan krijg je al gauw je zin, hoor.’
‘Jezus, alsof alle mannen een soort oerdomme apen zijn die alleen maar achter hun lul aan lopen!’ Hij klinkt behoorlijk verontwaardigd.
‘Nou, dat vond ik dus eigenlijk wel, van de meeste mannen dan. Ik schaam me er achteraf nogal voor, zowel voor hoe ik deed als voor hoe ik erover dacht. Ik heb volgens mij allerlei mensen boos en verdrietig gemaakt, en ik heb eigenlijk helemaal geen excuus, behalve dat ik jong was en dacht dat ik alles al wist. Terwijl dat natuurlijk helemaal niet zo was. Ik wist niks. Ik weet nog steeds niks, maar nu weet ik tenminste dat ik niks weet, zeg maar. Nu ben ik in ieder geval af van die misplaatste, eigenwijze... nou, betweterigheid. Alsof de normale regels niet voor mij golden, zo voelde ik het altijd. Of, nee, dat is het eigenlijk niet precies: ik wílde me graag zo voelen. Ik wilde eigenlijk zoiets als wat Axel van nature heeft, zeg maar. Zo’n soort eigenheid, zo’n houding dat ik boven en buiten alle wetten stond. Want dan zouden ze ook gewoon niet voor me gelden. Net als bij Axel, dus. Snap je?’
Sjaak kijkt me kort aan, kijkt dan weer voor zich op het zand en knikt.
Ik heb zelf het gevoel dat ik een soort onduidelijk geratel produceer, waar waarschijnlijk geen touw aan vast te knopen is; hij zal wel knikken uit beleefdheid.
‘In ieder geval: als je dus niet tegen berekenend gedrag kan, dan moet je niet bij mij wezen. Ik waarschuw je maar vast,’ zeg ik, terwijl ik eigenlijk helemaal niet weet wat ik met deze opmerking wil bereiken. Wil ik Sjaak afschrikken? Wegsturen? Hem op me laten afknappen?
Nee.
Nee, dat wil ik juist helemaal niet. Zelfs al deed hij zo bot tegen me.
Dus waarom zeg ik dit nou? Waarom schilder ik mezelf af als zo’n idiote, onredelijke bitch?
Sjaak zegt een tijdje helemaal niks. Af en toe kijkt hij naar de weidse zee, tuurt ver de horizon af. Ik verwacht eigenlijk helemaal geen respons meer; ik verwacht half en half dat hij zich gewoon ineens omdraait en bij me wegloopt.
Maar dat doet hij niet.
Hij blijft naast me lopen, en hardnekkig troep oprapen en in zijn vuilniszak stoppen.
En dan eindelijk zegt hij: ‘Maar nu doe je toch niet meer zo?’
Dat is waar. Nu doe ik niet meer zo. Ik heb er helemaal niets tegenin te brengen, dus nu doe ik er het zwijgen toe en raap plastic van het zand alsof mijn leven ervan afhangt.
‘Shit, cameraploeg,’ klinkt het ineens naast me.
Ik kijk verrast op en tuur in de verte: blijkbaar staat de regionale omroep met Axel te praten. De LaRo puilt uit van de volle zakken en aan Axels lichaamshouding is duidelijk te zien dat hij véél liever in zou stappen om de zakken weg te brengen, dan dat hij daar moet staan om een praatje te maken met de lokale sterjournalist.
‘Volgens mij is dat RTV-RN,’ zeg ik; ik kan net het logo op de jas van de cameraman onderscheiden. ‘Regio Noord. Ze hebben zelf een boot; ze hoeven niet op de veerdienst te wachten als ze naar de eilanden moeten voor een of ander nieuwsitem. Goh, Axel staat volgens mij echt te balen dat hij nou met die mensen moet praten. Zullen we hem even gaan ondersteunen?’
‘Wil je zo graag met je mooie smoeltje op de tv dan?’ zegt Sjaak schamper.
‘Hoezo? Nee, wacht, dat bedoel ik helemaal niet, ik dacht alleen dat we Axel misschien, nou, dat we hem een beetje zouden kunnen redden of zo, zodat hij daar niet zo ongemakkelijk hoeft te staan, weet je wel? Je gaat toch niet weer zo’n tirade tegen me afsteken, over het standaard asociale wangedrag van actrices? Dat trek ik denk ik niet, hoor; dan ga ik wel ergens anders plastic rapen.’
‘Nee, nee, wacht,’ zegt hij haastig, ‘ik bedoel het niet zo. Misschien komt het een beetje belazerd mijn strot uit, maar ik bedoel, eh, ik bedoel... Nou ja. Als je Axel wilt gaan redden, dan moet je dat vooral doen, maar ik blijf dan wel even hier. Dat bedoel ik. Want, eh, ík wil dus niet met mijn smoeltje op tv.’
‘Je mooie smoeltje,’ zeg ik, half meesmuilend. ‘Waar ben je nou helemaal bang voor? Dat ze je herkennen of zo?’
Sjaak knikt. En zwijgt.
‘Hoezo dan? Wat heb je dan gedaan dat ze je hier bij RTV-RN zouden moeten herkennen?’
Sjaak zet zijn vuilniszak even op het zand, krabt onder zijn petje op zijn hoofd en haalt maar eens diep adem.
Nu gaat het komen, denk ik; nu gaat hij natuurlijk een hele riedel voor me afdraaien van wat hij allemaal heeft gedaan tot nu toe, al zijn successen, hoe bekend hij wel niet is, en hoe belangrijk, et cetera, et cetera...
‘Weet je nog in de Brulboei, dat meisje dat bij je broer werkt, eh, hoe heette ze nou, met die tanden?’
‘O, Swaantje?’
‘Ja, die. Die zei toch dat ze dacht dat ik zo op Daan leek, van Daan en Nout?’
‘Ja, en toen werd jij boos en zei dat je Sjaak heette, en je ging je naam ook nog helemaal spellen.’
Hij knikt en haalt een hand over zijn gezicht. Op de een of andere manier ziet hij eruit alsof hij helemaal niet weet wat hij met zichzelf aan moet. ‘Nou... ze had dus gelijk. Swaantje.’
‘Hoe... huh? Hoe bedoel je? Ze had gelijk dat je op die Daan lijkt? Ik heb geen idee hoe die gasten er precies uitzien. Ik heb ze heus wel eens op tv gezien, maar dat wil nog niet zeggen dat ik ze op straat zou herkennen, dus je kunt mij echt alles wijsmaken. Ik heb wel laatst nog naar een nummer van ze geluisterd, “Sunshine” heet het, dat vind ik echt prachtig.’
‘Nee, nee,’ zegt Sjaak, onderdrukt geërgerd, ‘wacht nou even, ik bedoel: ze had gelijk dat ik Daan bén.’
‘Hè?’ zeg ik stupide. ‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, ik bedoel dat mijn naam Daniël Jacques Zandbergen is. Daan, dus. Nout is mijn beste vriend. En mijn collega. En het laatste waar ik op dit moment zin in heb, is dat een of andere lokale zender me hier ziet staan, met mijn vuilniszak, want aangezien ik de afgelopen paar weken breed uitgemeten in zo’n beetje ieder nummer van de Story, de Weekend en de Party heb gestaan, en ze me collectief hebben uitgemaakt voor een soort non-stop drugsgebruikend feestbeest waar moeders hun dochters voor binnen moeten halen, kan je je zeker wel voorstellen wat er dan gaat gebeuren. Of niet soms?’
‘Ik lees dat soort blaadjes echt nooit,’ zeg ik, een beetje overdonderd.
‘En daar ben ik dan maar wat blij om,’ zegt hij snel, en hij blaast zijn adem uit.
‘Maar wat heb je dan allemaal gedaan, om zo in die blaadjes te komen?’
‘Bijna niks. Maar ik ging dus met iemand, en díé wilde steeds in zo’n blaadje staan, dus ja, ik was meer een soort, eh, means to an end. Collateral damage, zeg maar.’
Het klinkt allemaal heel treurig. Zijn stemgeluid, zijn houding, alles wijst erop dat hij het allemaal verschrikkelijk heeft gevonden.
‘Was dat de actrice met wie je omging, die je verdriet heeft gedaan?’ Ik kijk naar zijn gezicht, hoewel hij mij niet wil aankijken.
‘Heeft ze niet. Ze heeft me geen verdriet gedaan. Het ging om het idéé, dat zei ik toch,’ bromt hij, maar ik geloof dat eigenlijk niet meer zo.
‘Kom, dan gaan we die kant op,’ zeg ik, wijzend naar strandpaal 8, de grens van ons afgesproken opruimgebied. Daar ligt nog heel veel troep; alle opruimers zijn gewoon nog niet zo ver gekomen. Maar belangrijker: het is verder verwijderd van de cameraploeg en Axels LaRo.
‘Oké,’ zegt Sjaak. O nee, Daan.
‘Wat moet ik nou tegen je zeggen?’ vraag ik. ‘Hoe moet ik je noemen?’
Hij geeft me even een blik van onder de klep van zijn pet. ‘Hoe zou je me willen noemen?’
Het zou een flirterige opmerking kunnen zijn, als de toon anders was geweest. Maar nu klinkt het verre van flirterig. Eerder berustend, en een beetje treurig.
* * *
We rapen in stilte rommel op van het strand, totdat onze vuilniszakken vol zijn. Dan knopen we ze dicht en zetten ze midden op het strand tegen elkaar aan, rollen ieder een nieuwe vuilniszak uit en beginnen opnieuw met vullen.
We zeggen niets, maar blijven wel bij elkaar in de buurt. Ik vind dat tot mijn verrassing wel fijn. Hij blijkbaar ook; hij zegt dan wel niks, maar hij kijkt wel de hele tijd naar me.
Ineens strekt hij zich even uit en zegt toch iets; het klinkt een beetje te hard na al die stilte, ruisende zee en fluisterende wind om ons heen.
‘Jij zegt ook niks.’
Ik kijk hem even aan, en moet een beetje lachen. ‘Ik wist niks om te zeggen. Het hoeft toch ook niet per se? Of wil je graag kletsen?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Meeste meisjes die ik heb meegemaakt lullen je non-stop de oren van je hoofd. Ze willen de hele tijd weten wat je denkt, en zo. En sommige meisjes willen constant over zichzelf praten, of ze willen dat jij over ze praat.’
‘Dat was zeker het actricemeisje? Die laatste?’
Nog een keer een schouderophalen.
‘Ik begrijp dat ze je geen pijn heeft gedaan, en zo,’ zeg ik, mijn best doend het niet ironisch te laten klinken, ‘maar als je erover wilt praten dan mag dat heus wel, hoor. Ik ben soort van neutraal, denk ik; ik weet wel wie Daan en Nout zijn, maar ik heb niks van al je zogenaamde escapades gelezen in die blaadjes, dus je kunt me vertellen wat je wilt. Als je daar zin in hebt, tenminste. Wie weet lucht het op?’
Ik hoor een soort ingehouden snork naast me. ‘Jij, je bent een scherpe, jij. Je hebt me volgens mij precies door. Verdomme, ik kan er uiteindelijk ook niks van.’
‘Waarvan?’
‘Nou,’ zegt hij, en hij zet zijn vuilniszak even neer en kijkt me aan. ‘Ik wil natuurlijk, eh, “stoer” zijn. Onaangedaan. Je weet wel. Erboven staan, en alles. Maar weet je wat het is? Het is gewoon ruk om te moeten constateren dat er helemaal niks verandert: ik ben gewoon nog net zo in mijn eentje als altijd. Han Solo, that’s me. Kijk, er is een hoop opgelost in mijn leven; een paar jaar geleden zat ik echt wel dieper in de shit dan nu. Mijn pa zat in de bak en ik moest op de een of andere manier overleven. Ik zat in zijn huisje in Amsterdam, het grote huis had ik onderverhuurd, en ik moest geld maken. Ik deed net of ik studeerde, maar in feite was ik alleen maar aan het hosselen; beetje werken, beetje dealen, proberen iets van de band te maken waar ik toen in zat, weet je wel?’
Ik knik maar, al kan ik me nauwelijks voorstellen hoe het geweest moet zijn. Zijn vader in de gevangenis. Hij moet mijn leeftijd hebben gehad, of iets ouder, en dan zo’n leven? Jeetje. ‘En je moeder?’ vraag ik toch maar.
‘Dood. Ik was elf. Kreeg kanker, al toen ik nog klein was, ik herinner me haar alleen maar in combinatie met ziekenhuizen. Ze was wel lief, hoor, maar ze was altijd wel meer ziek dan moeder, zeg maar.’
‘Jee, echt? Wow,’ mompel ik.
‘Je gaat me niet zielig vinden,’ zegt hij dreigend, ‘want ik ben niet zielig.’
‘Nee, natuurlijk niet, je bent een succesvolle muzikant, dat is toch niet zielig? Dat is geweldig. Dat je het hebt gemaakt, bedoel ik. Dat kan alleen maar respect afdwingen, en al helemaal als je het zo in je eentje, zonder vangnet hebt moeten doen. Ik zou het je vast niet nadoen.’
‘Weet je niet,’ bromt hij, ‘als je moet dan kan je veel, hoor. Ik weet trouwens niet waarom ik je dit allemaal zit te vertellen, ik bedoel, wat boeit het, het is geweest, het is in het verleden. Ik ben nu hier.’
‘Het hoeft ook niet,’ zeg ik maar snel, ‘maar, eh, het mag dus wel. Als je wilt.’
Daan doet zijn capuchon af en veegt het petje van zijn hoofd. ‘Pff, ik krijg het bloedheet hier.’ Hij propt het petje in de achterzak van zijn jeans. ‘Is die camera al weg?’
‘Volgens mij wel,’ zeg ik, turend richting de LaRo, die nog steeds midden op het strand staat.
‘Ik zet hem wel weer op als we teruggaan; als er veel mensen van de wal komen moet ik een beetje oppassen. Tot nu toe gaat het goed, en de meeste eilanders zal het allemaal aan hun reet roesten wie ik ben. Bij de Vis weet iedereen het, ik heb het er met ze over gehad en alles, maar... Nou ja, ik wilde gewoon even een beetje rust aan mijn kop. Het is klote als ineens de hele media over je heen valt en van je zegt dat je een onbetrouwbare junk bent. Dat ben ik helemaal niet, namelijk, maar ja, dat kan ik nou wel zeggen, maar wie luistert er nog naar, als Marita van Duyne tegen iedereen die het horen wil het tegendeel beweert?’
‘Wie is dat?’
‘Mijn ex, dus.’
‘Ja, dat snap ik, maar ik bedoel, wie is ze dan dat ze zo belangrijk is dat iedereen naar haar luistert?’
Daan kijkt me verbijsterd aan. ‘Jezus, hebben jullie geen tv in Leeuwarden, of zo? Ze speelt Katja in Het leven dat we leiden, en ze is zo’n beetje de hit van het seizoen.’ Hij zucht er even van. ‘Oké, ze is ook echt heel mooi. En een geil wijf, en dat soort dingen. Ze heeft eigen merchandise; nou, dan weet je het wel. Een middelbareschoolagenda alleen maar met haar erin, en posters, en kussentjes en weet ik wat voor meuk.’
Ik knik; ik voel me een beetje stom dat ik nog nooit van haar heb gehoord. Ik ben niet zo’n soapkijker. ‘Kan ze zo goed acteren, dan?’
‘Ja wat doet dát er nou toe?’ roept hij geërgerd uit. ‘Als je er zo uitziet als zij dan maakt het geen flikker uit of je kunt spelen of niet. En jij,’ hij prikt een vinger mijn kant uit, ‘jíj, je mag wel eens een beetje moeite gaan doen om je in het vak te gaan verdiepen, als je zo nodig actrice wilt worden. Dan moet je toch weten wat er om je heen gebeurt? Wat anderen doen? Tegen wie je het moet opnemen?’
‘Het is toch geen wedstrijd,’ zeg ik zachtjes, een beetje geschrokken van zijn plotselinge heftigheid.
‘Ja, dat is het wel. Entertainment is keihard. Voor jou tien anderen, dus als je niet heel precies weet wat je wilt, en wat je gaat doen, en waar andere mensen mee bezig zijn, als je het niet allemaal bloedserieus neemt, dan wordt het niks. Dat kan ik je zo vertellen.’
Ik doe er bedremmeld het zwijgen toe en vul mijn vuilniszak.