Hoofdstuk 15 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Een onmetelijk lange tijd later hebben Daan en ik – ik moet er nog steeds aan wennen dat hij zo heet – verder niets tegen elkaar gezegd, maar ik heb vijf vuilniszakken gevuld en hij drie. Ons persoonlijke bergje zakken ziet er al heel respectabel uit; ik hoop maar dat Axel straks even de LaRo hiernaartoe wil rijden, zodat we niet ook nog de hele boel een heel eind moeten sjouwen. Het begint drukker te worden op het strand, het zal intussen wel na tienen zijn, maar de meeste mensen blijven toch dicht in de buurt van de opgang naar de Vis; hier bij paal 8 is het nog even rustig als vanochtend vroeg.
Daan is nog steeds bij me in de buurt aan het opruimen, maar ik weet eigenlijk niet precies meer wat ik daar nu van vind. Aan de ene kant vind ik het natuurlijk nog steeds fijn, want iets aan hem trekt aan me. Trekt me aan. En dat wordt bepaald niet minder naarmate de tijd vordert.
Aan de andere kant ben ik geloof ik ook wel, nou... een beetje bang van hem. Hij kan zo heftig zijn. Zo hard; cru zelfs misschien wel.
Hij heeft eigenlijk precies de vraag beantwoord die ik hem had willen stellen, over hoe het is in de entertainmentbranche, maar ik ben er niet gelukkiger van geworden; het antwoord heeft me de stuipen op het lijf gejaagd. Ben ik er wel geschikt voor, een bestaan in zo’n wereld als die hij schetst? Eten of gegeten worden? Ik had me tot nu toe eigenlijk alleen maar beziggehouden met het creatieve aspect, het acteren zelf; ik wil dat leren, ik wil oefenen, vlieguren maken, advies krijgen van professionals. Ik wil iets kunnen uitdrukken, iets kunnen brengen, mensen ontroeren, misschien wel.
Ineens bespringt me een soort wanhoop. Ik heb natuurlijk wel eerder momenten van twijfel gehad als ik eraan dacht dat ik die opleiding ging doen, maar dit is anders. Erger, fundamenteler. Ik zet mijn vuilniszak neer en leg even mijn handen over mijn gezicht. Hoe moet ik dat ooit gaan doen, hoe moet ik ooit, áls ik het al voor elkaar krijg om die opleiding met goed gevolg af te ronden, me staande houden in zo’n keiharde wereld?
‘Hé, gaat het?’ hoor ik naast me. Daan staat ineens heel dichtbij. ‘Ga je mee terug, ik begin honger te krijgen. Ik heb helemaal nog niet ontbeten,’ zegt hij. ‘Jij moet volgens mij ook even wat hebben. Of... zakt het al, voel je je alweer wat beter?’
Jee, wat is hij nou ineens weer zorgzaam; hij deed ook zo toen de storm de terrasoverkapping stukwaaide, toen hield hij me zomaar ineens vast, heel beschermend. Maar daarna deed hij dan weer zo anders, heel raar flirterig, op een soort koude manier, of heel afstandelijk, of op het gemene af hard; ik zou dat ene momentje bijna vergeten, zo veel zit er alweer tussen. Maar dat is natuurlijk onzin: ik kan dat helemaal niet vergeten; hoe kan ik dat nou vergeten?
‘Misschien heb je wel gelijk,’ zeg ik maar snel, ‘ik had er nog niet zo over nagedacht, maar ik heb ook nog niet gegeten. Alleen die kop thee vanochtend vroeg in de Vis.’
‘Kom mee,’ zegt hij simpelweg, en we parkeren onze laatste vuilniszakken bij ons bergje en beginnen terug te lopen. Onderweg komen we Axel tegen en vragen hem of hij onze zakken wil ophalen met de LaRo (hij knikt en zegt ‘Hm’, wat volgens mij ‘ja, prima’ betekent), en we klimmen het duin weer op.
Als we de Vis in het oog krijgen ziet het er flink druk uit; Daan grabbelt meteen zijn petje weer uit zijn achterzak, plant het op zijn hoofd en trekt zijn hoodie eroverheen.
‘Je lijkt wel een gangstarapper,’ zeg ik, voorzichtig grinnikend.
‘Kan me niet schelen, als het maar helpt,’ bromt hij. ‘Kom, we gaan achterom, ik heb geen zin om het erop te wagen met al die mensen.’
We duiken een paadje in dat naar de schuur leidt waar Vincent het touw vandaan haalde toen we probeerden de windmolen stil te zetten, maar ik zie nu dat het helemaal langs de Vis loopt, langs de keuken, en langs de buitenkant van het terras. Je zou op de hoek ook het terras op kunnen, maar Daan doet dat niet; hij loopt haastig buitenom totdat hij, eenmaal tussen de huisjes, weer iets rustiger aan doet.
‘Ho, wacht nou, wat ga je hard,’ zeg ik, terwijl ik hem half hollend probeer bij te houden. ‘En waar ga je eigenlijk naartoe? Ik dacht dat we gewoon bij de Vis...’
‘Met al die lui daarbinnen? Ik zei toch, dacht het niet,’ zegt hij schamper. ‘Ik heb nog wel wat te eten in mijn huisje. Genoeg voor twee. Koffie heb ik ook, maar alleen oplos. Als je dat tenminste te drinken vindt.’
‘Ik vind alles best,’ zeg ik.
Hij maakt de deur open en ik stap naar binnen; als ik heel eerlijk ben, ben ik ook gewoon wel een beetje nieuwsgierig hoe die huisjes er vanbinnen uitzien.
Heel anders dan onze huisjes, dat is het eerste wat me invalt. Onze huisjes (of eigenlijk zijn het natuurlijk de huisjes van mijn ouders, maar ja, ik heb ze vaak genoeg moeten schoonmaken) zijn netjes, maar tegelijk ook nogal ouderwets. De meubels die erin staan zijn er niet nieuw voor gekocht, ze zijn een beetje bij elkaar geraapt en komen overal vandaan. Sommige bij onszelf vandaan, sommige van Marktplaats, sommige uit kringloopwinkels. Een charmant rommeltje, is het bij ons.
Het huisje van Daan is helemaal geen rommeltje: alle meubels zien er nieuw en Ikea-achtig uit, en de inrichting is ook een beetje... Zweeds, zeg maar, met heel veel hout, en het heeft allemaal iets heel fris en schoons. Fijn huisje, denk ik; als ik ergens met vakantie was zou ik ook wel in zo’n huisje willen.
Het is ook nog eens geen rommel: Daan is dan wel een jongen in zijn eentje, maar hij is blijkbaar enorm georganiseerd. Alles ligt netjes op zijn plek, niks slingert in de rondte: geen sokken, geen kleren, geen lege blikjes of andere jongenstroep. Zijn gitaar staat in een standaard naast een kleine versterker, zijn vioolkist ligt op die versterker. Drie boeken in een net stapeltje op de salontafel, zo te zien van die Andy McNab-achtige avonturenthrillers. Geen vuile vaat in het keukentje. Ik moet bijna lachen als ik me voor ogen haal hoeveel rommeliger Tjeerds kamer bij mijn ouders eruitziet; eigenlijk is hij natuurlijk ook veel te oud om nog thuis te wonen, maar ja, hij kon kiezen tussen een huis kopen of een patatzaak, en hij heeft het laatste gedaan. Dat huis komt wel een keer, denkt hij volgens mij. En zo’n gekke gedachte is dat niet, zolang hij toch nog niet echt een vriendin heeft, en mijn ouders het alleen maar gezellig vinden dat hij nog thuis woont.
Daans huisje heeft aan de zijkant een raam dat over het strand en de zee uitkijkt; terwijl ik een beetje voor me uit pieker en Daan in zijn keukentje rommelt, zie ik dat het alleen nog maar drukker is geworden.
‘Volgens mij moet Tjerk het allemaal echt snel strak gaan coördineren, want nog twee boten vol mensen van de wal en iedereen loopt elkaar alleen maar voor de voeten,’ zeg ik, nog half in gedachten. Achter me hoor ik het onmiskenbare geluid van servies, en dan een borrelende waterkoker, gevolgd door een klik, en even later ‘Hier’, van Daan.
Ik keer me naar hem toe en zie dat hij een mok zwarte oploskoffie naar me uitsteekt.
‘Of heb je er wat in?’
‘Nee, is goed zo, hoor,’ mompel ik. ‘Moet ik ergens mee helpen, of zo?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik heb pindakaas of sandwichspread. En het brood is van gisteren.’
Ik glimlach naar hem. ‘Doe maar wat jij doet; ik ben niet zo moeilijk. Ik lust er wel twee, als dat mag.’
Hij knippert even met zijn ogen en staat, misschien maar één seconde, als een idioot met een boterham in de lucht, maar dan is het moment weer voorbij, schudt hij even zijn hoofd, en keert hij zich naar het aanrecht.
Ik ga zitten aan het kleine eettafeltje. Zou dat nou van mij komen, dat hij er even zo raar bij stond? Omdat ik naar hem lachte? Ik word helemaal warm vanbinnen.
‘Je hebt het wel netjes, hier.’
‘Ik ben niet zo’n rommelmaker,’ bromt hij, al smerend. ‘Ik was altijd meer een regelaar, weet je wel? Als je dan toch de hele tijd dingen moet regelen, dan is rommel niet handig. Zit je alleen maar in de weg. Moet je op een gegeven moment toch opruimen, dus dan maar beter meteen. Dat idee.’
Hij klinkt alweer stug, en een beetje defensief.
‘Nu hoef je dat toch niet meer?’ vraag ik. ‘Je hebt het toch gemaakt? Je hebt voldoende geld, en je kunt overal optreden; je hebt een carrière en alles.’
Hij schuift een bord onder mijn neus en gaat tegenover me zitten, ook met een bord, en een dreigende frons op zijn voorhoofd.
‘Ik heb helemaal niet het gevoel dat ik het heb gemaakt,’ zegt hij bokkig, en hij neemt een nogal woeste hap van zijn brood. Alsof die boterham er iets aan kan doen.
Ik eet en wacht af, want het ziet ernaar uit dat er meer gaat komen als hij zijn hap eenmaal heeft verwerkt.
Hij wappert met zijn hand. ‘Ja, oké, het gaat goed met de muziek. Ik kan er makkelijk van leven, en ik hoef niet meer met een of andere rottige bestelbus door Amsterdam te rijden om craftbiertjes af te leveren bij hippe restaurantjes in de Jordaan. En ik hoef ook geen pillen meer te dealen om een dakdekker te kunnen betalen die het huis in Wassenaar voor me fixt, of zoiets. Voor mij was de muziek echt mijn ontsnapping aan al die shit, en dat is best goed gelukt, ja. Toen Nout en ik samen rondreisden had ik af en toe ook echt bijna het gevoel dat ik me nergens meer druk over hoefde te maken.’ Hij grijnst even bij de herinnering. ‘Mooie tijd was dat wel.’
Nog zo’n woeste hap; hij valt zijn brood echt aan.
‘Ik heb DWDD gezien toen jullie er waren, met die dj samen,’ zeg ik. ‘Je zag er toen wel heel anders uit dan nu; ik had je aan je gezicht niet herkend. Of, eh, misschien ben je live gewoon heel anders dan op tv?’ Ik grijns een beetje onhandig naar hem en zie dat hij me met die onderzoekende ogen van hem zit op te nemen. Dat geeft me iedere keer weer zo’n soort onrustig, bibberig gevoel vanbinnen, dus ik ga maar gauw verder. ‘Toen, eh, toen zeiden ze dat jullie eigenlijk als een soort rondreizende YouTubers beroemd zijn geworden. En daarna gingen jullie live spelen; ik vond jullie echt heel goed. Bij jullie was het geluid tenminste ook mooi; heel vaak is dat zo lelijk als er een bandje staat.’
‘Kwam omdat Taco zich ermee had bemoeid. Die gast weet wat hij doet.’
‘Wie is Taco?’
‘Beste vriend van die dj bij wie ik logeerde. Wessel, enorm aardige gozer. Nout en ik zaten dus bij hem toen we terugkwamen in Amsterdam, omdat hij een klus samen wilde doen, en we hadden geen woonruimte. Mijn pa was weer vrij en die zat dus in zijn huisje in Amsterdam, en hij kreeg al snel nadat hij uit de gevangenis was dus die nieuwe vriendin, helemaal heppiedepeppie. Leuk mens, ook nog, dat heeft die ouwe eindelijk eens een keer goed gedaan.’
‘En nu moest je weg bij die Wessel omdat ze nog een kind krijgen, of zoiets? Dat zei je toch, in de Boei?’
‘Jij hebt echt goed opgelet.’
‘Ik ben verdorie toch geen paddenstoel?’ zeg ik, meteen een beetje geërgerd. ‘Of ga je weer van die dingen roepen dat actrices alleen maar naar zichzelf willen luisteren?’
Daan, die net weer zo’n dodelijke broodhap heeft genomen, heft zijn handen en schudt al kauwend zijn hoofd. Het ziet eruit als een soort van schoorvoetende verontschuldiging, dus ik laat het er maar bij.
‘Waar is Nout dan gebleven, als jullie daar weg moesten?’
‘Zit bij zijn vriendin. In Haarlem. Hij was al gek van haar toen we die band nog hadden. Vinculum?’
Nu schud ik mijn hoofd. ‘Sorry.’
‘Geeft niks, je lijkt me ook niet het type voor de muziek die we toen maakten. Anyway, zij was de bassiste; ze zat nogal diep in de shit in die tijd. Toen ging het natuurlijk helemaal niet, met Nout en haar. Heeft ze wat aan gedaan toen Nout en ik op reis waren, en toen kwamen we terug, zagen ze elkaar weer, bam. Meteen goed. Dus hij zit daar. Ik geef hem geen ongelijk, hoor. Zou ik ook doen, als ik iemand had voor wie ik zo veel voelde.’
‘En toen kreeg jij iets met die Marita hoe-heet-ze.’ Ik constateer het meer dan dat ik het vraag.
‘Van Duyne,’ mompelt hij. ‘Heeft eigenlijk helemaal niet zo lang geduurd, misschien maar een week of zes, uiteindelijk. De hele nasleep was zowat nog langer.’
Ik kijk eens goed naar hem. Er is iets aan hem, aan zijn houding, zijn uitstraling; hij lijkt ineens zo... kwetsbaar, denk ik; ik heb ineens het gevoel dat ik door al die stuursheid van hem heen kan kijken en kan zien wat voor jongen eronder zit. Ik zou hem wel even willen aanraken, iets doen om hem een beetje te troosten of zo. Ik kan me bijna niet voorstellen dat ik een half uur geleden nog van hem dacht dat hij zo ongenadig hard was.
‘Was je... erg verliefd?’ Ik heb het nog niet gevraagd of ik vind mezelf ineens enorm meisjesachtig klinken. Wat is dat nou weer voor iets stoms om te zeggen!
Maar Daan schudt alleen zijn hoofd. Er komt geen stekelige, lelijke opmerking, alleen een diepe zucht. En even later: ‘Ik was volgens mij vooral in lust, niet zozeer in love. En ik had een of ander idioot idee dat als mijn pa, en Nout, en de halve wereld allemaal aan de serieuze relatie gingen, en ik zag Wessel en zijn vriendin Nina, met hun gezinnetje, dat ik dan ook... weet je wel? Dat ik misschien gewoon, nou ja, en toen kwam zij dus voorbij gewandeld, en toen dacht ik: waarom niet? Ik was ook net een beetje gewend aan, eh...’ Hij stopt even om koffie te drinken. Als hij klaar is bijt hij op zijn lip, alsof hij even moed moet verzamelen om door te gaan, maar er komt niks. Hij zit gewoon naar me te kijken.
‘Waar was je dan aan gewend?’ vraag ik. Ik wil ontzettend graag weten hoe het zit, wat hem beweegt, wat hem zo treurig vanbinnen maakt; ik wil ook gewoon ontzettend graag dat hij doorpraat.
‘Aan, aan... nou, aan dat ik er niet alleen voor stond? Denk ik.’ Hij zegt het zachtjes, en nu is hij echt kwetsbaar, ik weet het zeker. Ik heb niet eens de tijd om erover na te denken, ik strek gewoon mijn hand naar hem uit en leg mijn vingertoppen op zijn pols. Ik voel iets trillen en hij slikt moeilijk.
Heel even liggen mijn vingers op zijn huid, en dan trekt hij zijn hand weg. Hij knippert met zijn ogen. ‘Ik weet ook niet waarom ik je dit allemaal vertel. Lekker belangrijk, ook. Het was simpel: Marita wilde wel, ik wilde ook wel. En ze bleek niet vies van de middelen; vooral coke, dat was haar ding. Ze was al niet zo’n stille, maar op een snuif lulde ze je echt helemaal de oren van je kop. En neuken als een gek.’
Ik weet niet of hij nou expres weer ineens zo grof is, maar als het zijn bedoeling is om me af te stoten, dan werkt het goed. Ik voel hoe ik fysiek achteruitdeins in mijn stoel, hoe ik schrik van die acute ommezwaai bij hem. Dat doet hij nou de hele tijd, verdorie: het ene moment zou je van hem denken dat hij een lieve, zorgzame jongen is, met een paar krassen op zijn ziel; het volgende moment is hij zo. Zo grof, zo hard, zo gevoelloos.
Hij ziet het aan me, en grijnst. ‘Heb ik je tere zieltje geraakt? Ja, moet je horen, zo is het leven. Ik ken nou eenmaal wat mensen in het circuit, dus ik kan best een beetje coke regelen. Geen probleem. Ik vond het allemaal prima: mooie meid, goeie seks, beetje dope, feestjes, fotografen, van die dingen. Het was net echt allemaal. Alleen op een gegeven moment kon Marita overstappen naar een of andere regisseur, stuk ouder dan zij, oerlelijke gast, maar met een heleboel connecties, nou, toen was ze natuurlijk weg. Ging ze meteen allemaal rare dingen over me zeggen in de media, zeker om te verbloemen dat ze zo mercenary is, dat kutwijf. Om te zorgen dat iedereen van haar denkt dat ze het slachtoffer is, of zo. En ze slikken alles voor zoete koek, als het uit dat mooie bekkie van haar komt. Niemand die iets aan mij vraagt. Nee, stel je voor, Daan Zandbergen, met zijn verleden, en die vader van hem, allemaal één groot recept voor disaster.’
Het brood is op. De koffie ook, dus hij heeft niets waarachter hij zich kan verschuilen. Hij weigert naar me te kijken, en staart dan maar bokkig uit het raam.
‘Maar dat is toch supernaar, dat het zo is gelopen? Als je zo’n soort idee had dat je met haar iets serieus wilde beginnen?’ Ik zeg het zachtjes, hoewel ik niet verwacht dat ik antwoord krijg, of dat hij die zachte kant van hem opnieuw zal laten zien.
‘Ja, verdomme, dat is “naar”,’ gromt hij ineens, met hoorbare aanhalingstekens, en hij springt op van de tafel. Hij grist de kopjes en de borden weg en smijt ze nog net niet op het aanrecht van zijn keukenblokje. ‘“Naar” komt nog lang niet in de buurt van wat het is, Nynke. En als jij zo’n wilde meid was hier op het eiland, dan weet je waarschijnlijk precies hoe “naar” zoiets kan zijn. Jij zal het ook wel gedaan hebben, je zo hebben gedragen.’
Ik sta voorzichtig op. ‘Misschien... kan ik maar beter weer gaan, nu? Weer een beetje verder gaan helpen op het strand, kijken waar mijn broer...’ mompel ik aarzelend.
‘Ja joh, sodemieter lekker op, net als de rest, ga fijn kijken waar je broer is. Ik ben beter af in mijn eentje, ik ben sowieso altijd beter af in mijn eentje!’ Daan geeft onverwachts een klap op het aanrecht waar de kopjes van opspringen, en zijn gezicht staat helemaal raar en vertrokken. Ik snap niet waardoor hij nu ineens zo vreselijk boos is geworden, maar dan zie ik ineens dat zijn ogen vervaarlijk glanzen. Hij knippert en er rolt een traan uit zijn ooghoek, maar hij blijft me furieus aanstaren.
‘Nou? Ga dan?’ zegt hij uitdagend.
‘Daan,’ zeg ik zachtjes, en ik zet een klein stapje naar hem toe.
Ineens heeft hij me vast, twee armen om me heen; ik heb nog net de tijd om mijn armen ook om hem heen te slaan. Om zijn lijf. Hij trilt helemaal. Hij zegt niets, en ik ook niet. We staan alleen maar zo, een hele tijd, totdat ik hem hoor mompelen: ‘Ik wilde eigenlijk alleen maar muziek maken, en niet de hele tijd overal alleen voor hoeven staan. Al die andere rotzooi...’
‘Ssst, stil maar,’ zeg ik zachtjes, bijna alsof hij een kleine jongen is. Mijn handen halen het petje dat hij nog op heeft voorzichtig van zijn hoofd. Ik laat het op het aanrecht vallen en streel zijn haar; hij maakt een soort snuffend geluid.
‘Ik weet ook niet waarom ik al die shit tegen je zeg, waarom ik nou ineens... Normaal kan ik het gewoon allemaal wel aan, ik kan altijd alles aan. Wat de fuck is dit?’ Hij maakt iets meer ruimte tussen ons, zodat hij me aan kan kijken. Hij ziet er zo rauw uit, zo gepijnigd, dat ik snel een hand tegen zijn vochtige wang leg.
‘Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen,’ zeg ik aarzelend, ‘maar ik zou wel van alles wíllen zeggen... het klinkt alleen waarschijnlijk heel raar.’
‘Veel raarder dan wat ik allemaal zeg kan het niet worden, volgens mij,’ zegt hij met waterige zelfspot. ‘Ik ben hiernaartoe gekomen om weer een beetje helder in mijn kop te worden, weet je wel? Ik was de weg kwijt aan het raken. En dan kom ik jou tegen, en nou ben ik alleen nog maar verder van huis.’
‘Zo erg is het toch niet?’ zeg ik nog, met een poging tot een lachje, maar ineens kust hij me.
Zomaar.
Ik zag het totaal niet aankomen; ik was overdonderd door al die emoties, en doordat ik hem wilde troosten.
Het is aan de ene kant ontzettend lekker, maar aan de andere kant is het ook... een beetje te woest, en een beetje te wanhopig, denk ik. Ik probeer er een eind aan te maken, een beetje rust te hervinden, omdat ik ervan in de war raak, en omdat ik even Daans gezicht wil zien. Zijn ogen, hoe hij naar me kijkt. Of hij me ziet; ik vind het ineens ontzettend belangrijk dat hij me ziet, dat hij met mij staat te zoenen, met míj, niet met een of andere willekeurige, toevallig voorhanden zijnde meid die er niet al te rot uitziet. Zoals bij die Marita, dat hij zei dat hij in lust was? Dat wil ik niet; ik zou het vreselijk vinden als hij zoiets over mij zou zeggen.
Ik merk dat het bijna niet lukt om te stoppen; hij laat me niet gaan. Hij heeft zijn handen op mijn blote rug, onder mijn shirtje, en streelt, en hij zoent me helemaal gek, maar ik wil even pauze, het gaat te snel, het is, er gebeurt –
Ho, wacht!
Nee stop, wacht, nee, nee!
Nee!
‘Daan!’ krijg ik er eindelijk uit, terwijl ik hem zo hard ik kan van me af duw.
Hij geeft me een dazige blik, die langzaam verscherpt terwijl hij mijn ongetwijfeld verschrikte gezicht in zich opneemt. Ik wacht het allemaal niet af maar keer me om en vlucht zijn huisje uit, terwijl ik achter me nog een verstikt ‘Nynke?’ hoor.