Hoofdstuk 16 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Ik heb tot mijn eigen verrassing de afgelopen dagen bij de VVV gewerkt. Ik had het niet geloofd als iemand me dat vorige week had verteld. Op de een of andere manier verglijden de dagen met een verbijsterende snelheid; er zijn er zo vier verstreken en ik kan bijna niet begrijpen waar ze zijn gebleven.
De middag nadat het gebeurde met Daan heb ik vanaf mijn kamer mijn tante gebeld en gezegd dat ik nog even bij mijn ouders bleef, en in een opwelling heb ik ook meteen de supermarkt in Leeuwarden gebeld om te zeggen dat ik niet meer kom werken. Wat een opluchting; ik voelde me zo wiebelig en ellendig dat ik er gewoon niet aan moest denken om mijn thuis weer achter te laten. Ik had de vertrouwdheid nodig, ik had mijn moeder nodig, met haar monchoutaarten en haar knuffels, en ik had de zekerheid van een broer als Tjeerd nodig, die gewoon diezelfde avond Daan heeft opgebeld om hem eens even flink de waarheid te vertellen, ook al wilde ik dat natuurlijk eigenlijk niet. Ik schaamde me dood. Maar tegelijk heeft het iets heerlijks om je zo beschermd te voelen, om te weten dat je familie er zo onvoorwaardelijk voor je is.
Mijn tante vond het allemaal prima. En hoewel ze natuurlijk helemaal niets meer te zeggen heeft over mijn doen of laten, vond ik dat toch fijn om te horen.
De volgende ochtend, nadat ik een zwarte broek van mijn moeder te leen had gekregen en een zwart, veel te groot T-shirt van mijn broer had gepikt, liep ik langs bij dokter Ellen. Ik wilde mijn verontschuldigingen aanbieden voor het receptenbloknootje dat ik van haar had gepikt toen ik vijftien was, en ik wilde vragen of zij wist hoe het met de geredde bemanningsleden is afgelopen.
Ik begon maar met dat laatste, dat leek me het veiligst. Doc Ellen wist het precies, want ze had contact gehouden met het ziekenhuis in Groningen. Ze maakten het allemaal goed, de kapitein was intussen buiten levensgevaar, alleen de man met de gebroken arm zou voortaan een hand moeten missen: zijn bot lag zo in de prak dat er geen redden meer aan was. Afschuwelijk, maar ja, het is nog altijd minder erg dan dat je je hele lijf moet missen. Hij leeft nog, dat is het belangrijkste.
Doc Ellen moest ontzettend grinniken toen ik haar vervolgens schoorvoetend en deemoedig vertelde waar ik eigenlijk voor kwam. Wat ik had uitgevreten, en met welk oogmerk. Mijn geplande excuses vielen helemaal in het water, zo zat ze te lachen; ze zei wel dat ze natuurlijk eigenlijk heel boos op me zou moeten worden, maar gezien het feit dat ik de gestolen waar had gebruikt voor zoiets onschuldigs als spijbelbriefjes, viel de schade zo ontzettend mee dat het haar gewoon niet lukte, dat boos worden.
‘Wat had ik dan moeten doen om te zorgen dat je er wel boos om was geworden?’ vroeg ik, een beetje in de war.
‘Had je dat graag gewild dan, dat ik boos was geworden?’
‘Nou ja, iedereen reageert eigenlijk zo laconiek wanneer ik zeg wat ik heb gedaan, en dat het me spijt. Ze zeggen allemaal: ach, welja, je was aan het puberen; alsof dat alles verklaart.’
Dokter Ellen lachte alleen maar harder. ‘Ik kan me wel voorstellen dat dat je een beetje frustreert, ja. Maar zie het eens van deze kant: je had met mijn receptenblokje ook kunnen proberen een overdosis morfine te halen, of zoiets. Dan had ik me toch echt wel voor de kop geslagen, en al helemaal als je die overdosis daarna ook nog had genomen. Dat begrijp je. Of als je de buit had doorverkocht aan een andere jongere, die dan vervolgens in een of andere hoek zou hebben liggen zieltogen, alleen omdat ik even niet goed had opgelet. In dat licht kan ik, in retrospectief, echt alleen maar blij zijn dat je mijn receptenblokje hebt gepikt met als enige doel jezelf wat extra vrije uren te bezorgen. Je bent slim genoeg; je kunt het je best veroorloven om af en toe een extra middagje vrij te nemen. Een paar keer spijbelen, daar zullen je hersenen minder schade van ondervinden dan van een handje foute pillen.’
Daar heeft ze natuurlijk wel gelijk in; maar zo had ik het zelf nog niet bekeken.
Marie-Louise kwam ook nog even de woonkamer in, om hoi te zeggen. Ze was heel vriendelijk en herinnerde zich dat ik in de Boei was geweest met Greetje. Ik vind haar geloof ik ook wel leuk; meer een goth-achtig type, mager, een beetje spichtig, met donker haar en zwarte kleren. Greetje is vergeleken met haar zo’n soort dirndl-meid van de Almhof-reclame: blond en noordelijk.
‘M-L heeft een ding voor een van onze politieagenten,’ zei doc Ellen grinnikend, ‘maar hij ziet haar niet staan, hè, M-L?’
‘O, hou op,’ zei Marie-Louise gekweld tegen haar tante, ‘moet je dat nou echt aan iedereen vertellen?’ En ze vluchtte de woonkamer weer uit, met nog over haar schouder naar mij: ‘Zie je in de Boei, hè?’
Doc Ellen had me nog even een tijdje nadenkend aangekeken, en daarna had ze gezegd: ‘Loop anders even bij Rietje aan, van de VVV; die heeft van Tjerk opdracht gekregen om al die schoonmaakvrijwilligers de goeie kant uit te dirigeren, maar volgens mij staat het water haar tot aan de lippen op het moment. Het is echt een beetje te veel voor haar. Gisteren zat ze bij me in de spreekkamer omdat ze er niet van kon slapen, die arme ziel; ze moet natuurlijk het gewone werk van de VVV ook nog doen. Ze kan wel wat hulp van een jonge meid gebruiken. Of wilde je vandaag weer terug rennen naar je tante in Leeuwarden?’
Nee. Dat wilde ik niet. Ik wilde natuurlijk helpen, ik wilde als een echte eilander er zijn voor de mensen en het eiland, zoals het hoort. Zoals ik dat natuurlijk voel, net als iedereen van hier. En toen – ik was het niet van plan geweest – begon ik van het ene op het andere moment te praten.
Voor ik het wist had ik het hele verhaal aan doc Ellen verteld: mijn dwangmatige, tja, pubergedoe (ze kon zich nog wel een beetje herinneren hoezeer iedereen het er altijd over had als ik weer eens een keer iets had uitgehaald), mijn opleiding, het inzicht dat ik mijn eigen ongemak en schaamte over mijn vroegere gedrag onder ogen moest komen en dat, mede op advies van mijn tante, iedereen zeggen dat het me spijt me de beste tactiek leek...
En Daan. Vreemde, mooie, onbegrijpelijke Daan. Die me tegelijk aantrekt en afstoot, die ik zou willen troosten maar bij wie ik ook heel hard wil weghollen, alleen al omdat hij zo rauw is, zo rauw bij me binnenkomt. Die me vreselijk heeft laten schrikken en laten huilen, maar die ik toch niet uit mijn gedachten lijk te kunnen bannen.
‘Tja,’ had doc Ellen gezegd, ‘daarover kan ik je geen advies geven. Of althans... ik zeg natuurlijk: volg je hart. Hij lijkt me wel een goeie jongen, maar ja, je weet het, hè: ik ben nou niet echt een expert op het gebied van de liefde, in ieder geval voor zover het jongens betreft.’
Wat is ze toch volkomen open en af en toe vol zelfspot over haar geaardheid. Niet dat ze dat niet zou moeten zijn, want dat moet natuurlijk juist wel, maar ik bedoel: in zo’n kleine gemeenschap als die van ons, waar iedereen alles van elkaar weet... Het is nou niet direct de gay capital of the world. Maar misschien juist omdat zij er zo volkomen relaxed en normaal over doet, doen de anderen dat ook. Zelfs de meest verstokte moraalridders kunnen eigenlijk niets tegen haar vriendelijke maar onontkoombare realisme inbrengen, en ze is ook gewoon verschrikkelijk aardig, rechtdoorzee en eerlijk. Al had ze met een stegosaurus willen samenwonen, dan hadden mensen het waarschijnlijk nog klakkeloos geaccepteerd, gewoon omdat zij het is, en omdat iedereen weet dat ze een goeie is, een arts waar zo’n klein eiland dolblij mee is.
Als zij dus denkt dat Daan een goeie jongen is, dan kan het bijna niet anders dan dat dat ook echt zo is, toch?
Dat andere advies van haar, om even bij de VVV te gaan kijken, heb ik dus ook meteen maar braaf opgevolgd. Na mijn bezoek aan de praktijk van doc Ellen ben ik meteen doorgelopen naar het VVV-gebouwtje, waar ik Maria Sorgdrager, al minstens veertig jaar de hoedster van ons kleine, propvolle toeristenbureautje, in een zekere mate van wanhoop aantrof tussen zeker twaalf enthousiaste vrijwilligers met regenlaarzen of wandelschoenen aan hun voeten.
Zonder dat we het er uitgebreid over hebben gehad, ben ik gewoon maar begonnen. Er was een kaartje van het eiland, en daar stond met potlood op getekend hoeveel mensen ze tot dan toe waarheen had gestuurd. Tjerk belde of appte af en toe met een of andere mededeling over waar er iets aan de hand was en mensen moesten de juiste soort vuilniszakken meekrijgen, met aanwijzingen wat ze precies moesten opruimen en waar ze de volle zakken naartoe moesten brengen. Het was allemaal niet ingewikkeld, en tussen de verschillende bootladingen met mensen door had ik tijd om van het papieren kaartje over te stappen naar mijn tablet. Daarop deelde ik een kaartje van het eiland als Google Doc met Tjerk en Axel, zodat ze konden aangeven waar veel te doen was en waar juist weinig, en ik groepjes mensen op basis daarvan naar de juiste plek kon sturen. Aan het eind van de dag zei Rie hoopvol: ‘Tot morgen, hè?’ en dus kwam ik de volgende dag weer. En de dag daarop weer.
Dus sta ik hier nu voor de vierde dag op rij in de VVV en ik heb intussen het gevoel alsof ik het al jaren doe. Opruimploegen organiseren, de niet-aflatende stroom hulp van de wal coördineren. Ik was eerst behoorlijk sceptisch over al die mensen die door de troep kwamen banjeren, en foto’s nemen met hun smartphones, en dat dan op social media delen, zeker. Alsof we hier een soort Tsjernobyl zijn, waar mensen gedreven door ramp-enthousiasme naartoe met vakantie gaan, alsof ze als toerist immuun zouden zijn voor straling.
Maar mijn mening is toch wel bijgedraaid, hoor, nu ik zie hoeveel lieve, betrokken, en ook bijzonder beleefde mensen door deze ramp naar het eiland worden getrokken. We mogen onze handen dichtknijpen.
Tjerk heeft me ook, op dag twee, het contact met de vuilnisophaaldienst erbij gegeven: ik kan precies op het kaartje zien waar de meeste zakken liggen en waar ik dus die vrachtwagen naartoe moet dirigeren, want dat wordt netjes aangegeven.
Tjerk heeft intussen de hele reddingsploeg gemobiliseerd en gedeployed als een Amerikaanse legereenheid: ook mijn broer heeft een stuk strand toebedeeld gekregen en voegt netjes zijn gegevens in op mijn kaartje.
Je zou bijna denken dat we goed georganiseerd zijn, hier.
Rie laat me lekker mijn gang gaan: ze is volgens mij al lang blij dat ze zich weer kan focussen op het normale VVV-werk: kaarten en postzegels verkopen, het register bijhouden van wie waar logeert, advies geven over de beste restaurants (zo veel hebben we er niet) en zorgen dat de planken vol pluche zeehondjes en andere gezellige maar zinloze toeristenspulletjes er zo aantrekkelijk mogelijk uitzien.
Ik werk zo hard ik kan, alleen al om niet aan Daan te hoeven denken.
Dat lukt natuurlijk voor geen meter: ik hoef maar vijf minuten niets te doen te hebben en mijn gedachten draaien zich zo ongeveer vast op de vraag of ik nou gek was, dat ik zo bij hem ben weggerend, of dat ik juist heb gedaan wat ik moest doen. Of ik nou niet helemaal lekker in mijn bovenkamer ben dat ik zo hard moest huilen na die kus, of dat het logisch is, omdat ik het gevoel kreeg dat hij me niet wilde loslaten. Of ik nou een tuthola ben, omdat ik me heb laten overdonderen door hem, en omdat ik een beetje van hem ben geschrokken, of dat ik in mijn volste recht sta en hij een vieze, grijpgrage engerd is die maar op één ding uit is, zoals alle mannen.
Die kus was wel heel lekker. Zo lekker dat hij almaar door mijn hoofd blijft spelen, en dan krijg ik het knap warm. Ik kan mezelf dan wel voor de kop slaan dat ik niet wat dapperder ben geweest; ik had toch niet meteen helemaal weg hoeven gaan? Maar aan de andere kant: wat als hij nou niet hetzelfde voelt voor mij, wat als ik nou alleen maar een toevallig voorhanden zijnd meisje voor hem was?
Ik weet het gewoon niet. Ik weet alleen maar dat ik niet kan stoppen met aan hem denken, en hoewel het op zich niet zo moeilijk zou zijn om hem nog een keertje zomaar per ongeluk tegen het lijf te lopen, alleen al om te kijken wat er dan zou gebeuren, en hoewel ik dat de afgelopen dagen natuurlijk heus wel heb overwogen, blijf ik me uiteindelijk toch maar liever verstoppen hier in de VVV.
En dan staat hij ineens, en volkomen onverwachts, voor mijn neus aan de balie.
Ik weet even niet wat ik moet doen of zeggen, ik kan alleen maar naar hem kijken. Alsof mijn pupillen van ijzer zijn, en hij de grootste magneet op aarde is.
‘Hé,’ zegt hij zachtjes.
‘Hé,’ zeg ik terug. Mijn hart klopt in mijn keel.
‘Ik dacht eerst dat je al lang terug was naar Leeuwarden. Je broer wil niet meer met me praten. Dus het had ook niet zo veel zin om aan hem te vragen hoe of wat. Dus, eh...’
‘O,’ mompel ik onhandig, ‘heeft hij dat gezegd? Tjeerd? Wat stom. Hij vindt je hartstikke aardig, waarom wil hij dan niet meer met je praten?’ Ik stop even om diep adem te halen en zeg dan, volledig overbodig: ‘Ik ben gewoon nog hier.’
‘Ja. Gelukkig wel. Toen zei Vinnie vanochtend ineens dat hij me uit mijn lijden ging verlossen; hij vertelde dat ik je hier waarschijnlijk wel zou kunnen vinden.’ Daan glimlacht wrang.
‘Was je aan het lijden, dan?’
‘Ja, natuurlijk; ik heb de afgelopen nachten geen oog dichtgedaan, ik, ik bedoel, ik heb nou niet, het ging nou niet zoals ik, eh... Ik wilde natuurlijk eigenlijk, ik bedoel, en toen hoorde ik van Tjeerd hoe je thuis was gekomen, en toen... Ik voelde me echt goed klote, dus, eh, nou ja, gewoon, je weet wel: sorry.’ Hij knijpt zijn ogen stijf dicht na dat onsamenhangende verhaal en wacht met een gezicht alsof er nu iets vreselijks moet gaan komen.
‘O,’ zeg ik nog een keer, en even later dan maar: ‘Oké.’
Zijn ogen gaan voorzichtig weer open en hij kijkt me onderzoekend aan, zoals hij dat zo goed kan. Ik voel het meteen weer vanbinnen; het is tegelijk een afschuwelijk en een heerlijk gevoel, en ik was bang dat het verdwenen zou zijn, dat ik het nooit meer zou voelen, maar het is helemaal niet verdwenen, gelukkig, o, gelukkig, het is zo mogelijk alleen nog maar sterker geworden.
Ik kan wel juichen.
Het zou raar zijn om dat nu, op dit moment, ook echt te doen, maar zo voel ik me. Alsof ik zou willen juichen.
‘Oké?’ zegt hij zachtjes. ‘Echt?’
Ik knik.
‘Ben je niet boos op me?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Vind je me geen eersteklas lul? Dat vind ik namelijk wel van mezelf.’
Nog meer hoofdschudden. ‘Ik was gewoon, eh, een beetje van je geschrokken, denk ik.’
‘Ja, daarom ben ik ook zo’n lul. Omdat ik je heb laten schrikken. Dat wilde ik natuurlijk helemaal niet.’ Hij fronst en ziet eruit alsof hij zichzelf wel zou kunnen schoppen, en om de een of andere reden vind ik dat ontzettend aandoenlijk.
Rie komt vanuit het kantoortje achter naar voren gelopen; ze zal ons wel horen praten. Ze is heel vriendelijk en betrokken bij alles wat er in het dorp gebeurt, maar tegelijk ook stiknieuwsgierig. Ze wil eigenlijk het liefst altijd alles over iedereen weten, daarom werkt ze hier ook zo graag: dan weet ze precies wie waar logeert, en wie er een goeie bezetting van hun zomerhuisjes heeft en wie niet. Ze bedoelt het verder niet kwaad, hoor; ze wil het gewoon alleen graag weten.
‘Jij bent toch...’ zegt ze nadenkend tegen Daan. ‘Jij bent toch die jongen die bij Grote Vis zit? Betaal je daar nou huur en geven ze je dan wat voor het muziek maken op het terras, of is het met gesloten beurzen?’
‘Dat laatste,’ zegt Daan. ‘Ik ben hier ook niet voor het geld, en ik heb met ze afgesproken dat ik ga op het moment dat ze volgeboekt zijn en een klant hebben voor het huisje waar ik nu in zit. Goeie deal voor iedereen.’
‘En hoe kennen Nynke en jij elkaar?’ Rie kijkt heen en weer tussen mij en Daan, en als ik haar niet een beetje zou kennen en zou weten dat ze tot op het bot fatsoenlijk is, dan zou ik denken dat ze een sluwe blik heeft.
‘Via mijn broer,’ zeg ik snel. ‘Ze zijn vrienden, hij en Tjeerd.’
‘Nou ja, vrienden,’ bromt Daan, ‘hij wil denk ik ook niks meer met me drinken. Als hij niet meer met me wil praten.’
‘O, welnee,’ zeg ik zo blijmoedig mogelijk, ‘hij is vast gewoon chagrijnig omdat Greetje van het eiland af is.’
‘Komt die vandaag dan niet terug? Het is toch vrijdag? Meestal komt ze al ’s morgens, op vrijdagen. Ze werkt toch op de boot? Ze zal toch wel voor het weekend terugkomen?’ zegt Rie ernstig. ‘Zal ik anders even naar Boersma bellen? Dan weten we het zeker.’
‘Doe maar niet, Rie,’ zeg ik gauw, voordat het hele dorp via de Rietjefoon te horen krijgt dat mijn broer een soft spot voor Greetje heeft. Als hij die al heeft; ik hoop het natuurlijk, maar hij heeft er de afgelopen dagen niets over losgelaten.
Nu ik erover nadenk was hij inderdaad wel een beetje humeuriger dan zijn normale, betrekkelijk blij-ei-achtige zelf; ik dacht eigenlijk dat het door dat hele doorlopende gedoe van het strand schoonmaken kwam, en het coördineren, en alles wat erbij komt kijken. We hebben er verdorie met een heleboel mensen zowat een dagtaak aan om het allemaal een beetje in goede banen te leiden.
‘Kunnen we even naar buiten, denk je?’ vraagt Daan zachtjes aan mij, met een knik naar het bankje voor de deur van de VVV. Op dit moment zit er niemand op.
‘O, ja, dat kan toch wel even, Rie? De volgende boot legt pas over drie kwartier aan, dus dan kunnen we ervan uitgaan dat we de eerste mensen hier over een uur op de stoep hebben staan. Toch?’
‘Gaan jullie even lekker samen een rondje lopen, kinderen,’ zegt Rie goedmoedig, en op een bepaalde manier ook aanmoedigend. ‘Ik red het hier wel.’
We kijken even naar elkaar, Daan en ik. We geven elkaar een miniem knikje, en dan kom ik achter de balie vandaan en stappen we samen naar buiten. Hij kijkt om zich heen, alsof hij het hier allemaal voor het eerst ziet, en geeft me een vragende blik. ‘Waar gaan we heen?’ vraagt die blik.
‘Die kant op?’ zeg ik, met een vagelijk knikje in de richting van de watertoren. De watertoren is een soort broer van Vlamkop: ongeveer dezelfde vorm, ongeveer dezelfde hoogte, alleen dus geen vuurtoren. Er heeft voor zover ik weet nooit water in de watertoren gezeten, maar toch noemt iedereen hem zo; misschien wel omdat het zo’n mooie tegenstelling oplevert met ‘vuurtoren’. Het was een uitkijktoren, oorspronkelijk, zeggen de geschiedenisboekjes, hoewel ik nooit helemaal heb begrepen waarover je dan moest uitkijken. In ieder geval niet over zee, want de toren staat zo’n beetje midden op het eiland. Misschien moest je hem wel gebruiken om over het dorp uit te kijken? In de loop der tijd is de toren in ieder geval voor van alles en nog wat gebruikt, van hooischuur tot schapenstal, en er heeft ook nog een tijdje een opslag van de post in gezeten. Kon je daar je pakje halen als je de bezorger had gemist; de deur stond gewoon open. Er raakte nooit iets kwijt, niemand pikte elkaars spullen en badgasten waren nog beleefd genoeg om niet zomaar ergens naar binnen te gaan, alleen omdat de deur niet op slot was.
Nu staat de toren leeg; ze willen er een soort museum in maken, geloof ik. Iets met geld van Brussel, omdat we op de Werelderfgoedlijst staan; mijn vader zal wel precies weten hoe het zit. Maar daar gaat het me allemaal niet om: ik wil daarnaartoe omdat de toren in een mooi stuk groen staat. Een soort mini-heuvellandschapje met bomen en allemaal smalle, kronkelige wandelpaadjes. Ik weet zeker dat het er op dit moment heel rustig is, en dan kunnen we daar een beetje rondlopen zonder dat het halve dorp ons ziet en er meteen ook iets van vindt.
‘Hiertussendoor,’ zeg ik tegen Daan, en ik pak hem even aan de mouw van zijn zwarte hoodie-met-monster om hem een paadje in te trekken achter de huizen langs. Halverwege dit paadje zit een doorsteekje richting de toren, maar dat moet je echt weten.
Ik hou zijn mouw iets langer vast dan per se nodig, want hij loopt eigenlijk heel zoet met me mee, maar het heeft zoiets lekkers dat ik gewoon nog even niet wil loslaten. Zodra ik dat dan uiteindelijk toch doe voel ik zijn vingers tegen de mijne. Hij pakt mijn hand niet, hij blijft gewoon dicht genoeg naast me zodat zijn vingers de mijne kunnen aanraken terwijl we lopen.
Ik wou dat ik durfde te zingen, want dan zou ik het doen.