Hoofdstuk 2 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Toen Leons vader burgemeester werd op het eiland, en het gezin De Lange er kwam wonen, begon het langzaam maar zeker steeds meer mis te gaan. Als ik in het weekend thuis was bij mijn ouders probeerde ik Leon steeds vaker op te zoeken, omdat hij bijna altijd wel wat had. Wat te roken, wat te slikken, het kon van alles zijn. En hij vroeg er niet veel voor, als ik tenminste ook iets voor hem wilde doen. Het was zo makkelijk; ik was een mooi meisje, dat wist ik, en ik gedroeg me er ook naar; ik hoefde alleen maar op een bepaalde manier te kijken, mijn hand in zijn broek te steken en even wat te frommelen, en ik had een zakje wiet te pakken waarmee ik dan heel wat leek op het schoolplein als de week weer was begonnen.
Ik dacht er niet al te veel van. Sterker nog, ik deed steeds vaker van dat soort dingen als ik iets nodig had. De slimme nerd van de school, Schelto, die nooit een meisje kon krijgen omdat hij onder de puisten zat en een idiote bril aan zijn flaporen had hangen: vijf minuten in de wc’s en ik had een werkstuk geregeld. Hij kwam belachelijk snel klaar; ik hoefde hem bijna alleen maar open te ritsen, zo strak stond het arme jong. En zelfs die wiskundeleraar die had gedreigd met een onvoldoende. Meneer Grijpstra, heette hij. Ik denk nu trouwens dat hij me gewoon doorhad en zijn kans pakte, de smeerlap; hij deed zijn naam eer aan. Hij kostte wel wat meer tijd, die vieze ouwe kerel, ik was zeker een kwartier met hem bezig. Eerste keer dat ik een lamme hand had, dat weet ik nog. Maar mooi dat ik een zes kreeg voor het proefwerk.
Het was natuurlijk een glijdende schaal, maar ik had dat zelf niet door. Ze zeggen dat een puberbrein nog niet helemaal ontwikkeld is op het gebied van risico’s of moreel kompas: nou, ik kan rustig stellen dat ik weliswaar voorlijk was op sommige punten (op mijn vijftiende had ik al een schaamteloze cup C, en ik wist precies hoe ik die onder iemands neus moest houden voor maximaal effect), maar ernstig achterliep met de ontwikkeling van mijn kompas. Voordat ik het wist zat ik op mijn knieën voor Leon, en de wiskundeleraar gaf me keihard een onvoldoende toen ik dat voor hem niet deed, ook al wist ik zeker dat ik het proefwerk goed had gemaakt.
Hij benaderde me er nog zelf voor ook, de smeerlap; ik heb moord en brand geschreeuwd in die wc toen hij zijn slappe, bleke worst uit zijn broek haalde. De man schrok zich helemaal rot; hij dacht dat hij me had, maar zo makkelijk liet ik me niet in de hoek drijven. Het was een heel schandaal, hij werd ontslagen, ik kreeg psychologische ondersteuning aangeboden, samen met het nadrukkelijke verzoek om het stil te houden en de school geen verdere imagoschade te berokkenen. Niemand heeft zich ooit afgevraagd wat ik überhaupt in de lerarentoiletten te zoeken had.
Misschien begon op dat moment wel mijn liefde voor het toneel, alleen wist ik toen nog niet wat het eigenlijk echt was. Ik huilde als een hysterische jonge wolf, speelde de rol van het misbruikte meisje met verve, en genoot van het drama dat zich om me heen ontrolde. Met mij als grote ster in het midden.
Als ik er nu aan terugdenk, aan hoe ik was tussen mijn, zeg, dertiende en zestiende, dan ga ik door de grond.
Ik schaam me vreselijk.
Die arme mensen op die school, die ouders van dat meisje bij wie ik logeerde! Die wiskundeleraar ook; ja, toegegeven, hij was natuurlijk een misbruikende smiecht, maar nu is hij werkloos en wil geen school hem meer aannemen, lerarentekort of niet. Ik had natuurlijk ook gewoon nee tegen hem kunnen zeggen; het is nou niet dat hij me met harde hand dwong tot handelingen die ik niet wilde. Ik wilde gewoon een voldoende zonder ervoor te hoeven werken, en het maakte me niet uit hoe ik die te pakken kreeg. Ik maakte gebruik van het feit dat ik mooi was, en slim, en totaal niet gehinderd door enige gêne. Pas toen die leraar het vanzelfsprekend begon te vinden, toen hij zich begon te gedragen alsof hij ergens recht op had, liet ik de boel ontploffen. Wat een ongelooflijk egocentrisch kreng was ik toch al die jaren.
Mijn ouders moeten zich ook nog steeds helemaal kapot schamen voor me, dat kan bijna niet anders. En dat terwijl mijn broer het zo goed doet. Tjeerd heeft een half jaar geleden op het eiland Beppes Keuken overgenomen; nu is de snackbar helemaal van hem. En hij is maar zeven jaar ouder dan ik, moet je nagaan. Zesentwintig en zelfstandig ondernemer op het eiland; Axel van Grote Vis is er niks bij. Tjeerd heeft zo’n beetje alles, behalve een eengezinswoning met een gezin erin. Maar dat zal vast niet lang meer op zich laten wachten.
Ik durf ze niet goed onder ogen te komen, mijn ouders. En Tjeerd ook niet. Niemand op het eiland, eigenlijk; ze weten allemaal hoe het is gegaan, hoe ik me heb misdragen, dat ik vervolgens mee moest met tante Rimi en hoe vreselijk ik me toen heb aangesteld. Alsof ik werd gedeporteerd naar een concentratiekamp, zo heb ik gebruld, helemaal tot op de boot. Iedereen weet dat natuurlijk nog, en wat zullen ze gegnuifd hebben. O, als ik zou kunnen vermijden dat ik er ooit nog voet aan wal hoef te zetten, dan zou ik die kans echt meteen met beide handen aangrijpen, want alleen al de gedachte aan bij mijn ouders langsgaan beneemt me bijna de adem. Vreselijk. De blikken van al die mensen, dat begint natuurlijk al in de haven op de wal. Iedereen kent iedereen, alles is bekend, iedereen weet hoezeer ik een mislukking en een teleurstelling voor de familie Olivier moet zijn.
En toch, dat is het gekke, vind ik de gedachte dat ik nooit meer terug zou kunnen naar het eiland ook onverdraaglijk. Het zijn toch mijn roots. Ik ben er geboren. Ik geloof niet dat ik er oud wil worden, en dat is natuurlijk ook niet te rijmen met mijn beroepskeuze, maar in ieder geval zou ik er wel naar terug willen kunnen zonder dat ik ineenkrimp bij de gedachte alleen al.
Zou mijn ongecontroleerde huilbui te maken hebben met die schaamte? Het voelt eigenlijk niet als iets om over te huilen, als ik er zo over nadenk; het voelt als iets wat ik aankan, wat ik kan onderdrukken en onder controle houden. Ik overbluf mijn schaamte met opgeheven hoofd, ik ga naar Amsterdam om aan de ATKA te studeren, ik zal ze allemaal wel eens wat laten zien.
Inmiddels heb ik mijn mooie lange haar afgeknipt tot een soort rattenkopje, en heb ik mijn lenzen verruild voor een bril waar Schelto trots op zou zijn. Ik draag geen shirtjes en truitjes met diepe decolletés meer en ik zet niet langer mijn borsten in als ik iets gedaan wil krijgen. Ik werk voor mijn successen. Ik lees alles wat los en vast zit en ik werk aan mijn vocabulaire en mijn uitspraak; ik wil niet als een onhandige provinciaal aan mijn eerste studiejaar beginnen, natuurlijk. Mijn tante noemt me af en toe plagend een wandelend woordenboek, maar ik merk aan alles dat ze het wel heel goed van me vindt dat ik zo mijn best doe. Al vindt ze het geloof ik ook wel een beetje spijtig dat ik mijn haar heb afgeknipt en dat ik altijd op Doc Martens loop.
Mannen heb ik afgezworen, ik wil er niets meer mee te maken hebben. Het zijn eigenlijk allemaal een soort beesten die je met een beetje seks, of vaak zelfs alleen al de belofte van een beetje seks, kunt laten doen wat je wilt. Er zit er volgens mij niet een bij die iets van inhoud heeft. Die echt iets te melden heeft, die in staat is tot gevoel. Tot liefde.
O jee, nou begin ik alweer te huilen. Wat is dat toch met mij? Zo loop ik rustig naar huis vanaf mijn werk, na te denken over mijn opdracht van die ATKA-docent, zo loop ik te grienen als een sukkel. Midden op straat. En niet alle mannen zijn beesten: Tjeerd is geen beest, en mijn vader ook niet. En op het eiland zijn er nog wel een paar te noemen van wie ik honderd procent zeker weet dat het geen beesten zijn, zelfs al hebben ze zich misschien vroeger wel een beetje misdragen. Axel, en Vincent, en Cam, die lui van Grote Vis; ik keek altijd stiekem ontzettend tegen ze op, en ze hadden op een gegeven moment ook nog een band opgericht, zo cool... Ik wou dat ik zulke vrienden had gehad, dan was ik me vast niet zo idioot gaan gedragen.
O! Ik mis het eiland gewoon zo ontzettend, ik wil eigenlijk daar zijn, bij mijn ouders, en alles wat me vertrouwd is; ik wil daar mijn zomer doorbrengen voordat ik naar Amsterdam verhuis voor wie weet hoe lang. Ik heb verdorie nog niet eens een kamer, en het zal me ook zeker niet meevallen om er een te vinden. Ik ben aan het sparen, maar als ik de kamerprijzen zo bekijk, dan kan ik misschien net een half jaar huur betalen...
Terwijl ik, betraand en trillend, de sleutel in het slot steek, lijken mijn plannen me ineens ondoenlijk. Daar sta ik nou, met mijn stoere praat en mijn afgeknipte haar en mijn grootheidswaanzinnige dromen. Amsterdam, de toneelschool, actrice worden, ha. Ze zien me aankomen.
Tante Rimi doet de deur voor me open; ze had me blijkbaar al gezien. ‘Och kind toch, kom gauw binnen, wat is er gebeurd?’ zegt ze bezorgd, en ze geeft me een van haar bottige, maar toch warme omhelzingen. ‘Ik maak gauw een kopje thee, ga maar lekker even zitten, droog je tranen, en vertel me precies wat er aan de hand is.’
* * *
Het blijft wonderbaarlijk hoeveel troost er van een kopje thee uit kan gaan. Ik was altijd fan van The Mentalist – omdat ik ook wilde kunnen hypnotiseren; ik stelde me dan voor dat ik zelfs zonder seks iedereen alles voor me kon laten doen – en die hoofdpersoon dronk ook de hele tijd thee. Hij zei dan: tea is a hug in a cup. Onzin, natuurlijk, leuk voor op memes, maar verder...
Een beetje gelijk heeft hij bij nader inzien eigenlijk wel.
Ik voel het verdriet, de onzekerheid, die hele rare mix waar ik van moest huilen, alweer een beetje zakken terwijl de damp van het kopje af slaat, tegen de huid van mijn gezicht.
‘Zo, nou, vertel,’ zegt tante Rimi, die tegenover me komt zitten met haar eigen kopje thee. Ze is meestal een vrouw van weinig woorden.
Hortend en stotend probeer ik aan haar uit te leggen hoe mijn gedachten eruitzagen toen ik begon te huilen, en als ik eenmaal ben aangeland bij het eiland, en hoe graag ik zonder schuld- en schaamtegevoel terug zou willen kunnen naar mijn ouders, mijn geboortedorp, dan stromen de tranen alweer. Ze stromen nog iets harder als ik haar vertel dat ik als de dood ben dat ik er niks van terecht ga brengen in Amsterdam, maar dat wuift ze weg.
‘Nynke, lief kind, stel je toch niet zo aan. Ik snap best dat je momenten van onzekerheid hebt; dat zal nog wel vaker voorkomen. Maar ík heb in ieder geval een rotsvast geloof in je. Ik weet wat je kan, als je jezelf er maar eenmaal toe zet; ik weet hoe intelligent en creatief en bijzonder je bent. En hoe mooi, al doe je nog zo je best dat op dit moment te verbergen. Ik vind dat wat je daarvóór zei eigenlijk veel belangrijker.’
‘Wat, over het eiland?’
‘Jazeker. Je praatte er snel overheen, dat hoorde ik heus wel. Je doet altijd wel heel stoer alsof je je jeugd achter je hebt gelaten, blik vooruit et cetera, maar volgens mij zit daar voor jou de echte pijn. Het echte probleem. Je voelt je afgesneden van je wortels, en geloof me, dat is een gevoel dat je niet mag negeren.’
‘Maar wat moet ik dan dóén?’ roep ik wanhopig uit. ‘Ik kan toch niet gewoon teruggaan en, weet ik veel, sorry zeggen, en verwachten dat het dan over is? Het zit toch allemaal veel te diep, ik heb toch veel te veel kapotgemaakt?’
‘Waarom zou je dat niet kunnen doen? Vergeving is een van de krachtigste eigenschappen van de mens, en berouw is louterend.’
‘Alsjeblieft, tante Rimi, even geen kerkpraat,’ zeg ik zachtjes.
‘Dat is geen kerkpraat, Nynke, dat zijn universele waarden. Als je berouw hebt over je zonden, of laat ik zeggen, spijt van je fouten, en je zegt sorry, dus je vraagt vergiffenis, dan zul je zien dat je dat ook negen van de tien keer krijgt. Het is de enige manier om iets af te sluiten, om verder te kunnen zonder die last op je ziel. Voor zowel jou als de ander. Het geloof kan je daarbij helpen, omdat het iets is om je aan vast te houden, maar het is helemaal niet per se nodig om het principe te laten werken, hoor. Mensen doen het de hele tijd, met of zonder geloof, voor grote en kleine dingen.’
Ik moet daar toch even over nadenken.
‘Dus volgens u moet ik gewoon teruggaan naar het eiland en sorry zeggen?’
Mijn tante knikt me bemoedigend toe.
‘Tegen wie dan allemaal? Ik kan toch moeilijk tegen het hele eiland sorry zeggen? Bij iedereen aanbellen en zeggen: hallo, ik ben Nynke Olivier, weet je wel, het zusje van Tjeerd, dat meisje dat zich Yvonne liet noemen omdat ze heel wat van zichzelf dacht? Sorry dat ik me als een idioot heb gedragen. Nou, dáág! Dat kan toch helemaal niet?’
Mijn tante lacht zachtjes. ‘Je bent een geboren actrice, dat zie ik iedere keer weer. Maar kijk maar in je hart, kijk eens echt goed, en dan zie je precies tegen wie je allemaal sorry moet zeggen.’
‘In ieder geval tegen de ouders van Bente, in Doniawâld. Bente bedacht de nodige ongein, maar ik had er ook een handje van. Die arme mensen weten nog niet half wat we allemaal hebben uitgevreten, volgens mij.’
‘Nou, bel ze op, zou ik zeggen. Dan stap je onderweg naar het eiland uit de bus, drink je een kop koffie met ze en zeg je dat het je spijt. En dan ga je door.’
Mijn tante laat het allemaal zo makkelijk klinken. Alsof het niks is. Ik krijg het bloedheet bij de gedachte alleen al.
‘Vooruit, kind, maak maar gewoon een lijstje, en dan ga je meteen dit weekend. Pak de koe bij de horens; hoe langer je erover piekert, hoe groter en griezeliger het wordt.’
‘Maar ik ben ingeroosterd bij de supermarkt, dit weekend,’ sputter ik nog.
Mijn tante geeft me een blik, die beruchte blik die me toen ik net bij haar woonde steeds weer in het gareel dwong. Nu vind ik die blik niet meer zo beangstigend, nu ik hem meer zie voor wat hij waard is. Niet zeuren, zegt die blik, je kan het. Dus doe het dan ook gewoon.
Ik sta op, leg even mijn hand op haar schouder en vertrek naar mijn kamer; ik heb een lijstje te maken en een paar belletjes te plegen.
* * *
Verontschuldigen, schrijf ik boven aan mijn lijstje.
Doniawâld
*Bente Miedema – voor alle keren dat ik een idioot, stom, onverantwoordelijk plan bedacht waar ik Bente in meesleepte.
*Meneer en mevrouw Miedema – voor het feit dat ik hun gastvrijheid heb misbruikt en een slechte invloed op hun dochter heb gehad.
Eiland
*Papa en mama en Tjeerd – lijkt me duidelijk.
*Meneer en mevrouw Ferwerda – ik heb zo vaak een chocoladereep gepikt in de supermarkt, het is echt te erg voor woorden.
*Mayke Ferwerda – zij was Leon de Langes officiële vriendin toen ik een beetje met hem rommelde; hoewel hij het volgens mij met iedereen deed die lang genoeg stilstond als hij aan de wal was. Wat een stomme jongen was dat eigenlijk; tegen hem ga ik echt geen sorry zeggen. Maar misschien wel tegen zijn ouders.
*Burgemeester De Lange en mevrouw De Lange, dus.
*Tjerk, van de reddingsbrigade, omdat we een keer onder het dekzeil van de boot zijn gaan zitten om te blowen en er een rommel van hebben gemaakt.
*Dokter Ellen, omdat ik toen ik een keer met een ontstoken vinger bij haar was, in een weekend, een bijna leeg receptenbloknootje van haar bureau heb gepikt, zodat ik daar ‘briefjes van de dokter’ van kon maken voor school. Ze keken toch niet naar het adres.
*Siets, van de veerboot, omdat ik een keer tegen hem heb gescholden; ik weet niet eens meer waarom.
* * *
Zuchtend leg ik mijn pen neer. Ik moet het hele eiland langs, er zit niks anders op; als ik lang genoeg nadenk is er bijna niemand tegen wie ik me niet ooit op de een of andere manier heb misdragen.