Hoofdstuk 20 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Zonder nog iets te zeggen trek ik mijn gele hesje uit, leg het op mijn tafeltje bij de rollen vuilniszakken en loop achter Daan aan. Achterom langs het paadje en het terras, dat propvol hongerige mensen zit. Ik zie Vincent en zijn vriendin over het terras heen en weer rennen om bestellingen op te nemen en rond te brengen; het is natuurlijk afgrijselijk dat het containerschip is gezonken en de zee rond de Wadden zo heeft vervuild dat er na iedere vloed een nieuwe berg rommel op het strand achterblijft, maar voor de inkomsten van de Vis is het vast niet verkeerd. En ook niet voor de mensen die huisjes te huur hebben; de bezettingsgraad is dit weekend bijna net zo hoog als tijdens het hoogseizoen. Ook ramptoerisme is toerisme, hoe cynisch het ook is om dat te zeggen.
Het lijkt intussen wel alsof het niet minder wordt met de vervuiling; je zou toch denken dat op een bepaald moment het meeste afval wel zou zijn aangespoeld? Maar we weten niet hoeveel er in de zee is beland; we weten niet hoeveel containers er stukgeslagen zijn, hun inhoud verspreid door de golven. We weten niks. We weten nog niet eens precies hoeveel olie er nog in het schip zat; olie die nu met het wrak op de zeebodem ligt en die, als de brandstoftanks gaan lekken, zomaar in de zee terecht kan komen en voor een heleboel dode dieren kan zorgen. En voor een vervuiling op de kust die je niet zo eenvoudig in vuilniszakken af kunt voeren.
Daan doet de deur van zijn huisje open, maakt een hoffelijk en uitnodigend handgebaar en ik stap over de drempel; bijna als een déjà vu. Het ziet er nog precies hetzelfde uit. Netjes, opgeruimd, viool op de versterker, stapeltje boeken op de salontafel.
‘Wat kijk je bezorgd, Nynk,’ zegt Daan zachtjes. ‘Ik ga echt niks doen, hoor. Ik zei toch dat je veilig bij me bent?’
Ik geef hem een bibberig lachje. ‘Ik zat te piekeren over het gezonken schip. Alle troep in de zee, en dan die stookolie die er nog in zit... Stel dat dat vrijkomt?’
Daan trekt in één beweging, niet gehinderd door ook maar een spoortje van gêne, zijn hemd uit over zijn hoofd. In zijn blote bast staat hij voor me, hemd in zijn hand. ‘Dat zou een ramp zijn,’ zegt hij, ‘maar Tjerk is volgens mij al de hele tijd met iedereen die een duikpak heeft aan het bellen. Zoiets vertelde Axel me gisterochtend in ieder geval. Hij, Tjerk bedoel ik, wil een team van duikers bij elkaar krijgen om het schip leeg te pompen. Hij kent ook wat lui in de offshore-business; die weten natuurlijk het nodige van olie.’
Terwijl hij praat maakt hij zijn broeksknopen open en trekt hij zijn rafelbroek uit. Of eigenlijk: hij laat hem vallen en stapt vervolgens zowel uit zijn All Stars als uit het hoopje broek dat over die All Stars heen ligt. In een zwarte, strakke, niets aan de verbeelding overlatende short staat hij voor me.
Goedgebouwd. Jezus, wat is hij goedgebouwd, overal is hij goedgebouwd. Ik kan bijna niet slikken. Knapste man ter wereld, speelt er door mijn hoofd; ik word er draaierig van, zo geweldig ziet hij eruit.
‘Nou, eh, nou, ik hoop maar dat het lukt,’ mompel ik verdwaasd. ‘Dat leeg, eh, pompen, bedoel ik. Want je moet er toch niet aan denken dat die olie hier op de kust spoelt?’ Ik voel mezelf ongeveer paars worden.
‘Nee, nee,’ zegt Daan zachtjes en een beetje onhandig, ‘daar moet ik niet aan denken. Ik moet er echt helemaal niet aan denken.’ Hij knijpt zijn ogen even stijf dicht. ‘Ik, eh, spring snel onder de douche. En daarna smeer ik boterhammen. Ga, eh, ik bedoel, ga lekker zitten of zo? In de tussentijd? Ik ben echt zo terug.’ Met een paar lange passen rent hij zo’n beetje de badkamer in, en ik blijf verdwaasd achter.
Ik ga dan maar zitten aan het eettafeltje. Er liggen wat papieren op, zo te zien met songteksten en akkoorden. Zijn hemd hangt over de stoelleuning naast me. Ik hoor de douche aangaan en probeer er niet aan te denken dat hij bloot, helemaal bloot onder het stromende water staat, maar dat is bijna niet te doen. Ik wil zo graag met hem dat ik er helemaal slap van word, vanbinnen. Kon ik maar dicht bij hem zijn, hem voelen, en ruiken.
Even kijk ik schuldbewust om me heen, en dan snaai ik het hemd van de stoel en stop mijn neus erin.
Mannenzweet.
Maar in plaats van te denken: getver, snuif ik hongerig nog een keer, en nog een keer. Het ruikt belachelijk lekker; ik zie ineens die idiote reclame van de Hornbach voor me waarin een oosters uitziende, een beetje treurige vrouw in een verdrietig makende grijze omgeving een ingeseald hemd van een houthakker uit een soort machine haalt, om de geur van hout, bos en bezwete man op te snuiven.
Getver, dacht ik dan dus steeds.
Maar nu niet.
Het pittige, peperige van zijn volkomen eigen lichaamsgeur, het zweet van zijn harde werk; ik vind het zo idioot lekker ruiken dat het met geen woorden te beschrijven is. Het gaat eigenlijk verder dan lekker, het is, het is... noodzakelijk? Ik heb dit volgens mij nodig, omdat ik anders... nou ja, niet echt doodga, maar vervaag, denk ik. Onzichtbaar word. Ik kan het niet uitleggen.
Ik hoor hoe de douche wordt dichtgedraaid en hang het hemd snel weer terug, waarbij ik het nog twee keer opnieuw moet doen ook, voordat het volgens mij weer een beetje acceptabel-rommelig net zo hangt als hij het erop had gegooid.
Ik werp een schuine blik naar Daans spijkerbroek, die nog steeds verlaten midden op de vloer over zijn gympen ligt, alsof de man die erin hoort te zitten plotseling in rook is opgegaan. De deur van de badkamer gaat open en dicht, en daarna een andere deur.
Zijn slaapkamer?
O jee, de hitte slaat uit mijn wangen, alleen al bij het idee aan Daans slaapkamer.
Ik hoor gerommel en een zacht gevloek, en dan, iets later, opnieuw het geluid van die deur, waarvan ik alsof ik een batterijtje in mijn kont heb, zo uit mijn stoel spring.
En dan staat hij ineens weer voor me, met nat haar, in een misschien nog wel verwassener spijkerbroek dan die er nog op de grond ligt. Wat hij nu aanheeft is net boven de knie afgeknipt, of misschien wel afgescheurd (echt recht is het niet) en er is met een balpen op getekend. Muzieknoten, onleesbare letters. Hij heeft een schoon zwart shirt in zijn hand, maar hij trekt het niet aan; in plaats daarvan staat hij doodstil en staart naar me, zijn hoofd een beetje scheef.
‘Hoi,’ zeg ik als ik van verlegenheid niet meer weet waar ik moet kijken.
‘Hoi,’ zegt hij terug. ‘Ik was even bang dat ik te lang bezig was, dat je weer was weggerend.’
Ik schud mijn hoofd en sta op. ‘Dat doe ik niet meer, dat beloof ik.’
Hij grinnikt kort, gooit het shirt over zijn hoofd, trekt het aan met een paar woeste bewegingen, en zet dan twee grote stappen mijn kant op.
Bijna neus aan neus staan we; ik kan zijn douchegel ruiken. Ook lekker, maar op een andere manier.
‘En ik beloof dat ik nooit meer iets zal doen waardoor je bij me weg hoeft te rennen,’ mompelt hij, terwijl zijn vingers zich in de mijne haken. ‘Je bent volkomen veilig bij me, Nynk, daar kun je van op aan, ik zal echt niks doen waar je bang van hoeft te worden, ik zal altijd...’
Terwijl hij praat wordt zijn stem zachter.
Zijn hoofd komt naar beneden, het mijne omhoog. Onze neuspunten raken elkaar, zijn natte haar valt naar voren en kriebelt tegen mijn wang.
‘... altijd zorgen dat ik voorzichtig met je ben, dat je niet hoeft te schrikken, dat je... o, fuck, Nynk...’
En dan kust hij me toch. Of eigenlijk kussen we elkaar. Heel zachtjes en voorzichtig, lippen tegen lippen. Zijn hand komt omhoog, zijn neus blijft tegen de mijne, mijn bril wordt voorzichtig afgedaan. Ik registreer vaag dat hij hem op de tafel legt, en wil niets liever dan dat dit moment voor eeuwig duurt.
Het is een heel ander soort kus dan die vorige. Heel voorzichtig, langzaam, teder; hij kust me alsof ik een schichtig dier ben dat gerustgesteld moet worden. De zorgzaamheid daarvan, de pure liefheid, blaast me helemaal omver. Hij houdt me ook niet zo stevig vast; alleen zijn vingers, vervlochten met de mijne. Ik leun tegen zijn schone, warme lijf, helemaal slap van alles wat ik voel, en als onze lippen van elkaar loskomen verstop ik mijn gezicht in zijn hals.
Bijna als vanzelf gaat mijn vrije arm om zijn middel, en dan komt ook zijn arm om mij heen. Onze handen laten los, zodat we elkaar met twee armen vast kunnen houden, en ik voel hem trillen. Ik tril volgens mij ook, ik ben helemaal van de kaart.
‘Nynk,’ mompelt hij in mijn oor. Het klinkt als een lief woordje, zoals hij het zegt.
‘Ik voel me helemaal slap,’ zeg ik zachtjes tegen de huid van zijn hals.
‘Ik ook,’ hoor ik, met een zachte grinnik. ‘Misschien moeten we even wat eten.’
Met tegenzin laten we elkaar los, en we geven elkaar een soort schaapachtige blik.
‘Ik weet niet wat het is met jou,’ zegt Daan dan, een beetje schamper, maar ik hoor aan zijn stem dat hij niks meent van die schamperheid. ‘Altijd als ik met jou alleen ben ga ik heel raar doen.’
‘Dit was toch niet heel raar?’ Ik kom naast hem staan aan het aanrecht. Hij schuift een bord met twee kale boterhammen naar me toe en geeft me een smeermes aan. Daarna haalt hij het kastje boven zijn hoofd leeg. Pindakaas, sandwichspread, jam en vlokken.
‘Heb je boodschappen gedaan?’ vraag ik plagerig, en ik grijp de jampot. Aardbeien, van mevrouw Boersma.
Hij grinnikt.
‘Alleen maar zoet,’ zeg ik, ‘doe je nooit kaas op je brood? Of worst?’
‘Sandwichspread is niet zoet. En kaas en worst eet ik liever zo, zonder brood. En het is wel heel raar.’
Ik kijk naar hem op; we staan schouder aan schouder, en hij kijkt terug. Met één opgetrokken wenkbrauw. ‘Of wou je zeggen dat het niet raar is, tussen ons?’
‘Ik weet niet... ’ mompel ik verlegen. ‘Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt.’
‘Nou, ik dus ook niet. Ik weet verdomme nauwelijks wat ik doe, ik weet nauwelijks wat ik móét doen, wat ik zeg; ik wil alleen maar... ’ Hij stopt en zucht.
‘Wat wil je alleen maar?’
‘Dat ik je in de buurt heb. Dat je bij me bent? Zoals dit? Of, nou ja, zoals daarnet? Ik weet niet hoe ik het moet noemen. Ik ben als de dood dat ik iets doe, of zeg, waardoor ik je nog een keer laat schrikken. Dat je wegrent. Dat ik weer alleen, eh... weet je wel? Maar dat is ook idioot, ik bedoel, wat kennen we elkaar nou?’
‘Een week. Gek is dat, hè? Het voelt als veel langer.’
Het blijft even stil naast me, terwijl we smeren.
‘Dus... jij hebt dat ook?’ vraagt hij, met zijn onderzoekende blik op me gericht, als we met onze bordjes aan tafel gaan zitten.
Ik knik, en dan zwijgen we een tijdje, omdat we eten. Toch is het niet ongemakkelijk of vreemd. Het is eigenlijk heel fijn om hier zo met hem te zitten eten, zoals het ook fijn was om rustig met hem op een bankje te zitten.
‘Ik ga vanmiddag spelen,’ zegt hij, als hij zijn brood op heeft.
Ik knik. ‘Ik zal nog wel achter het tafeltje moeten staan.’
‘Misschien valt het mee; de meeste mensen houden het toch niet de hele dag vol. Misschien is het wel rustig genoeg dat je kan komen kijken? Als je dat leuk vindt, tenminste.’
‘Heel leuk,’ zeg ik snel, en hij glimlacht een klein glimlachje.
‘Moet ik dan “Sunshine” voor je spelen? Het klinkt wel kaal als ik het in mijn eentje moet zingen, maar misschien wil Axel wel gitaarspelen, dan kan ik de tweede stem op mijn viool doen.’
‘Jee, kan je dat dan, zingen en tegen jezelf in spelen tegelijk?’
Hij fronst en denkt er even over na. ‘Ik denk het wel,’ zegt hij, en dan staat hij ineens op om zijn vioolkist te pakken. Hij opent hem op de stoel naast hem, haalt het instrument er voorzichtig uit, stemt het op gehoor en klemt het onder zijn kin, met een soort zeemleren lapje ertussen. En dan speelt hij een riedeltje, en zingt hij zachtjes het eerste couplet:
Sunshine, all I see, where has it been
Sunshine, all I feel, what does it mean
Take my hand and hold it
Warm my fingers with it
Sunshine...
Tegelijk speelt hij de tweede stem mee, maar hij trekt er een enorme frons bij.
‘Godver, dat valt nog niet mee,’ bromt hij verstoord. ‘Ik zing nu Nouts lijn, en ik speel wat ik normaal gesproken zing. Ik moet er wel heel erg hard bij nadenken, zo. Misschien kan Axel de tweede stem zingen? Of... kan jij eigenlijk zingen?’ Hij kijkt me ineens weer zo direct aan.
‘Ik... ik weet het niet precies. Ik moest wel een stukje zingen bij de toelating voor de toneelschool, en dat ging geloof ik wel; ik vond het alleen doodeng. Daar zie ik eigenlijk nog wel het meest tegen op, dat ik ook moet zingen. Ik vind het wel goed dat je ook zangles krijgt, hoor, gewoon voor je stemontwikkeling, maar, maar...’
‘Doe dan,’ zegt Daan. ‘Zing dan eens wat.’
‘Sunshine,’ zing ik verlegen, een octaaf hoger dan hij deed. Hij speelt er een noot bij die mooi klinkt.
‘All I see...’ doe ik, en dan word ik iets dapperder, en zing ik door. Bij de tweede Sunshine zingt Daan de tweede stem, heel zachtjes, en het klinkt nog niet eens zo heel belabberd.
‘Wordt wel wat,’ zegt hij met een lachje, als het coupletje is afgelopen. ‘Je moet nog een beetje je lef vinden, maar dat zal vast wel lukken. Kan je ook harder?’
‘Misschien wel, maar dat vind ik echt eng om te proberen,’ zeg ik blozend, en ik pak snel mijn bril, die nog steeds op tafel ligt, en schuif hem op mijn neus.
Daan legt zijn viool weg. ‘Durf je het wel vanachter je bril?’ zegt hij, met zo’n lieve, halve grijns. ‘Waarom heb je dat ding eigenlijk; volgens mij heb je hem helemaal niet nodig. Wat voor sterkte heb je?’
‘Min driekwart en min één.’
‘Dat is bijna niks. Dan kan je toch makkelijk zonder?’
‘Ik voel me wel prettig, met die bril op,’ geef ik dan maar eerlijk toe.
‘Is dat ook waarom je je haar hebt afgeknipt? Vinnie zei dat je vroeger lang haar had, dat je echt zo’n mooi blond popje was.’
‘Ja, dat is dus precies waarom ik het heb afgeknipt,’ zeg ik, ineens weer snibbig. ‘Ik wil dus niet de hele tijd voor een mooi blond popje worden aangezien. Want dan denken ze dus meteen dat ik ook dom ben, of in ieder geval, dan is wie ik ben en wat ik te melden heb meteen volkomen onbelangrijk, als ik zo word weggezet als blond popje. En bedankt, Vinnie, zal ik maar zeggen.’
‘Rustig aan. Vin bedoelt het niet zoals jij zegt,’ zegt Daan ernstig. ‘Hij vertelde alleen hoe het vroeger was, voordat je naar je tante verhuisde.’ Met kalme handen legt hij zijn viool weer in de kist en klapt het deksel dicht. Hij ademt een paar keer in, en weer uit, alsof hij moed verzamelt, en gaat dan verder. ‘Ik zou je nooit zo zien zoals jij zegt. Wat voor haar je ook had. Ja, ik bedoel, ik zie natuurlijk heus wel dat je een mooie vrouw bent. Ik ben niet blind; het is ook niet te missen. Je hebt een waanzinnig mooi gezicht en een goed figuur, al scheer je jezelf kaal en zet je een Elton John-bril op je snufferd. Maar dat is niet... Ik bedoel, hoe je eruitziet is niet, eh, shit, daar gáát het gewoon helemaal niet om, hier. Het gaat erom dat er iets is. Iets,’ hij gebaart heen en weer tussen hem en mij, ‘een, een ding, een band, een connectie, weet ik veel, iets waardoor, nou ja, dat ik de hele tijd denk, eh...’ Hij valt stil en kijkt me een beetje verwilderd aan.
‘Ik voel het ook,’ fluister ik, mijn hart zo’n beetje juichend in mijn borstkas.
Hij knikt.