Hoofdstuk 23 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Ik zit nog een tijdje gemoedelijk met Tjeerd te zwijgen op het terras. We drinken onze koffie en staren in het niets.
‘Ben jij net zo gek op Greetje als ik op Daan?’ vraag ik uiteindelijk.
‘Ik weet het niet,’ zegt mijn broer ernstig.
‘Kom op, je kan me niet vertellen dat je haar alleen maar “wel leuk” vindt, en dan zo balen dat ze weg is.’
‘Ik weet niet wat ik voelde, of wat ik wilde, of wat dan ook,’ zegt hij, ‘want ik heb de tijd niet gekregen om dat te bedenken. Ik ben op dit moment geloof ik vooral boos, Nynk. Omdat andere mensen voor mij proberen te bepalen hoe het moet gaan.’
‘Nou, gooi die trutten er dan uit!’ zeg ik fel. ‘Je kan toch niet tegen die koppen aan blijven kijken elke dag als je weet dat ze het meisje hebben weggejaagd voor wie je net iets begon te voelen? Desnoods kom ik bij je staan frieten bakken, kan mij het schelen. Je moet het me wel even leren, maar dat kan toch? Tot je wat nieuws hebt geregeld? Ik begin eind augustus pas op school.’
‘Maar je moet nog woonruimte zoeken, in Amsterdam! En, en, moet je geen dingen doen, voor de voorbereiding, eh, dat je vast de weg weet of zo? Je kan moeilijk een dag van tevoren pas gaan, en dan maar hopen dat het allemaal wel goed komt.’
Ik moet daar even over nadenken; ineens komt de hele operatie van naar Amsterdam verhuizen me opnieuw voor als iets absurds en onmogelijks. Waar ben ik aan begonnen? En daarnaast, ik kan mijn broer toch niet zo alleen laten?
‘O nee,’ zegt Tjeerd plotseling, ‘dat gaan we niet doen, zus. Je gaat niet je eigen plannen opzij proberen te zetten omdat je nou ineens denkt dat je in de zaak moet komen staan. En dat je dan later de pest in hebt omdat je nooit naar de toneelschool bent gegaan, terwijl je de kans had, en dat het dan mijn schuld is. Niks ervan. Je gaat naar Amsterdam, en je gaat die opleiding doen, en je gaat actrice worden, want dat is wat je wilt. En ik zoek wel een of andere oplossing, ik weet het nog niet. Ik moet er gewoon nog even over nadenken. Mijn boosheid laten zakken, en alles op een rijtje zetten.’
‘Ik kan toch wel een of twee weken bij je komen werken,’ zeg ik kleintjes, want hij heeft natuurlijk gelijk, ‘totdat je nieuwe hulp hebt?’
Mijn broer zucht vanuit zijn tenen. ‘Ja, natuurlijk kan dat, en je bent een lieve schat dat je het voorstelt, maar volgens mij zou je het vreselijk vinden. Je zou je kapot vervelen. Misschien zou het de eerste paar dagen wel aardig voor je zijn, want dan moet je nog van alles leren, maar zodra je het werk in de gaten hebt is het verder wel steeds hetzelfde. En dat is niks voor jou. Jij hebt een snelle geest, jij wilt dingen leren, en proberen.’
‘Heb jij dat dan niet?’
‘Ik ben toch een ander mens? Ik hou van rustig iets opbouwen, ik vind het niet erg om de hele dag patat te bakken, want ik sta ondertussen te bedenken wat ik nog meer wil met de zaak. Wat ik nog meer voor eten wil serveren, wat ik precies wil met de locatie, hoe ik het lekkerder en gezonder kan maken, wat ik ga doen met oud en nieuw...’
‘Oud en nieuw?! Het is nog niet eens hoogseizoen!’
Hij grinnikt. ‘Precies, dat is wat ik bedoel. Ik hou van op mijn gemak plannen, ver vooruit, ik ga niet zo hard. Jij hebt een snelle geest, je moet uitgedaagd worden. Acteren past vast goed bij je, als werk, want dan doe je nooit hetzelfde. Moet je altijd oplossingen vinden, nieuwe dingen proberen. Daan is meer zoals ik, die denkt ook vooruit, en dan trekt hij een plan. Jullie passen volgens mij echt goed bij elkaar; jij bruist en hij is het fundament.’
Jee.
Mijn broer.
De huiskamerfilosoof.
Of eigenlijk meer tuinstoelfilosoof. Wie had dat ooit achter hem gezocht? Ik had het zo nog niet bekeken, maar als hij het zegt klinkt het eigenlijk volkomen logisch. Het ontroert me op de een of andere manier dat mijn broer, met zijn rustig voortrollende grondigheid, zo de tijd heeft genomen om zijn mening te formuleren over Daan en mij.
‘Waar is die gast eigenlijk gebleven?’ vraagt hij nu, om zich heen kijkend.
‘Ging even met papa praten, zei hij.’
‘Ha, gaat hij om je hand vragen? Die Daan, volgens mij zit er een ouderwetse romanticus in hem. Weet je wat hij aan me vroeg, toen je bij hem was weggelopen? Toen ik hem had gebeld?’
‘Nee?’ Ik voel mijn wangen opgloeien.
‘Of hij het goed moest maken door bij je langs te gaan met een bosje bloemen, of chocolaatjes. Ik zat hem nog te pesten, zei dat jullie niet getrouwd waren, maar als ik had gezegd dat hij met een doos bonbons naar je toe had gemoeten, dan had hij dat volgens mij zo gedaan.’
Ondanks mijn rooie hoofd moet ik grinniken. Daan, mijn Daan, die er best ruig uitziet, maar die zulke dingen denkt. Ik word nog iets verliefder, als dat al had gekund.
Mijn moeder steekt ineens haar hoofd om de hoek van de schuifpui en roept: ‘Kom gauw even binnen kijken, jongens, Daan is op de televisie! Ze hebben gefilmd dat hij bij Grote Vis zat te spelen.’
Snel ren ik naar binnen, met Tjeerd achter me aan, en ik zie daar op het televisiescherm een presentator sappig zitten vertellen over hoe de nieuwe nationale muzikale bad boy zich blijkbaar verstopt had op een waddeneiland, met op de achtergrond een grote, tikje wazige foto van Daan met een gitaar op schoot, duidelijk op het terras van Grote Vis. Er wordt wat gezegd over de milieuramp, er komen een paar beelden van het vervuilde strand – niet ons strand, maar een van de andere eilanden, dat zie ik natuurlijk meteen – en dan een foto van Daan die met vuilniszakken loopt te sjouwen. Vanochtend was dat, vanochtend nog maar! Het lijkt wel een jaar geleden!
Daan komt binnen, met die vervaarlijke frons van vanmiddag op zijn gezicht, zijn mobiel pingelend in zijn hand. Mijn vader zit er vlak achter, een beetje verstoord dat zijn buitenzitmomentje wordt onderbroken, maar toch ook te nieuwsgierig om niet te komen kijken wat er nu toch weer aan de hand is.
Daan verstrakt als hij zichzelf op het beeldscherm ziet, en hij drukt meteen de beller weg.
Nog geen drie seconden later begint zijn toestel opnieuw geluid te maken, terwijl de presentator blijft praten, als voice-over bij een nieuwe foto van Daan met vuilniszakken. Is de bad boy getemd? Milieubewust geworden? Wat is er met hem gebeurd? Of is er toch iets anders aan de hand? De foto zoomt ineens uit, en dan zien we allemaal dat ik er ook op sta, achter mijn tafeltje, pratend met een paar mensen die zijn gekomen om te helpen. Ik zie er natuurlijk oerstom uit, met mijn gele rampenhesje.
‘Kijk,’ zegt Tjeerd, volkomen overbodig natuurlijk, want mijn ogen zijn al aan het beeldscherm geplakt.
‘Godverdegodverdegodver,’ zegt Daan, in oplopende mate van intensiteit. Mijn vader geeft hem even een blik, maar hij ziet het niet.
En dan zoomt de foto weer in, maar nu op mij – gelukkig niet al te lang, want ik sta er echt te oncharmant voor woorden op. De voice-over vraagt zich sappig af of ik soms de reden ben dat Daan op het eiland zit, en dan komt er nog een foto van het terras bij de Vis in beeld, maar dan eentje waarop Daan en ik knie aan knie zitten, zijn gitaar op schoot, onze hoofden dicht bij elkaar. Het ziet er intiem uit, maar ik weet dat dat het moment was dat hij me probeerde over te halen mee te komen zingen met ‘Sunshine’, en dat ik zei dat ik niet durfde. En ja hoor, bij de volgende foto zitten we samen achter de microfoon, Daans gezicht veel te dicht bij het mijne, en je ziet echt aan alles, de blik in zijn ogen, zijn hele lichaamshouding, dat hij me het liefst op zou eten, zo leuk vindt hij me.
Daans mobiel begint opnieuw te rinkelen, hij drukt weer weg, direct, de eerste rinkel is nog niet eens helemaal klaar. Ik kijk naar zijn gezicht, dat intussen bijna helemaal vertrokken is van iets, misschien angst, of pijn, ik weet het niet, maar het ziet eruit als een masker, hard en broos tegelijk.
En dan komt de presentator weer in beeld, begint het beeld van ons samen zingend te bewegen en hoor je het geluid.
Vreselijk.
Vreselijk!
Ben ik dat? Zijn wij dat? Ik schaam me kapot, het is niet om aan te horen!
‘Hé, goed gezongen, Nynk!’ zegt Tjeerd verrast. ‘Ik wist helemaal niet dat je dat zo goed kon!’
‘Neeeee,’ kreun ik ellendig.
Daans mobiel begint opnieuw, precies op het moment dat de presentator zegt dat ze proberen direct contact met Daniël Zandbergen te krijgen.
‘Wow!’ zegt Tjeerd. ‘Dat is Boulevard, die belt! Dat zijn zij, ik bedoel, dat is hun!’ Hij kijkt uilig van verbazing en wijst heen en weer van de televisie naar Daan.
‘Ja, hè hè,’ zegt Daan, zijn stem schurend, ‘dacht je dat het mijn oma was of zo?’
‘Neem op dan?’
‘Nee, man, dat wil ik helemaal niet, want ik weet precies hoe zo’n gesprek verloopt. En voordat je het weet staan ze hier aan de deur te rammelen, en dat wil je al helemáál niet.’
Op de televisie praat de presentator door over niets, blijkbaar om tijd te rekken, terwijl de redactie natuurlijk contact probeert te krijgen met Daan. Zijn mobiel rinkelt vrolijk door.
‘Misschien moet je maar gewoon opnemen en kort iets zeggen. Dan ben je ervanaf. Anders blijven ze je maar lastigvallen.’ De kalme, redelijke, praktische stem van mijn moeder, die als een mes door de warme boter snijdt. We kijken allemaal naar haar, en zij knikt bemoedigend naar Daan.
Die geeft zijn mobiel nog één dubieuze blik, en doet het dan toch maar.
Hij neemt op. ‘Met Daan,’ zegt hij, vertwijfeling hoorbaar in zijn stem.
Op het scherm licht het gezicht van de presentator op: hij zal wel in zijn oortje horen dat er contact is.
Daan loopt de gang in; hij moet natuurlijk niet bij de televisie blijven staan als hij met de presentator praat.
Ik kan niet blijven zitten; ik schiet uit mijn stoel en ga achter hem aan. Doe snel de deur dicht, en dan pak ik zijn hand en leun ik tegen zijn schouder. Hij knijpt mijn hand bijna fijn als de eerste paar zinnen van het gesprek nog over ongevaarlijke dingen gaan, over spelen bij de Vis, over helpen met opruimen. Maar dan voel ik aan de knijp in mijn hand dat de vraag gesteld moet zijn.
Wie is dat meisje?
Zijn ogen zoeken de mijne, kijken me wanhopig aan, zijn wenkbrauwen hoog op zijn voorhoofd. Dan knijpt hij ze heel even dicht en zegt, zo luchtig als hij kan: ‘O, een of andere lokale schone met een aardige zangstem. Ja, het zit hier vol met mooie vrouwen, ik heb geen klagen, hoor.’
Als ik niet zo’n beetje in Daans schouder was gekropen, zo dicht tegen hem aan dat ik zijn hartslag kan voelen, dan had ik een steek door mijn hart gekregen. Nu niet; het is wel heel naar om te horen dat hij zo, op zo’n soort vreemde, nep-luchtige toon praat over lokale schonen, maar ik weet dat hij dat doet om me te beschermen. Hij lacht er zelfs een keer bij; ik hoor met een half oor zachtjes door de kamerdeur heen zijn lach in stereo uit de televisie komen.
En dan, heel abrupt, is het gesprek afgelopen.
Ik kijk op van zijn schouder; hij kijkt verdwaasd naar het schermpje van zijn dode mobiel.
‘Hij is leeg,’ zegt hij dan, een beetje duister. ‘Daar zal ik dan vast ook nog wel gezeik over krijgen, want nou denken ze natuurlijk dat ik ze heb weggedrukt. Zal je zien, dan komt er ergens een stuk in dat ik niet met journalisten wil praten omdat ik zogenaamd van alles te verbergen heb. Je hebt hier zeker geen iPhone-lader liggen?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Je kunt ze toch altijd later terugbellen en sorry zeggen of zo? Of ze een mail sturen? Ze mogen niet klagen, hoor, ze hebben je tenslotte aan de lijn gehad.’
Hij wrijft even over zijn lippen; volgens mij is dat zijn onbewuste onzekerheidsgebaar. ‘Ik vond het wel totale crap om dat te moeten zeggen, Nynk,’ zegt hij dan zachtjes. ‘Over dat het hier zogenaamd stikt van de mooie vrouwen, en zo. Ik zie toch alleen maar jou.’
‘Ik weet heus wel hoe je het bedoelde, hoewel ik het, eh, ook best wel naar vond om te moeten horen.’
‘Ik wilde nog even je nummer in mijn mobiel zetten, want daar hebben we helemaal nog geen tijd voor gehad, maar nou is hij dood.’
‘Ik kan jou wel in de mijne zetten? En dan stuur ik je iets, of je zet mijn nummer op je hand, of zo? Ik heb boven wel een pen, in mijn kamer, hier, kom maar mee.’
Ik trek hem aan zijn hand mee de trap op; hij komt zoet achter me aan. Ik geniet daar op een idiote manier van, dat ik die grote, stoere jongen, die vreemd belangrijke jongen ook, die zomaar door een televisieprogramma wordt opgebeld, bij de hand kan pakken en dat hij dan gewoon meekomt, omdat hij het net zo fijn vindt om bij mij te zijn als ik bij hem.
Het blijft gek, hoe hij aan de ene kant zo vertrouwd voelt, alsof we perfect op elkaar zijn afgestemd, maar aan de andere kant weet ik gewoon dat er hele stukken van hem zijn die ik nog niet ken, en die ik ook voor geen meter kan overzien. Ik krijg er een glimp van als we in mijn kamer zijn, ik hem even loslaat, een pen pak en me weer naar hem toe keer. Zijn gezicht staat ineens heel vreemd. Heel gesloten, heel ijzig. Plotseling zie ik wat hij bedoelt als hij zichzelf als hard omschrijft: ik vond hem toen ik hem voor het eerst zag iets afwerends, iets chagrijnigs hebben, maar dat is nog niets vergeleken met de uitdrukking die hij nu op zijn gezicht heeft. Alle luiken zijn dicht en niets kan hem raken. Zelfs zijn ogen staan koud.
Gelukkig verdwijnt het bijna meteen weer als ik hem mijn pen aangeef en zijn blik de mijne kruist: ik voel hem bijna verzachten.
‘Jezus, Nynk, je moet me beloven dat je niet gelooft wat je over me hoort. Wat je over me gaat horen. Het gaat allemaal niet waar zijn. Jij weet hoe ik ben, hoe ik echt ben, jij weet wat eronder zit. Dat moet je voor ogen houden.’ Hij praat haastig, terwijl hij het nummer van mijn mobiel, dat ik hem op het scherm laat zien, op zijn hand krabbelt. Voor de zekerheid stuur ik hem ook nog maar snel een appje, met een hartje erin; dat ziet hij dan wel als hij zijn mobiel weer heeft opgeladen.
‘Hoe bedoel je, wat ik ga horen?’
‘Nou, ik ga morgen naar Amsterdam. Eerste boot, zo vroeg mogelijk. Ik ga me daar een beetje laten zien, weet je wel, zodat ze niet hier komen. Ik moet er niet aan denken dat ze hier komen. Ik wil dat gewoon niet; ik wil dat ze met hun poten van je afblijven, dat ze zich niet met je bemoeien.’
Ik weet wat hij zegt, wat hij bedoelt. De roddeljournalistiek, hij zegt het allemaal uit bescherming, hij bedoelt het goed. Het wordt me alleen direct zo vreselijk koud om het hart bij de gedachte dat hij weggaat; ik wil dat hij hier blijft, dat ik hem kan zien, dat we tijd met elkaar kunnen doorbrengen! Het is nog allemaal zo vers, zo nieuw, we moeten nog zo veel aan elkaar ontdekken!
‘Nee, Daan, niet doen,’ piep ik, nog voordat ik erover heb nagedacht, ‘niet weggaan! Blijf bij me, hier, op het eiland, hier ben je toch gewoon veilig?’
Hij slaat snel zijn armen om me heen en trekt me zo dicht mogelijk tegen zich aan. ‘Ik moet wel,’ bromt hij in mijn haar, ‘godver, ik moet wel, ik kan je niet meeslepen in al die shit die ze over me hebben gezegd. Ik moet je toch beschermen?’
En dan kust hij me; wild, nat, wanhopig; ik klamp me aan hem vast en kus hem terug, alsof ik hem zou willen opzuigen, aan me ketenen, alsof ik in hem zou willen verdwijnen.
We vallen op mijn bed, we rollen heen en weer in een kluwen van armen en benen, we willen elkaar alleen maar zo goed mogelijk vasthouden, en dan ineens, in een soort razende furie, trekken we elkaars kleren uit – we trekken ze nog net niet stuk – en schuilen we, bloot tot op ons ondergoed, onder mijn dekbed.
Het is heerlijk om hem zo te voelen, zijn huid, zijn warmte; heerlijk en wanhopig, afschuwelijk tegelijk. De gedachte dat hij morgen weg zal zijn ligt als een ijzige wurgslang om mijn hart; bij iedere klop trekt het iets strakker.
‘Wanneer kom je dan terug,’ fluister ik in zijn hals.
‘Ik weet het niet,’ zegt hij verstikt.