Hoofdstuk 3 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Met een bescheiden weekendtasje sta ik op de bus te wachten, een stevig tante Rimi-ontbijt achter de kiezen.
‘Je moet goed eten voordat je zoiets moeilijks gaat doen,’ zei ze ernstig, en ik heb dus braaf opgegeten wat ze me voorschotelde, maar het ligt me nu wel als een steen op de maag. Ik heb nog maar een kop koffie gehaald in het station; die smaakt eigenlijk meer naar warm water met een soort vage hint van koffie, maar het helpt wel een klein beetje om dat ontbijt een paar millimeter verder te laten zakken.
Jee, wat ben ik zenuwachtig. Minstens net zo erg als toen ik naar Amsterdam ging voor de auditiedagen van de toneelschool, maar toen ging ik in ieder geval nog iets doen wat ik leuk vond. Nu ga ik iets doen... Ja, nu ga ik denk ik het engste doen wat ik ooit van mijn leven heb gedaan.
Terwijl ik, inwendig bibberend, in de bus stap, bedenk ik me dat het eigenlijk ook wel passend is: ik heb zo veel schade aangericht door onverantwoord en zonder oog voor gevaar achter van alles aan te rennen: mijn eigen plezier, of genot, of puur het oppermachtige gevoel dat ik mijn zin kreeg. Nu ik dat allemaal moet gaan repareren voel ik pas de angst die ik eigenlijk toen had moeten voelen. Alsof de vrees waarvoor ik altijd hard en lachend ben weggerend, me eindelijk heeft ingehaald. Nu krijg ik meteen een driedubbele portie.
Veel te snel is de bus in Doniawâld, veel te snel ligt mijn vinger op de bel bij de voordeur van de familie Miedema.
De deur gaat open. Mevrouw Miedema staat erachter, vriendelijk, een tikje alternatief gekleed, veel te zachtaardig voor de rotmeiden die we waren. Ze kijkt me vragend aan, ik zie dat ze me niet meteen herkent.
‘Ik ben het, Nynke,’ zeg ik dus, een beetje aarzelend. ‘Of eigenlijk Yvonne, weet u wel? Ik had gebeld?’
Meteen krijg ik een warme glimlach van haar. ‘O, ja natuurlijk, Yvonne, kom binnen. Meid, wat ontzettend aardig van je om langs te komen, je had al een heel verhaal aan de telefoon, maar ik wil het ook nog graag een keer van je horen terwijl we elkaar in het gezicht kijken, hoor! En wat heb je met je mooie lange haar gedaan?’
Ik kan er niets aan doen; ik ben zo zenuwachtig en deze vriendelijkheid is zo niet waar ik op had gerekend, dat ik meteen volschiet. ‘Afgeknipt,’ snuf ik.
‘Och hemel,’ zegt mevrouw Miedema, ‘kom gauw in de woonkamer, wil je iets drinken? Hier is een tissue.’
Ik ga zitten met nog een snuf. ‘Ik, het is gewoon...’ begin ik, en dan denk ik: vooruit, koe bij de horens. ‘Ik, eh, ik kom dus langs om mijn excuses aan te bieden. Voor mijn gedrag, toen ik bij jullie logeerde door de week. Ik vind dat ik me echt heb misdragen, en jullie waren altijd, eh, lief, en gastvrij, en ik was...’ Ik stop met praten omdat ik nu echt zit te huilen.
‘O, meid toch,’ zegt mevrouw Miedema zachtjes. Ze komt naast me zitten en aait me over mijn rug. ‘Jij was een puber die op zoek was naar zichzelf. Net als onze dochter. We wisten heus wel dat jullie rottigheid uithaalden samen, en dat jullie misschien niet de allerbeste invloed op elkaar hadden, maar mijn man en ik zijn ook jong geweest, wij hebben ook gepuberd en onze ouders daar grijze haren mee bezorgd. We gingen er min of meer van uit dat jullie vanzelf wakker zouden worden. Twee van die intelligente meiden; dat kon gewoon niet anders.’
Ik snuf nog een beetje na, laat haar woorden even op me inwerken en vraag dan: ‘Hoe is het met Bente? Woont ze nog thuis?’
Bentes moeder lacht trots, maar ook een klein beetje treurig. ‘Ze is op wereldreis. Heeft ze voor gespaard, al vanaf vlak nadat jij hier van school af was gegaan. Ze zit nu in India, ze houdt een reisblog bij, kijk maar op haar Facebookpagina. Ze filmt heel veel; ze wil reisprogramma’s gaan maken voor de televisie. Geen idee of dat haar gaat lukken, maar in ieder geval doet ze ontzettend haar best. Volgend jaar gaat ze in Amsterdam studeren; media en cultuur aan de UvA.’
‘O, echt?’ Ik zit meteen op het puntje van mijn stoel. ‘Ik ga ook naar Amsterdam volgend studiejaar, ik ben toegelaten op de toneelschool! Ik ga haar zeker een berichtje sturen.’
‘Dat zal ze leuk vinden; ze maakte zich er wel een beetje zorgen over dat ze in Amsterdam helemaal niemand kent, maar ik geloof dat ze bij het reizen al een paar mensen is tegengekomen die ook in Amsterdam wonen. Ik zou het leuk voor jullie vinden, hoor, als jullie contact hielden. Ik vond het altijd fijn dat jullie zo goed met elkaar op konden schieten.’
Ik drink het vruchtensap van – haar kennende – ongetwijfeld biologische herkomst dat mevrouw Miedema voor me heeft neergezet, en luister naar wat ze te vertellen heeft. Over Bentes tijd nadat ik was weggegaan, over Bentes jongere broertje Jorik die dit jaar examen moet doen – die jongen is akelig slim en wordt vast een top-ICT’er die bakken met geld gaat verdienen – en uiteindelijk over meneer Grijpstra, de wiskundeleraar. Het meeste daarvan heeft zich buiten mijn zicht afgespeeld; ik moest vlak nadat het was gebeurd met tante Rimi mee.
Heel Doniawâld heeft het er weken over gehad, volgens mevrouw Miedema: hoe die man zich bijna aan mij had vergrepen, hoe hij werd ontslagen en zijn reputatie te gronde ging. Het was onvoorstelbaar dat zo iemand in een plaatsje als Doniawâld kon wonen en werken; zoiets gebeurde toch alleen in de Randstad?
‘Ik vind het achteraf gezien best wel erg voor hem,’ zeg ik kleintjes, hoewel ik gelukkig niet meer hoef te huilen. ‘Ik bedoel, hij zat wel fout natuurlijk, maar ik was lang niet zo erg het slachtoffer als ik speelde, op dat moment. Als hij me had willen pakken en ik had het absoluut niet gewild, dan was het natuurlijk nooit zover gekomen dat hij en ik daar hadden gestaan, in de lerarentoiletten.’
Mevrouw Miedema kijkt me ineens zo streng aan dat mijn hart een bons geeft. ‘Moet je nou eens even goed naar me luisteren. Jij was, wat, veertien?’
‘Vijftien,’ mompel ik.
‘Nou, vijftien. Nog een kind. Die man was een volwassen kerel van eind veertig. Hij had beter moeten weten. Natuurlijk is de zaak niet zo zwart-wit als hij lijkt, dat snap ik ook wel, maar dan nog kun je jezelf niets verwijten. Al had je voor zijn neus in je blootje de cancan gedanst, dan nog had hij niets mogen doen. Ja, hij had zijn jas uit moeten trekken en die aan jou moeten geven, dat is wat hij had mogen doen.’
Ik moet van dat hele beeld toch een klein beetje grinniken, ondanks alles. Ik zie mezelf al staan, zo bloot, en dan hop, hop, beentjes in de lucht...
‘En wat je door de telefoon zei, dat je vindt dat je iedereen je verontschuldigingen moet aanbieden: het is een prachtig sentiment, maar dus niet aan hem. Hij verdient ze niet, geloof mij nou maar. Je was helaas niet het enige meisje aan wie hij zich heeft vergrepen, al was jij wel degene die er het meeste lawaai om heeft gemaakt. Al die andere meisjes durfden niets te zeggen, maar na jou kwam natuurlijk alles uit. Gelukkig heeft zijn vrouw hem ongeveer per direct op straat gezet toen hij eenmaal was ontslagen. Ze heeft zijn laptop naar de politie gebracht, omdat ze vermoedde dat er allerlei viezigheid op zou staan, en inderdaad: kinderporno, foto’s en filmpjes, de meest vreselijke scènes. Ook filmpjes met meisjes die hij als leerling had gehad, dus. Hij zit nog steeds in de gevangenis, heb ik gehoord, of in zo’n instelling waar je dan verplicht therapie krijgt. Mevrouw Grijpstra heet intussen weer mevrouw Van Dijk.’
‘Jeetje,’ zeg ik zachtjes. Ik had geen idee dat de hele situatie nog zo’n lange staart had gekregen. En ineens bekruipt me het gevoel dat ik met die man door het oog van de naald ben gekropen: ik dacht in al mijn jeugdige overmoed dat ik hem naar mijn hand zette door een beetje met mijn seksualiteit te stunten, maar misschien lag het wel veel complexer. Wie weet was ik ook wel voor zijn lens terechtgekomen, wie weet had er dan nu een pornofilm met mij in de hoofdrol gecirculeerd in een circuit waar je verder niet over na wilt denken.
Nou, dat had mijn verdere carrière als actrice geen goed gedaan, denk ik sarcastisch, waarna ik mijn laatste slok vruchtensap naar binnen giet, op mijn horloge kijk en tegen mevrouw Miedema zeg: ‘Ik vind het echt ontzettend fijn om even met u te hebben gepraat, maar ik moet eigenlijk gaan. Als ik de eerstvolgende bus naar de veerhaven niet heb, dan mis ik de boot en ben ik te laat voor het eten bij mijn ouders, en dat lijkt me echt een slechte binnenkomer als ik eigenlijk sorry wil zeggen!’
Mevrouw Miedema en ik nemen hartelijk afscheid van elkaar. Ik krijg drie zoenen en een voedselpakketje mee voor in de bus: twee stevige bruine boterhammen met kaas, een appel en een pakje sinaasappelsap. Alsof ik weer opnieuw vijftien ben, of nog jonger.
‘Doe je ouders maar de groeten van me, en veel succes, hè meid? Ik vind het hartstikke goed van je dat je dit doet, hoor,’ zegt ze nog, en ze zwaait me uit als ik de straat in loop.
Eerste hindernis genomen, en tot nu toe viel het me honderd procent mee.