Hoofdstuk 7 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Om tien uur stap ik op de fiets, het regenjasje dat mijn moeder me nog snel in mijn handen heeft gedrukt hangt over het stuur.
‘Neem nou maar mee, kind; het ziet ernaar uit dat het straks vreselijk gaat plenzen, en het waait ook al stevig. Als we geluk hebben gaat die storm uit Engeland net langs ons heen, maar je ziet al aan de lucht dat we in ieder geval vies weer gaan krijgen.’ Mijn tegenwerpingen dat ik waarschijnlijk zo weer terug ben veegt ze van tafel met een van haar moederblikken.
Stampend tegen de wind in fiets ik de duinweg op. De lucht is inderdaad verre van schoon. Mijn vader zegt altijd: ‘Er hangt een hemd in de lucht,’ als er zo’n dreigende, donkergrijze wolk verschijnt. Ik weet ook niet precies waar dat vandaan komt, maar als kind stelde ik me dan voor dat er ergens een reus was die zijn viezige, verwassen onderhemmetje had uitgetrokken en aan een of andere reuzenwaslijn te luchten had gehangen.
Nou, zoiets hangt er dus in de lucht. Het is nog boven zee, maar het zal me verbazen als we er niet op z’n minst een puntje van meekrijgen in de loop van de dag.
Een onverwachte windstoot, als ik een duintopje heb beklommen, blaast me bijna van de fiets, de doornstruiken in. Als ik straks terugga hoef ik waarschijnlijk nauwelijks te trappen, dan zoef ik zo de weg weer af naar het dorp.
Het zweet staat me op de rug als ik om kwart over tien mijn fiets vastzet bij de fietsenplek; ik heb in Leeuwarden veel te weinig gefietst de laatste tijd. Misschien is het toch wel slim als ik nog een beetje aan mijn conditie ga werken voordat ik aan de opleiding begin; acteren is tenslotte iets fysieks.
Het laatste stukje loop ik de duinweg op naar de Vis. Ik zie de Land Rover van Axel al staan, en die roestbus van Vinnie, en er staan ook twee van die malle elektrische karretjes, met het logo van de Vis erop. Het is – zo te zien aan het aantal fietsen, namelijk: vier – nog niet erg druk binnen, maar ze zijn wel open. Het bord staat voor de deur. NIEUWE KAART, staat erop. En: LIVEMUZIEK OP HET TERRAS VANAF 15.00 UUR.
Binnen is het iets minder leeg dan ik had gedacht: er zitten wat mensen in wandelkleren koffie te drinken, of na te genieten van hun ontbijt; die logeren dan zeker in de huisjes in de duinen. Ik sta bij de deur, even de kat uit de boom te kijken, moed te verzamelen ook, en word dan onverwachts bijna omvergelopen door Axel, die een stapel linnengoed onder zijn arm heeft.
‘Ho,’ zegt hij met die lage stem van hem, terwijl hij me met zijn vrije hand even bij mijn arm grijpt. ‘Sorry, ik had je niet verwacht, daar. Hé, jij bent toch... de jongste van Olivier?’
‘Ja, Nynke,’ zeg ik snel. ‘Hoi Axel, lang niet gezien.’
Hij trekt zijn wenkbrauwen even op. ‘Je was heel lang niet op het eiland, en... je heette toch anders?’
Ik vond Axel altijd zo’n leuke vent, niet in de zin van ‘een leuke jongen’, hoewel hij er echt niet beroerd uitziet – en hij is volgens mij alleen nog maar breder geworden – maar omdat hij zo apart is. Hij praat weinig, hij doet dingen helemaal op zijn eigen manier, hij trekt zich gewoon nergens iets van aan. Dat wilde ik natuurlijk vroeger ook – misschien nog wel een beetje: zo’n soort ongenaakbare eigenheid. Niet dat hij niet vriendelijk is, trouwens, want dat is hij juist wel. Hij is alleen niet heel uitbundig.
‘Ja, ik woonde bij mijn tante in Leeuwarden de afgelopen jaren, en vroeger noemde ik mezelf Yvonne, maar dat is eigenlijk mijn tweede naam,’ zeg ik snel, en voor de zoveelste keer. ‘Officieel is het Nynke.’
‘Hm,’ zegt Axel. Hij bekijkt me even van top tot teen. ‘Je bent helemaal niet zo’n Yvonne,’ bromt hij dan. ‘Wil je een bakkie koffie?’
Even later zit ik aan de bar met een kop koffie met een klaverblaadje in het melkschuim. Van achter de bar grijnst Cam me tegemoet. Die is veranderd! Hij had vroeger altijd superkort haar, maar nu heeft hij een bos rossig blonde kurkentrekkers op zijn hoofd, die al bijna tot op zijn schouders hangen. Hij was altijd een rare; dronk veel te veel, gebruikte ook wel eens, als ik Leon mocht geloven, en hij deed het echt met iedereen. Hij kon het wel goed, zeiden ze allemaal; ik was toen natuurlijk veel te jong voor hem, maar toch, ik weet nog dat ik in al mijn overmoed baalde dat hij me nooit zag staan. Hij lijkt nu veel relaxter, en op een bepaalde manier een beetje verwilderd, of zo. Hij was vroeger een kakker, en dat zag je ook meteen aan hem, maar nu zou je dat helemaal niet meer van hem zeggen. Hij ziet er eerder uit als... ik weet het eigenlijk niet, hij ziet er denk ik gewoon uit als zichzelf. Blijkbaar doet het eilandleven hem goed.
Als hij tegen me begint te praten, met pretlichtjes in zijn ogen, merk ik dat de oude Cam nog niet helemaal is verdwenen, hoewel ik vrijwel zeker weet dat hij een soort parodie van zijn oude zelf doet. ‘Heer Vincent beweerde gisteren al dat hij je trof bij de veerhaven, en dat hij je even thuis had gebracht. We hadden reeds een duister vermoeden dat je ons met een bezoek zou vereren, vandaag; ik deduceer daaruit dat je je met mijn verloofde wilt onderhouden.’
Ik neem snel een slok koffie en knik. Kan die man gedachtelezen?
‘Het is minder mysterieus dan het lijkt,’ zegt hij, in antwoord op mijn waarschijnlijk bijna tastbare verwarring. ‘Gisteravond, toen jij nog even iets ging drinken in de Boei, hebben Vinnie en je vader contact gehad. Iets politieks, waar ik me inhoudelijk verre van houd. Maar je vader deelde iets mede over het doel van je komst, en Vin deelde dat dan weer met zijn collega’s hedenmorgen. Zodoende. Dat je niet veronderstelt dat er hier paranormale krachten in het spel zijn, want die zijn er niet: het is niet meer dan de dorpstamtam.’
Ik knijp even mijn ogen dicht. O ja, iedereen weet altijd alles van elkaar. Ik hoef waarschijnlijk helemaal niet langs al die mensen; ze hebben het toch allemaal al van elkaar gehoord.
‘Wil Mayke wel met me praten, denk je?’ vraag ik zachtjes.
Cam stopt even met glazen poetsen, trekt zijn wenkbrauwen op en kijkt me nadenkend aan. ‘Maak je je daar zorgen over?’
‘Nou, ja en nee, denk ik; ik wil me dus verontschuldigen voor hoe ik vroeger was, en het is heel raar, maar iedereen die ik erover spreek doet het een beetje af als onbetekenend pubergedrag. Maar voor mij is het best wel moeilijk allemaal, en ik schaam me ook echt; ik weet nou niet meer of ik de zenuwen moet hebben omdat ik mijn excuses moet maken, of omdat ik me de hele tijd druk heb gemaakt om niks.’
Vincent komt aangekuierd, relaxed als altijd. Hij vangt mijn laatste woorden op. ‘Je moet sowieso nooit de zenuwen hebben,’ zegt hij, en even legt hij een hand op mijn schouder. ‘Daar is echt nog nooit iemand beter van geworden. Ik vind het wel klasse van je, dat je het goed wilt maken, ook al zeggen mensen dat het niet had gehoeven. Je bedoelingen zijn toch goed?’ Hij keert zich even naar Cam. ‘Niet om het een of ander, maar heb je die lucht gezien? Ik denk dat we de windmolen stil moeten zetten. Hij staat als een malle te draaien, nog even en hij stijgt zo’n beetje op. Martin ligt nog op één oor, ik weet niet hoe hij en Mandy dat doen met dat kleintje, maar ik wil ze eigenlijk niet storen.’
Cam knikt, legt zijn poetsdoek neer en komt achter de bar vandaan. ‘Als het goed is zouden de rotorbladen automatisch in de vaanstand moeten gaan staan bij een bepaalde windkracht, en dan zou hij als vanzelf moeten stoppen. Laten we even gaan kijken. Waar is Ax? Hij weet tenminste iets van techniek.’
Cam en Vincent verdwijnen samen de keuken in; ik blijf achter met mijn koffie en kijk door de ramen in de serre naar buiten. Achter het terras liggen de huisjes; ze hebben hier hard gewerkt de afgelopen tijd. Toen ik van het eiland af ging was er nog bijna niets, een bouwplaats met een hoop rommel; nu hebben ze er volgens mij wel een stuk of tien, met een keurig schelpenpaadje dat naar ieder huisje voert. Op de daken zitten zonnepanelen, voor ieder huisje is een bescheiden tegelterrasje met zo’n Frans terrastafeltje met een marmeren blad, en kleine klapstoeltjes. Het ziet er supergezellig uit. Volgens mij zijn er maar een paar huisjes bezet; vooraan is een wat groter huisje dat er ook meer uitziet alsof het vaste bewoners heeft, daar zal die broer van Wende wel in zitten met zijn gezin. Mijn vader heeft me verteld dat zij het beheer doen van de huisjes, en dat hij ook nog architect is: hij tekent aan de lopende band serres en dakkapellen en schuren en wat dan ook voor iedereen, en schijnt bezig te zijn met een heel zorgvuldig restauratieplan voor de kerk.
Terwijl ik kijk gaat bij een van de achterste huisjes de deur open en komt die vervelende gast van gisteren naar buiten. Die Sjaak. Hij heeft zijn haar los; het waait meteen om zijn hoofd, en terwijl hij richting het terras van de Vis loopt kijkt hij even mismoedig naar de lucht en bindt hij zijn rondvliegende haar snel in een staartje in zijn nek.
Lange jongen, wel. Goedgebouwd. Zeker niet dik, maar ook niet mager. Alles precies in verhouding. Hij heeft een mooie manier van lopen, vind ik, nu ik hem kan bestuderen zonder dat hij het in de gaten heeft. Soepel, zelfverzekerd. Jammer dat hij zo’n humeurige, afwerende uitstraling heeft; dat hij zo onbenaderbaar doet. Ik zou best een keer met hem willen praten over zijn ervaringen als muzikant, of zoiets. Wie weet heeft hij tips, kan ik er iets van leren. Wat ik wil doen is toch ook entertainment, al is het van een iets andere orde, en ik zal zelf toch ook iets met muziek moeten, in de opleiding. Ik zal in ieder geval moeten zingen. Ik vind dat stiekem wel een griezelig idee, maar aan de andere kant hou ik van muziek; vaak als ik luister droom ik ervan dat ik zelf iets zou kunnen zingen, en dat het dan heel mooi was, zo mooi dat mensen helemaal ontroerd raakten... Ik weet niet of ik daar ooit kom, maar ik zou dat wel fantastisch vinden.
Ik heb gisteravond in bed op Spotify een beetje zitten luisteren; ik vond een dromerige, folky playlist die me wel beviel. Ik kan me soms ook helemaal verliezen in muziek als het dichterlijk is, met mooie beelden in de tekst en verrassende harmonieën. Ik weet niet echt naar wie of wat ik allemaal heb zitten luisteren, ik bleef alleen hangen aan een nummer dat ‘Sunshine’ heet; ik had het nog nooit eerder gehoord, maar ik heb het misschien wel vier keer achter elkaar gedraaid. Het leek wel of het over mij ging: een vraag om hulp om vanuit het duister naar het licht te komen, het zelfinzicht dat het genoeg is geweest en dat het tijd is om te genezen, en een zoektocht naar vergeving. Waarvoor wordt niet precies uitgelegd in het liedje, maar dat hoeft ook eigenlijk niet.
Ik zucht; als ik zo naar de lucht kijk kan ik het wel op mijn buik schrijven om nog sunshine te zien op het eiland voordat ik vanmiddag de boot pak. Het is grijs, grauw, en verderop op zee hangt in de lucht nog steeds dat reuzenhemd van mijn vader. Zo grijs dat het bijna zwart is, en het is al een stuk dichterbij dan toen ik wegfietste van huis.
Toch, tot mijn verrassing, zit er even een klein gat in de grauwe wolken: even priemt er een eenzame zonnestraal doorheen naar beneden. Schuin het terras op, zo absurd scherp dat je hem bijna zou kunnen aanraken. Botergeel en warm tussen al die grauwigheid.
Sjaak stapt er precies in, op zijn weg naar de serre, en hoewel hij niet echt vaart mindert kijkt hij wel even schuin omhoog. Zijn gezicht vangt het zonlicht, misschien een of twee seconden maar, en ineens zit ik als aan mijn kruk genageld.
Hij is belachelijk mooi.
Onaards, onwerkelijk.
Nog nooit zoiets gezien.
Ik had dat helemaal niet gemerkt, gisteren, en het moment is ook meteen weer voorbij als hij doorbeent, de lichtstraal uit, maar even, heel even, stond mijn hart zo ongeveer stil door de aanblik van zijn gezicht.
Ik neem gauw een slok koffie en probeer onaangedaan te blijven, maar nog voordat ik mezelf weer een beetje in de plooi heb hoor ik naast me: ‘Je wilde me spreken?’
Het klinkt niet zo heel vriendelijk.
Ik kijk op uit mijn koffiekopje en zie Mayke staan, met een schort voor en een theedoek aan de punt door de band getrokken. Haar haar zit in een knotje en ze ziet er zo’n beetje hetzelfde uit als vroeger, maar toch ook weer niet. Ze was altijd al een mooi meisje, mooi zonder er echt moeite voor te doen: op zo’n frisse, schoongewassen, noordelijke manier was ze mooi, en dat is nog niet veranderd. Maar ze is absoluut geen meisje meer. Ze is een vrouw, zelfverzekerd en professioneel.
Ik voel me hier het meisje. Ik voel me een buitenstaander, in de Vis, op het eiland, te lang weg geweest maar nog te jong om serieus te worden genomen. De rollen zijn volledig omgedraaid: vroeger ervoer ik een soort raar illegaal, prikkelend gevoel van macht, omdat het me als zestienjarige lukte om haar vriendje af te pikken, al was het maar voor een uurtje, en vond ik haar een sukkel dat ze het niet doorhad.
Nu ben ik hier de sukkel.
‘Ik, eh, ja,’ hakkel ik, met volgens mij een kop als een boei. Ik was al niet op mijn allerzelfverzekerdst, maar dat rare momentje daarnet met Sjaak en die zonnestraal maakt het er echt niet beter op.
Ze kijkt me verwachtingsvol aan, en ook wel een beetje cynisch.
Ik haal diep adem, slik, vergaar mijn moed en zeg het dan maar gewoon. Recht in haar gezicht. ‘Mayke, ik ben langsgekomen om te zeggen dat het me spijt dat ik achter je rug om met Leon heb gerommeld. Ik schaam me kapot voor hoe ik vroeger was, en ik kwam erachter toen ik aan de slag ging met mijn vervolgopleiding, dat ik daar iets aan moet doen. Dat ik mijn excuses moet maken. Dus. Hier ben ik. Het spijt me.’
Ik krijg een peilende blik van Mayke. Dan kijkt ze naar haar handen, en even naar de grond. ‘Ik vind het wel karakter van je dat je dit doet,’ zegt ze uiteindelijk. ‘Ik had het niet achter je gezocht. Dat je je er iets van zou aantrekken, wat andere mensen zeggen, of denken. Of voelen.’
‘Ik ben denk ik wel veranderd,’ mompel ik zachtjes en verlegen. Vanuit mijn ooghoek zie ik Sjaak binnenkomen; hij loopt meteen door naar de bar en eindigt min of meer naast me. Achter mijn rug, want ik zit naar Mayke gedraaid op mijn kruk.
‘Hoi,’ bromt hij tegen niemand in het bijzonder.
‘Hé, Sjaak, goed geslapen?’ zegt Mayke, op een vriendelijker toon dan die ze tegen mij gebruikte.
Ik draai een stukje op mijn kruk, zodat ik hem aan kan kijken, en zeg – ineens vanbinnen vreselijk verlegen: ‘Hoi, Sjaak.’
‘Zusje van Tjeerd. Ik dacht al dat jij het was. Wat kom je doen? Ik ga niet spelen, hoor, het is veel te lelijk weer.’
Ik slik. Denkt hij nou dat ik voor hém hiernaartoe ben gekomen? ‘Daar ben ik hier ook niet voor,’ zeg ik, misschien iets te bits. ‘Ik kwam sorry zeggen tegen Mayke, omdat ik vroeger iets ontzettend stoms heb gedaan, waar ik haar misschien wel verdriet mee heb gedaan, en daar zit ik nogal mee. Dus dat.’ En ik keer me weer een stukje van hem af. Waar haalt hij het vandaan om zomaar aan te nemen dat ik speciaal voor hém... Ik zou het liefst heel hartgrondig ‘jezus christus!’ zeggen, maar mijn tante, met al haar kerkelijkheid, heeft het in de mond nemen van de naam van de Heer er systematisch uit getraind de afgelopen jaren.
‘Dat is volkomen onnodig,’ zei ze dan pinnig. ‘Het is godslastering, ruw en beledigend.’
Ik vond dat in eerste instantie volkomen idioot, belachelijk gewoon, maar blijkbaar ben ik toch beter gedrild dan ik dacht. Ik zeg dus niets. Maar ik voel vlak naast de ergernis over de zelfingenomenheid van die vent ook nog de ademloze verwondering van de aanblik van zijn gezicht in die ene zonnestraal. Ik kan een rilling niet onderdrukken.
‘Is het hier koud?’ vraagt Mayke meteen. ‘Buiten is het niet zo feestelijk, maar we moeten niet hebben dat de gasten binnen ook zitten te kleumen, natuurlijk.’
Ik schud mijn hoofd.
‘Waar zijn de jongens eigenlijk gebleven? Cam heeft bardienst, want Milena is thuis vandaag, en Ax en Vin zouden in de bediening lopen. Wende komt waarschijnlijk pas tegen lunchtijd, ze was niet zo lekker vanochtend, eh...’ Ze kijkt even langs me heen naar Sjaak. ‘Zal ik vast een kop koffie voor je maken? Ik kan het niet zo goed als Cam, maar het is heus wel binnen te houden.’
‘Kan ik ook wel zelf,’ zegt Sjaak, met nog een schuine, stuurse blik mijn kant op.
‘Nou, ga je gang, zou ik zeggen.’
Sjaak loopt om de bar heen en begint daar te rommelen, en ik zeg: ‘Cam riep dat ze iets moesten met de windmolen, dat hij stilgezet moet worden? Hij ging samen met Vinnie naar achteren, zag je ze niet?’
‘Zat ik zeker net in de vriescel.’
Op dat moment komt Axel binnen, via de voordeur. Hij ziet er verwaaid uit, zijn halflange, bruine krullen staan alle kanten op, en hij heeft iets verwilderds in zijn anders zo onverstoorbare blik. Hij beent naar Mayke en vraagt gehaast: ‘Is Mart al gesignaleerd? De windmolen remt niet goed; hij draait wel vrij intussen, maar de rotorbladen zijn niet helemaal vlak in de vaanstand gekomen, dus hij blijft vaart maken. Voordat die zwarte wolk daar aan land komt moeten we hem eigenlijk wel stilgezet hebben, anders waait die hele rotor er nog af. Of hij vliegt in de fik; op een goed moment wordt die frictie toch te veel, al loopt hij vrij.’
‘Niet zo technisch,’ zegt Mayke meteen, ‘daar snap ik toch geen hout van. Ik zal eens appen, kijken of er al iemand wakker is in hun huisje. Ik snap wel dat ze hun tijd pakken, als die kleine nog slaapt, maar...’ Ze heeft haar mobiel al uit haar zak gevist. ‘Als hij niet reageert loop ik er wel even heen.’ Maar vrijwel direct nadat ze haar bericht heeft verstuurd, vliegt de deur van het grotere huisje open en beent een grote, blonde vent in een wit T-shirt en lichtblauwe jeans naar buiten, met één arm in een rood geruite flanellen blouse. Tegen de tijd dat hij bij de bar is aanbeland heeft hij de blouse helemaal aan en vrijwel direct ontspint zich een onnavolgbare technische dialoog tussen Axel en deze Martin, waar Mayke en ik helemaal niets van begrijpen, maar waarvan de urgentie ons niet ontgaat.
De molen moet worden stilgezet, en snel een beetje.
‘Vorige week deed hij ook al raar,’ zegt Martin geërgerd, ‘maar ineens was dat weer over. Ik had hem ook meteen uit elkaar moeten halen. Weet je nog wat er met je oude aggregaat gebeurde toen hij mankementen begon te vertonen? Boem!’
‘Hm,’ zegt Axel duister.
Sjaak is intussen, kop koffie in de hand, weer om de bar heen gelopen. Het is vreemd, maar ik blijf me maar pijnlijk bewust van die jongen. Alsof ik een steentje in mijn schoen heb; ik voel gewoon de hele tijd dat hij ergens in de buurt is.
‘Je kunt hem toch remmen met een riem,’ zegt hij, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
‘Moet je die wel eerst om de as heen krijgen,’ bromt Axel.
‘Dat zou eventueel wel kunnen,’ zegt Martin nadenkend, ‘als ik erin klim moet dat me wel lukken, denk ik, alleen het contragewicht dat nodig is... Wat zou het zijn, minstens vijfhonderd kilo?’
‘Ik kan hem aan de LaRo hangen,’ zegt Axel, ‘die is zwaar genoeg.’
‘Ja, maar dan trek je hem scheef. En als je wegrijdt vliegt zo die gondel eraf.’
‘Als tegenwicht, man, ik ga toch niet rijden?’
‘Als we er met z’n allen aan gaan hangen kom je ook wel op vijfhonderd kilo, hoor,’ zegt Sjaak droog. ‘Zeker als de dames meehelpen. No offence.’