Hoofdstuk 1 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
VUURHART HUIVERDE. Zijn vlammend oranje vacht was nog steeds groenblad-licht; het zou nog een paar manen duren voor die dik genoeg was om deze kou tegen te houden. Zijn voorpoten schuifelden over de harde aarde. Eindelijk werd de hemel lichter nu de dageraad langzaam aan kwam sluipen. Maar hoe koud zijn poten ook waren Vuurpoot kon er niets aan doen dat hij gloeide van trots. Na vele maanden als leerling was hij eindelijk krijger geworden.
In gedachten beleefde hij nog eens de overwinning van gisteren in het SchaduwClankamp: de glinsterende ogen van Brokkelster die met dreigend gesis terugdeinsde voor hij de bossen invluchtte achter de andere verraders aan.
De overgebleven SchaduwClankatten waren de DonderClan dankbaar geweest voor hun hulp bij het verjagen van hun wrede leider en voor de periode van vrede die de DonderClan hen had beloofd zodat ze weer op krachten konden komen. Brokkelster had niet alleen zijn eigen Clan in chaos achtergelaten, hij had de volledige WindClan uit hun kamp en uit het hele Clangebied verdreven. Hij wierp zijn duistere schaduw al over het woud voor Vuurhart zijn poesiepoesleven achter zich had gelaten om zich bij de DonderClan aan te sluiten.
Maar er hing nog een schaduw over Vuurhart: Tijgerklauw, de commandant van de DonderClan.
Vuurhart huiverde bij de gedachte aan de grote DonderClankrijger die zijn leerling, Ravenpoot, had geterroriseerd. Uiteindelijk hadden Vuurhart en zijn beste vriend, Grijsstreep, de doodsbange leerling geholpen te ontsnappen naar het tweebeenterritorium achter het hoogland. Daarna had Vuurhart de Clan wijsgemaakt dat Ravenpoot door de SchaduwClan was gedood.
Als het waar was wat Ravenpoot over Tijgerklauw had verteld, dan was het maar beter dat de DonderClancommandant geloofde dat zijn leerling dood was, want hij kende een geheim dat Tijgerklauw koste wat kost verborgen wilde houden. Ravenpoot had Vuurhart verteld dat de machtige cyperse krijgskat Roodstaart, een eerdere DonderClancommandant, had gedood, in de hoop dat hij de nieuwe commandant zou worden… wat uiteindelijk inderdaad was gebeurd.
Vuurhart schudde zijn kop om zich van deze donkere gedachten te bevrijden en draaide zich om naar Grijsstreep die naast hem zat. Grijsstreep had zijn dikke grijze vacht opgezet tegen de kou. Hij keek vast ook uit naar de eerste zonnestralen, dacht Vuurhart, maar hij zei het niet hardop. De Clantraditie eiste stilte deze nacht. Dit was hun wacht — de nacht dat een nieuwe krijger zijn Clan bewaakte en nadacht over zijn nieuwe naam en status. Tot gisteravond had Vuurhart bekend gestaan onder zijn leerlingnaam Vuurpoot.
Halfstaart was een van de eerst katten die wakker werd. Vuurhart zag de oude kat bewegen in de schaduwen van het hol van de oudsten. Hij wierp een blik op het krijgershol aan de andere kant van de open plek. Tussen de takken die het hol beschutten door herkende hij de brede schouders van de slapende Tijgerklauw.
Aan de voet van de Hogesteen bewogen de mosslierten voor de ingang van Blauwsters hol, en Vuurhart zag zijn Clanleider naar buiten komen. Een ogenblik bleef ze staan om de lucht op te snuiven, daarna stapte ze onhoorbaar uit de schaduw van de Hogesteen zodat haar langharige vacht blauwgrijs glansde in het licht van de dageraad. Ik moet haar waarschuwen voor Tijgerklauw, dacht Vuurhart. Blauwster had met de rest van de Clan om Roodstaarts dood gerouwd in de veronderstelling dat hij in het gevecht was gedood door Eikenhart, de commandant van de RivierClan. Vuurhart had tot nu toe geaarzeld omdat hij wist hoe belangrijk Tijgerklauw voor haar was, maar het gevaar was te groot. Blauwster moest weten dat er een koelbloedige moordenaar rondliep in haar Clan.
Tijgerklauw kwam het krijgershol uit en ontmoette Blauwster op de rand van de openplek. Hij murmelde iets tegen haar waarbij zijn staart snel heen en weer zwaaide.
Vuurhart smoorde zijn instinctieve begroetingsmiauw. De hemel werd lichter, maar tot hij zeker wist dat de zon boven de horizon was uitgekomen, durfde hij de stilte niet te verbreken. Ongeduld fladderde als een gevangen vogeltje in zijn borst. Hij moest zo snel mogelijk met Blauwster spreken. Maar het enige wat hij nu kon doen was de twee passerende katten eerbiedig toeknikken.
Grijsstreep naast hem gaf Vuurhart een duwtje en wees met zijn neus naar boven. Een oranje gloed werd zichtbaar aan de horizon.
‘Blij de zonsopgang te zien, jullie twee?’ Witstorms diepe stem kwam voor Vuurhart als een verrassing.
Hij had de witte krijgskat niet aan zien komen. Vuurhart en Grijsstreep knikten allebei.
‘Het is in orde, jullie mogen nu spreken. Jullie wacht is voorbij.’ Witstorms stem klonk vriendelijk. Gisteren had hij zij aan zij gevochten met Vuurhart en Grijsstreep in het gevecht met de SchaduwClan. Er blonk nieuw respect in de ogen waarmee hij hen aankeek.
‘Bedankt, Witstorm,’ miauwde Vuurhart dankbaar. Hij stond op en strekte een voor een zijn verstijfde poten.
Grijsstreep kwam ook moeizaam overeind. ‘Brrrr!’ mauwde hij en schudde de kou uit zijn vacht. ‘Ik dacht dat die zon nooit zou op komen!’
Een honende stem miauwde van buiten het leerlingenhol: ‘De grote krijger spreekt!’
Het was Zandpoot, met een dikopgezette oranje vacht van vijandigheid. Schorspoot zat naast haar. Door zijn donkere pels leek hij Zandpoots schaduw. Hij zette gewichtig zijn borst op en mauwde spottend: ‘Het verbaast me dat zulke helden kou voelen!’ Zandpoot snorde geamuseerd.
Witstorm wierp de leerlingen een strenge blik toe. ‘Ga wat te eten halen en daarna slapen,’ beval hij Vuurhart en Grijsstreep. Daarna draaide de oudere krijgskat zich om en stapte naar het leerlingenhol. ‘Vooruit, jullie twee,’ mauwde hij tegen Zandpoot en Schorspoot. Het is tijd voor jullie training.’
‘Ik hoop dat hij ze de hele dag achter blauwe eekhoorns aan laat jagen,’ siste Grijsstreep tegen Vuurhart terwijl ze naar de hoek liepen waar nog wat prooi van gisteren was overgebleven.
‘Maar blauwe eekhoorns bestaan helemaal niet,’ miauwde Vuurhart in verwarring.
‘Precies!’ Grijsstreeps ambere ogen glinsterden.
‘Je kunt het ze eigenlijk niet kwalijk nemen. Zij waren al in training nog vóór wij dat waren,’ suste Vuurhart. ‘Als ze gisteren mee hadden gevochten zouden ze waarschijnlijk ook krijgers zijn geworden.’
‘Misschien.’ Grijsstreep haalde zijn schouders op. ‘Hee, kijk!’ Ze waren bij de hoop prooi aangekomen. ‘Voor ieder een muis en nog samen een vink ook!’
De twee vrienden pakten hun eten op en keken elkaar aan. Grijsstreeps ogen fonkelden ineens van verrukking.
‘Ik neem aan dat we hiermee nu naar de krijgerskant van het kamp moeten gaan,’ miauwde hij.
‘Dat denk ik ook,’ snorde Vuurhart en stapte achter zijn vriend aan naar de kluit brandnetels waar ze Witstorm, Tijgerklauw en de andere krijgskatten zo vaak samen hadden zien eten.
‘En nu?’ vroeg Grijsstreep toen hij zijn laatste hap naar binnen had geschrokt. ‘Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik zou wel een halve maan lang kunnen slapen.’
‘Ik ook,’ viel Vuurhart hem bij.
De twee vrienden stonden op en begaven zich naar het krijgershol. Vuurhart stak zijn kop tussen de laaghangende takken door naar binnen. Muisbont en Langstaart lagen nog steeds te slapen aan de andere kant van het hol.
Hij drong naar binnen en zocht een plekje mos aan de rand op. Hij rook dat die plek niet door een andere kat als slaapplaats werd gebruikt. Grijsstreep installeerde zich naast hem.
Vuurhart hoorde Grijsstreeps regelmatige ademhaling al snel overgaan in gedempt gesnurk, Vuurhart voelde zich al even uitgeput, maar hij brandde nog steeds van verlangen om met Blauwster te praten. Van waar hij lag, met zijn kop plat op de grond, kon hij nog net de ingang van het kamp zien. Hij bleef ernaar staren wachtend op de terugkeer van zijn leider, maar geleidelijk vielen zijn ogen dicht en gaf hij zich over aan zijn behoefte aan slaap.
Rondom hoorde Vuurhart een gebulder als wind in hoge bomen. De zure stank van het donderpad prikte in zijn neus, samen met een nieuwe lucht, nog scherper en angstaanjagender. Vuur! Vlammen kropen omhoog naar de donkere hemel en joegen gloeiende vonken op in een sterrenloze nacht. Tot Vuurharts verbazing gleden silhouetten van katten langs het vuur. Waarom renden zij niet weg?
Een van hen bleef staan en keek Vuurhart recht aan. De nachtogen van de kater glommen in het duister en hij hief zijn lange rechte staart op in een soort begroeting.
Vuurhart trilde toen de herinnering bij hem opkwam van wat Spikkelblad, de vroegere medicijnkat van de DonderClan, voor haar veel te vroege dood tegen hem had gezegd: ‘Vuur zal de Clan redden!’ Zou dat iets te maken hebben met deze vreemde katten die niet bang voor vuur leken te zijn?
‘Wakker worden, Vuurhart!’
Wakker geschrokken uit zijn droom schoot Vuurharts kop omhoog.
‘Je mauwde in je slaap!’
Nog steeds versuft kwam Vuurhart overeind en schudde zijn kop. ‘J-ja, Tijgerklauw!’ Gealarmeerd vroeg hij zich af of hij Spikkelblads woorden hardop had herhaald. Hij had al eerder zo gedroomd — dromen die zo levendig waren dat hij ze kon proeven, en die later uitgekomen waren. Vuurhart wilde absoluut niet dat Tijgerklauw zou vermoeden dat hij krachten had die de SterrenClan gewoonlijk alleen aan medicijnkatten gunden.
De maan scheen door de bladerwand van het hol. Vuurhart besefte dat hij de hele dag geslapen moest hebben.
‘Jij en Grijsstreep zullen je bij de avondpatrouille aansluiten,’ vertelde Tijgerklauw hem. ‘Schiet op!’ De donkere cyperse kater draaide zich om en stapte het hol uit.
Vuurhart voelde de vacht op zijn schouders ontspannen. Tijgerklauw had kennelijk niets ongewoons aan zijn droom opgemerkt. Maar al was Vuurharts geheim veilig, hij was vastbesloten de moorddadige waarheid over Tijgerklauws rol bij Roodstaarts dood te onthullen.
* * *
Vuurhart likte over zijn lippen. Grijsstreep lag naast hem zijn flank te wassen. Ze waren net klaar met hun maaltijd naast de open plek van het kamp. De zon was ondergegaan en Vuurhart zag de maan, al bijna vol nu, stralen in een koude, heldere hemel. Ze hadden het de afgelopen dagen heel druk gehad. Het leek alsof Tijgerklauw ze telkens als ze gingen uitrusten, weer op patrouille of op jacht stuurde. Vuurhart was gespitst op een kans Blauwster alleen te spreken, maar wanneer hij er niet door Tijgerklauw opuit werd gestuurd, leek de leider van de DonderClan altijd haar commandant bij zich te hebben.
Vuurhart begon zijn poot te likken terwijl zijn ogen hoopvol het kamp rondkeken naar Blauwster.
‘Waar zoek je naar?’ miauwde Grijsstreep langs een tong vol vacht.
‘Blauwster,’ antwoordde Vuurhart en liet zijn poot zakken.
‘Waarom?’ Grijsstreep hield op met wassen en keek naar zijn vriend. ‘Al sinds onze wacht kijk je naar haar uit. Wat ben je van plan?’
‘Ik moet haar vertellen waar Ravenpoot is en haar waarschuwen voor Tijgerklauw,’ mauwde Vuurhart.
‘Je hebt Ravenpoot beloofd dat je ze zou vertellen dat hij dood is.’ De stem van Grijsstreep klonk verwonderd.
‘Ik heb alleen beloofd dat ik Tijgerklauw zou vertellen dat hij dood is. Blauwster zou het hele verhaal moeten weten. Ze moet toch weten waar haar commandant toe in staat is?’
Grijsstreep liet zijn stem dalen tot een dringend gesis. ‘Maar we hebben alleen Ravenpoots woord dat Tijgerklauw Roodstaart heeft gedood.’
‘Geloof jij hem dan niet?’ Vuurhart kon er niets aan doen dat hij geschokt was door de twijfel van zijn vriend.
‘Hoor eens, als Tijgerklauw gelogen heeft over het doden van Eikenhart als wraak voor de dood van Roodstaart, dan wil dat zeggen dat Roodstaart zelf Eikenhart heeft gedood. En ik geloof nooit dat Roodstaart in het gevecht opzettelijk een andere Clancommandant zou doden. Dat druist lijnrecht in tegen de krijgscode: wij vechten om onze kracht te bewijzen en ons territorium te verdedigen, niet om elkaar te doden.’
‘Maar het is niet mijn bedoeling Roodstaart ergens van te beschuldigen,’ protesteerde Vuurhart. ‘Tijgerklauw is het probleem.’ Roodstaart was vóór Tijgerklauw DonderClancommandant geweest. Vuurhart had hem nooit ontmoet, maar hij wist dat de hele Clan veel respect had gehad voor Roodstaart.
Grijsstreep ontweek Vuurharts ogen. ‘Wat jij zegt heeft invloed op Roodstaarts eer. En geen van de andere katten heeft problemen met Tijgerklauw. Ravenpoot was de enige die bang voor hem was.’
Een onbehaaglijke rilling gleed langs Vuurharts ruggengraat. ‘Dus je denkt dat Ravenpoot het verhaal verzonnen heeft omdat hij niet met zijn mentor kon opschieten?’ miauwde hij schamper.
‘Nee,’ mompelde Grijsstreep. ‘Ik denk alleen dat we voorzichtig moeten zijn.’
Vuurhart keek in de bezorgde ogen van zijn vriend en begon te twijfelen. Er zat iets in wat Grijsstreep zei: ze waren pas een paar dagen krijger, niet echt een positie om de meest vooraanstaande krijger van de Clan beschuldigingen naar het hoofd te slingeren.
‘Het is oké,’ mauwde Vuurhart ten slotte. ‘Jij kunt je erbuiten houden.’ Hij voelde een steek van spijt in zijn buik toen Grijsstreep knikte en doorging met wassen. Vuurhart geloofde dat Grijsstreep het mis had te denken dat het alleen Ravenpoot was die een probleem had met Tijgerklauw. Vuurharts eigen instinct zei hem dat de commandant niet te vertrouwen was. Hij moest zijn verdenking met Blauwster delen, voor haar veiligheid en voor de veiligheid van de Clan.
Een glimp grijze vacht aan de andere kant van de open plek vertelde Vuurhart dat Blauwster uit haar hol was gekomen — alleen. Hij krabbelde snel overeind, maar de DonderClanleider sprong direct op de Hogesteen en riep de Clan bijeen. Vuurhart zwaaide ongeduldig met zijn staart.
Grijsstreep bewoog opgewonden zijn oren bij Blauwsters oproep. ‘Een naamceremonie?’ miauwde hij. ‘Dat moet Langstaart zijn die zijn eerste leerling krijgt.
Hij doet daar al dagen geheimzinnig over.’ Hij sprong naar de andere katten die zich aan de rand van de open plek verzamelden, gevolgd door Vuurhart die nog steeds kregelig was van frustratie.
Een klein zwart-wit jong kwam de open plek op trippelen. Zijn zachte pootjes maakten geen geluid op de harde aarde. Hij liep met neergeslagen ogen naar de Hogesteen en Vuurhart verwachtte bijna hem te zien bibberen. Er was iets in de afhangende schoudertjes van het kleintje dat maakte dat hij te jong en te timide leek om leerling te worden. Langstaart zal niet erg onder de indruk zijn, dacht Vuurhart, die zich Langstaarts minachting herinnerde toen Vuurhart voor het eerst in het kamp was gekomen. De krijgskat had hem weggehoond op zijn eerste dag bij de Clan en hem bespot om zijn poesiepoesafkomst. Vuurhart had sindsdien altijd een hekel aan hem gehad.
‘Vanaf deze dag,’ miauwde Blauwster neerkijkend op het jong, ‘tot hij zijn krijgersnaam heeft verdiend, zal deze leerling Snelpoot worden genoemd.’
In de ogen waarmee het zwart-witte kitten naar zijn leider opkeek flitste geen spoor van vastberadenheid, in plaats daarvan sperde hij zijn ambere oogjes zorgelijk wijd open.
Vuurhart keek om naar Langpoot die op zijn nieuwe leerling afkwam.
Opnieuw nam Blauwster het woord: ‘Langstaart, jij was Donkerstreeps leerling. Hij heeft jou veel geleerd en jij bent een felle en loyale krijger geworden. Ik hoop dat je enkele van deze kwaliteiten op Snelpoot zult overbrengen.’
Vuurhart wachtte op een uitdrukking van minachting op het gezicht waarmee Langstaart op Snelpoot neerkeek. Maar de ogen van de krijgskat werden zachter toen hij zijn leerling aankeek en de twee Clankatten even eikaars neus aanraakten. ‘Het is oké. Je doet het prima,’ murmelde Langstaart aanmoedigend. Ja hoor, dacht Vuurpoot bitter. Alleen maar omdat hij in de Clan geboren is. Mij heeft Langstaart heel anders verwelkomd. Hij keek de rest van de Clan rond en voelde een steek van wrok toen iedereen de nieuwe leerling kwam feliciteren.
‘Wat heb jij nou?’ fluisterde Grijsstreep. ‘Dat gebeurt ons ook een keer.’
Vuurhart knikte, plotseling vrolijker bij de gedachte een eigen leerling te krijgen en onderdrukte zijn wrok. Hij hoorde nu bij de DonderClan en dat was toch zeker het enige dat ertoe deed?
* * *
De volgende avond was het volle maan. Vuurhart wist dat hij zich zou moeten verheugen op zijn eerste Grote Vergadering als krijger, maar hij was nog steeds vastbesloten een kans te vinden om Blauwster alles over Tijgerklauw te vertellen, en die gedachte lag als een koude steen op zijn maag.
‘Heb je last van larvedarmen of zoiets?’ miauwde Grijsstreep naast hem. ‘Je trekt zulke rare gezichten!’
Vuurhart keek naar zijn vriend. Kon hij hem maar in vertrouwen nemen! Maar hij had beloofd Grijsstreep erbuiten te laten. ‘Ik heb niks,’ mauwde hij. ‘Kom mee. Ik hoor Blauwster roepen.’
De twee katten draafden naar de groep die zich op de open plek verzamelde. Blauwster knikte bij hun komst. Daarna draaide ze zich om en ging de katten voor het kamp uit.
Vuurhart bleef een ogenblik staan terwijl de andere katten langs hem heen de steile helling opklauterden naar het bos boven. Misschien zou hij tijdens deze tocht de tijd krijgen om met Blauwster te spreken en hij wilde nog even zijn gedachten ordenen.
‘Kom je nog?’ riep Grijsstreeps stem naar beneden.
‘Ja!’ Vuurhart spande de spieren van zijn sterke achterpoten en begon van rots naar rots te springen weg van het kamp.
Boven stond hij even stil met zwoegende flanken om op adem te komen. Voor hem strekte zich het bos uit. Onder zijn poten voelde hij pas gevallen bladeren ritselen. De Zilverpels glinsterde in de hemel als dauwdruppels op een zwarte vacht.
Vuurhart dacht aan zijn eerste tocht naar Vierboom, met Tijgerklauw en Leeuwenhart. Met een steek van verdriet herinnerde hij zich Leeuwenhart. Grijsstreeps mentor, die commandant van de DonderClan was geweest na Roodstaart en voor Tijgerklauw, was een warmvoelende, gouden krijgskat geweest. Hij was in de strijd gesneuveld en Tijgerklauw had zijn plaats ingenomen. Vuurharts eerste bezoek aan Vierboom was toen Leeuwenhart de leerlingen had meegenomen op een verkenningstocht door de hoge sparren, langs de zonnerotsen en de grens met de RivierClan. Vanavond zou Blauwster hen er rechtstreeks, door het hart van het Donderterritorium, naartoe brengen. Vuurhart zag haar al verdwijnen in het struikgewas en rende snel achter de groep katten aan.
Blauwster liep voorop naast Tijgerklauw. Vuurhart negeerde Grijsstreeps verwonderde miauw en haalde de Clanleider in. ‘Blauwster,’ riep hij hijgend toen hij naast haar was gekomen. ‘Kan ik je even spreken?’
Blauwster keek hem even aan en knikte. ‘Neem de leiding over, Tijgerklauw,’ miauwde ze. Ze hield in en Tijgerklauw sprong haar voorbij. Zonder iets te vragen volgden de andere katten de donkere cyperse kater die verder spurtte door het kreupelhout. Blauwster en Vuurhart verminderden hun vaart tot een regelmatig tempo. Het duurde niet lang of ze waren alleen.
Het pad liep na de dichte varens over een kleine open plek. Blauwster sprong op een omgevallen boom, ging zitten en krulde haar staart over haar voorpoten. ‘Wat heb je op je hart, Vuurhart?’ vroeg ze.
Vuurhart aarzelde. Plotseling was hij niet meer zo zeker van zijn zaak. Blauwster was de kat die hem had overgehaald zijn poesiepoesleventje vaarwel te zeggen en bij de Clan te komen. Sindsdien had ze hem keer op keer haar vertrouwen geschonken wanneer andere katten twijfelden aan zijn loyaliteit aan een Clan waarmee hij niet via bloedbanden verbonden was. Wat zou ze zeggen als ze hoorde dat hij had gelogen over Ravenpoot?
‘Spreek,’ beval Blauwster toen de pootstappen van de andere DonderClankatten in de verte verdwenen.
Vuurhart haalde diep adem. ‘Ravenpoot is niet dood.’ Blauwster zwaaide verrast met haar staart maar ze luisterde zwijgend toen hij vervolgde: ‘Grijsstreep en ik hebben hem naar het Windterritorium gebracht. Ik… ik denk dat hij zich bij Rogge heeft aangesloten.’ Rogge was een eenling, geen boskat, maar ook geen poesiepoes. Hij leefde op een tweebeenboerderij op de route naar de Hoogstenen, een heilige plaats voor alle katten in het woud.
De DonderClanleider tuurde langs Vuurhart heen in de diepten van het woud. Ongerust keek hij naar haar gezicht en probeerde haar uitdrukking te lezen. Was ze boos? Maar hij zag geen boosheid in haar grote blauwe ogen.
Na een paar lange ogenblikken begon ze weer te spreken. ‘Ik ben blij dat Ravenpoot nog leeft. Ik hoop dat hij bij Rogge gelukkiger zal zijn dan hij hier in het woud was.’
‘M-maar hij is geboren in de DonderClan!’ stamelde Vuurhart. Hij kon niet geloven dat zijn leider Ravenpoots vertrek zo kalmpjes opvatte.
‘Dat wil nog niet zeggen dat hij geschikt was voor het Clanleven,’ mauwde Blauwster. ‘Tenslotte ben jij niet in de Clan geboren en toch ben je een prima krijger geworden. Ravenpoot kan zijn juiste weg best ergens anders vinden.’
‘Maar hij heeft de DonderClan niet verlaten omdat hij dat wilde,’ protesteerde Vuurhart. ‘Het was voor hem onmogelijk geworden om te blijven.’
‘Onmogelijk?’ Blauwsters blauwe blik bleef op hem rusten. ‘Hoe bedoel je?’
Vuurhart sloeg zijn ogen neer.
‘En?’ drong Blauwster aan.
Vuurharts mond was droog. ‘Ravenpoot kende een geheim van Tijgerklauw,’ zei hij schor. ‘Ik… ik denk dat Tijgerklauw van plan was hem te doden. Of de Clan tegen hem op te zetten.’
Blauwsters staart zwiepte heen en weer en Vuurhart zag haar schouders verstrakken. ‘Waarom denk je zoiets? Wat was dan dat geheim dat Ravenpoot kende?’
Vuurhart ontmoette haar strenge blik zo dapper als hij maar durfde en antwoordde met tegenzin: ‘Dat Tijgerklauw Roodstaart heeft gedood in het gevecht met de RivierClan.’ Roodstaart was DonderClancommandant geweest voor Leeuwenhart. Vuurhart had hem nooit ontmoet, maar hij wist dat de hele Clan respect voor hem had gehad.
Blauwster kneep haar ogen halfdicht. ‘Een krijger zou nooit een ander Clanlid doden! Zelfs jij zou dat moeten weten — je bent lang genoeg bij ons.’ Vuurhaart deinsde terug bij die woorden en legde zijn oren plat naar achteren. Dat was al de tweede keer dat ze zijn poesiepoesverleden erbij haalde.
Blauwster vervolgde: ‘Tijgerklauw heeft gemeld dat Eikenhart, de commandant van de RivierClan, Roodstaart heeft gedood,’ miauwde ze. ‘Ravenpoot moet zich vergist hebben. Heeft hij met eigen ogen gezien dat Tijgerklauw Roodstaart doodde?’
Vuurhart zwaaide zenuwachtig met zijn staart door de bladeren achter hem. ‘Hij zei van wel.’
‘En begrijp je wel dat je door dit te zeggen vragen oproept over Roodstaarts eer? Een commandant zou nooit in het gevecht met een andere commandant doden, niet als hij dat ook maar even zou kunnen vermijden. En Roodstaart was de meest eerbare krijger die ik ooit heb gekend.’ Blauwsters ogen werden wazig van verdriet en Vuurhart was ontdaan dat hij de nagedachtenis aan haar vroegere commandant had gezoedeld, al was dat onbedoeld.
‘Ik heb geen verklaring voor wat Roodstaart heeft gedaan,’ murmelde hij. ‘Ik weet alleen dat Ravenpoot er echt van overtuigd is dat Tijgerklauw verantwoordelijk is voor Roodstaarts dood.’
Blauwster zuchtte en ontspande haar schouders. ‘We weten allemaal dat Ravenpoot een levendige fantasie heeft,’ miauwde ze zachtjes met vriendelijke ogen. ‘Hij raakte ernstig gewond en verdween voor het einde van het gevecht. Weet je zeker dat hij het gedeelte dat hij gemist heeft, niet zelf heeft ingevuld?’
Voor Vuurhart antwoord kon geven galmde een kreet door het woud en sprong Tijgerklauw uit de begroeiing tevoorschijn. Zijn ogen flitsten achterdochtig naar Vuurhart voor hij zich tot Blauwster richtte: ‘Iedereen staat te wachten bij de grens.’
Blauwster knikte. ‘Zeg maar dat we eraan komen.’ Tijgerklauw knikte, draaide zich om en racete terug door de varens.
Vuurhart keek hem na. Blauwsters woorden echoden nog in zijn hoofd. Het was waar: Ravenpoot had veel fantasie. Vuurhart herinnerde zich zijn eerst Grote Vergadering, waar leerlingen van alle Clans aan Ravenpoots lippen hadden gehangen toen hij het gevecht met de RivierClan beschreef. En toen had hij geen woord over Tijgerklauw gezegd.
Vuurhart sprong overeind toen Blauwster opstond. Ga je Ravenpoot terughalen naar de Clan?’ vroeg hij, ineens bang dat hij zijn vriend nog meer problemen had bezorgd.
Blauwster staarde Vuurhart strak aan. ‘Hij is waarschijnlijk gelukkiger waar hij nu is,’ miauwde ze zachtjes. ‘Voorlopig zullen we de Clan laten geloven dat hij dood is.’
Vuurhart staarde terug met opengesperde ogen van schok. Blauwster ging de Clan voorliegen!
‘Tijgerklauw is een groot krijger, maar hij is heel trots,’ vervolgde Blauwster. ‘Hij zal gemakkelijker kunnen accepteren dat zijn leerling dood is dan dat hij is weggelopen. En dat zou ook voor Ravenpoot beter zijn.’
‘Omdat Tijgerklauw anders naar hem op zoek zou gaan?’ waagde Vuurhart te vragen. Zou het kunnen dat Blauwster hem een heel klein beetje geloofde?
Blauwster schudde ongeduldig haar kop. ‘Nee. Tijgerklauw mag dan eerzuchtig zijn, hij is geen moordenaar. Ravenpoot kan beter herinnerd worden als een dode held, dan als een levende lafaard.’
Ze hoorden Tijgerklauw opnieuw roepen en Blauwster sprong van de boomstam af en verdween in de varens.
Met één sprong nam Vuurhart de boomstam en rende achter zijn leider aan.
Bij de oever van een beek haalde hij haar in. Hij zag haar van steen tot steen springen naar de overkant. Behoedzaam volgde hij haar. Gedachten dwarrelden door zijn hoofd.
Wat hij wist over Roodstaarts dood had dagenlang als een zware last op hem gedrukt. Nu had hij het eindelijk aan Blauwster verteld, en was er nog niets veranderd. De Clanleider geloofde kennelijk niet dat Tijgerklauw in staat was iemand in koelen bloede te vermoorden. En wat nog erger was: Vuurhart begon zelf te twijfelen of Ravenpoot wel de waarheid had gesproken. Hij sprong op de andere oever en rende door de struiken.
Bij de andere katten kwam Vuurhart glijdend achter Blauwster tot stilstand. De groep stond te wachten op de rand van de helling naar Vierboom, de reuzeneiken waar katten van de vier Clans elkaar bij elke volle maan in vrede ontmoetten.
Vuurharts vacht prikkelde toen hij Tijgerklauws ogen op zich gericht voelde. Vermoedde de donkere krijgskat waar hij met Blauwster over had gesproken? Vuurhart schudde zijn kop om helder te worden en probeerde net als Blauwster te denken. Natuurlijk was Tijgerklauw benieuwd naar wat Vuurhart tegen Blauwster had gezegd, hij was de Clancommandant dus zou hij alles willen weten wat de Clan aanging. Opnieuw keek Vuurhart naar Tijgerklauw. De donkergestreepte kater staarde de helling af, met alert gespitste oren. De katten om hem heen schuifelden ongeduldig. Tijgerklauw keek hen stuk voor stuk aan om hen met zijn dwingende, ambere blik in het gareel te krijgen.
Blauwster stak haar neus omhoog en snoof de lucht op. Om hem heen voelde Vuurhart spieren aangespannen worden en vachten tintelen. Toen gaf Blauwster een teken met een zwaai van haar staart en stortten de DonderClankatten zich de helling af naar de Grote Vergadering.