Hoofdstuk 11 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
‘WEER EEN zonnige dag!’ snorde Vuurhart tegen Grijsstreep toen hij zijn vlammend gekleurde vacht voelde gloeien in de zwakke ochtendzon. Dankzij het mooie weer had hij Prinses bijna elke dag bezocht door weg te glippen tussen patrouilles, jacht en training door. Nu liep hij met zijn vriend over het korte spoor naar de zandkuil waar Sintelpoot en Stropoot op hen wachtten.
‘Laten we hopen dat het de rest van bladkaal mooi weer blijft,’ miauwde Grijsstreep. Vuurhart wist wat een hekel zijn vriend (met zijn dikke vacht) aan regen had — wanneer Grijsstreeps dikke vacht nat werd, plakte die aan hem vast en bleef nog nat lang nadat Vuurharts kortere vacht al was opgedroogd.
De twee krijgskatten kwamen bij de zandkuil aan net op het moment dat Sintelpoot bovenop een hoop bevroren bladeren sprong die alle kanten opfladderden. Ze hupte en kronkelde om er een te vangen toen die weer naar de grond dwarrelde.
Vuurhart en Grijsstreep keken elkaar geamuseerd aan.
‘Sintelpoot is in elk geval goed opgewarmd en klaar voor de opdracht van vandaag,’ merkte Grijsstreep op.
Stropoot sprong overeind en keek met grote ogen op naar zijn mentor. Goedemorgen, Grijsstreep,’ miauwde hij. ‘Wat is de opdracht van vandaag?’
‘We gaan op jacht,’ vertelde Grijsstreep hem. Gevolgd door Vuurhart trippelde hij de kuil in.
‘Waar?’ mauwde Sintelpoot die aan kwam rennen. ‘Wat gaan we vangen?’
‘We gaan naar de zonnerotsen,’ antwoordde Vuurpoot, plotseling net zo enthousiast als zij. ‘En we vangen wat we maar kunnen.’
‘Ik wil dolgraag een waterrat vangen,’ verklaarde Sintelpoot. ‘Ik heb nog nooit waterrat geproefd.’
‘Ik ben bang dat alles wat we vandaag vangen, rechtstreeks naar de oudsten gaat,’ waarschuwde Grijsstreep. ‘Maar ik weet zeker dat als je het lief vraagt, een van hen wel met je zal willen delen.’
‘Oké,’ mauwde Sintelpoot. ‘Welke kant op naar de zonnerotsen?’ Met grote sprongen ging ze de zijkant van de kuil op en tuurde met een recht omhoogstaande staart het bos in.
‘Deze kant op!’ miauwde Vuurhart en sprong de andere kant naar boven.
‘Oké.’ Sintelpoot rende zo woest de helling af, en door de kuil naar Vuurhart toe dat gevallen bladeren alle kanten op vlogen.
Grijsstreep sprong op en ving een blad dat langs zijn neus dwarrelde. Hij drukte het tegen de grond met een voldaan gesnor en zag Stropoot staren. ‘Eh, laat nooit een kans voorbij gaan om je jachttalent te trainen,’ zei Grijsstreep vlug.
De vier katten volgden de vertrouwde geursporen naar de zonnerotsen. Tegen de tijd dat ze op open terrein kwamen stond de zon al boven de bomen. Voor hen verhief een rotshelling zich boven de zachte aarde, zijn gladde oppervlak doorsneden met spleten. Na de schaduw van de bossen weerkaatsten de gladde rotsen de zon met verblindende felheid.
‘Dit zijn de zonnerotsen,’ verklaarde Vuurhart knipperend met zijn ogen. ‘Kom mee!’
‘Mrrr! Dat voelt lekker!’ mauwde Sintelpoot die achter hem aan de rotsen opdraafde. Vuurhart besefte dat ze gelijk had. De steen voelde lekker warm en glad na de ijskoude bosgrond.
Bovenaan waar de andere kant steil omlaag liep naar het bos, rustten ze uit. Vuurhart luisterde naar het zachte kabbelen van de rivier die vanaf het hoogland langs de grens met de RivierClan liep. Het water raakte de zonnerotsen aan voor het afboog en dieper het Rivierterritorium instroomde. Hij kon het haast niet horen — misschien stond de rivier laag na het droge weer.
Vuurhart strekte zich uit genietend van de warmte van de rots onder hem en de zachte warmte van de zon op zijn pels. Hij sloot zijn ogen, trots om hier te liggen op een plaats waar generaties DonderClankatten zich waren komen warmen en waar ze hard voor hadden gevochten om die te kunnen behouden.
Grijsstreep voegde zich bij hem. ‘Kom,’ miauwde hij tegen de twee leerlingen. ‘Geniet van de zon zolang die er is. We hebben meer dan genoeg koude, natte dagen in het vooruitzicht.’ De twee leerlingen gingen naast hun mentoren liggen en sponnen toen de warmte hun vacht binnenstroomde.
‘Is dit de plaats waar Roodstaart is gestorven?’ vroeg Stropoot.
‘Ja,’ antwoordde Vuurpoot voorzichtig.
‘En waar Tijgerklauw zijn dood heeft gewroken door Eikenhart te doden?’ vulde Sintelpoot hem aan.
Plotseling hoorde Vuurpoot een geluid. Hij spitste zijn oren. ‘Sst,’ siste hij. ‘Wat horen jullie?’
‘Ik geloof dat ik gekrabbel hoor,’ fluisterde Stropoot. ‘Misschien een waterrat,’ murmelde Grijsstreep. ‘Kun je horen waar het vandaan komt?’
‘Daarvandaan!’ miauwde Sintelpoot en sprong overeind. Het gekrabbel klonk luider en daarna verdween het.
‘Ik denk dat hij je heeft gehoord,’ merkte Vuurhart op. Sintelpoot keek beteuterd. Stropoot snorde vrolijk over zijn zusjes onhandigheid.
‘Geeft niet,’ miauwde Grijsstreep. ‘Nu weet je dat het beter is om er heel langzaam op af te sluipen, vooral op waterratten. Die zijn watervlug!’
‘Stilzitten en luisteren,’ raadde Vuurhart aan. ‘De volgende keer dat we iets horen, zoek dan uit waar het is en begin er dan heel langzaam heen te sluipen. Een muis kan zelfs je vacht horen ritselen, dus laat hem denken dat het de wind is die over de rots waait.’
De katten bleven waar ze waren. Geen van hen durfde zich te verroeren tot ze het gekrabbel weer hoorde. Met gespitste oren kwam Vuurhart overeind en sloop naar voren tot hij bij de rand kwam van een kleine spleet in de rots. Daar stond hij stil. Het gekrabbel ging door. Vuurhart schoot naar voren en stak een voorpoot in de spleet. Hij schepte er een dikke waterrat uit die in de schaduw verborgen zat en gooide hem op de zonovergoten rots. Het diertje piepte toen het neerkwam, maar het werd verdoofd door de harde landing en Vuurpoot maakte er vlug een einde aan.
‘Wauw!’ mauwde Sintelpoot. ‘Dat wil ik ook doen!’
‘Maak je maar niet ongerust, je krijgt nog meer dan genoeg kansen. Laten we dit keer maar teruggaan naar het bos,’ miauwde Grijsstreep.
‘Gaan we verder niets meer vangen?’ protesteerde Sintelpoot.
‘Heb je die waterrat horen gillen?’ miauwde Vuurhart. Sintelpoot knikte. ‘Nou, dat hebben alle andere dieren hier in de buurt ook. De prooi zal zich een tijdlang niet laten zien. Ik had hem moeten vangen en doden voor hij geluid kon maken.’
Grijsstreeps snorharen trilden. ‘Ik wou er niets van zeggen,’ snorde hij.
Vuurhart pakte de dode waterrat op met zijn mond en samen gingen ze door het bos. Na de open warmte van de zonnerotsen, leek het koud in het bos, ook al was het bijna zonhoog. Vuurhart rook verse markeringen bij de grens met de RivierClan. Verderop liep een helling omlaag naar de rivier.
Een blad fladderde omlaag naar Stropoot. Het katertje sprong onmiddellijk op en ving het tussen zijn poten. Met een tevreden uitdrukking op zijn gezicht kwam hij neer.
‘Goed zo!’ riep Grijsstreep. ‘Jij zult geen moeite hebben met waterratten!’ Stropoot keek nog tevredener.
‘Goed gevangen, Stropoot!’ mauwde Sintelpoot. Met haar neus gaf ze haar broer een duwtje tegen zijn schouder voor ze langs de helling naar beneden keek.
‘De rivier is kalm vandaag,’ mompelde Vuurhart door zijn mondvol waterrat heen.
‘Dat komt omdat hij bevroren is,’ mauwde Sintelpoot opgewonden. ‘Dat zie ik tussen de bomen door!’
Vuurhart liet de waterrat vallen. ‘Bevroren? Helemaal?’ Hij staarde omlaag langs de met bomen begroeide helling. Beneden glinsterde de rivier, ijzig en stil. Kon Sintelpoot gelijk hebben? Vuurharts poten tintelden van opwinding. Hij had de rivier nog nooit bevroren gezien.
‘Kunnen we gaan kijken?’ vroeg Sintelpoot. Zonder op antwoord te wachten sprong ze langs de grensmarkeringen naar beneden. Vuurharts opwinding veranderde in paniek toen hij het grijze poesje het Rivierterritorium in zag gaan. Hij kon haar niet roepen — hij wilde niet de aandacht van RivierClanpatrouilles trekken die misschien in de buurt waren, Maar hij moest haar terughalen. Hij liet de waterrat liggen waar hij hem had laten vallen en spurtte achter haar aan met Grijsstreep en Stropoot op zijn hielen.
Op de oever van de rivier haalden ze Sintelpoot in. De rivier was bijna helemaal bevroren op een smal kanaal na waarin donker water snel tussen twee brede randen ijs stroomde. Huiverend herinnerde Vuurhart zich Witklauw. Hij wilde net voorstellen terug te gaan toen hij zag dat Grijsstreep zijn oren had gespitst.
‘Waterrat,’ siste de grijze krijger. En ja hoor, een klein ratje krabbelde over het ijs, dichtbij de oever.
Vuurhart keek snel naar Sintelpoot en Stropoot, bang dat zij dit kleine stukje prooi zouden proberen te vangen. Maar geen van de leerlingen verroerde zich. Even was Vuurpoot opgelucht, maar zijn hart sloeg over van schrik toen Grijsstreep op jachtsnelheid het ijs opschoot.
‘Kom terug!’ siste Vuurhart.
Maar het was al te laat. Het ijs onder Grijsstreeps poten kraakte onheilspellend en brak. Met een kreet van schrik viel Grijsstreep in het water. Even peddelde hij wild met zijn poten voor hij verdween in de ijzige, donkere diepten van de rivier.
Stropoot keek vol afschuw toe en Sintelpoot slaakte een wanhoopskreet. Vuurhart legde haar niet het zwijgen op. Verstijfd van angst staarde hij naar het water waarin zijn vriend verdwenen was. Zat Grijsstreep vast onder het ijs? Vuurhart stapte op het ijs. Het voelde koud en glibberig onder zijn poten; onmogelijk om erop te rennen. Hij sprong terug op de oever. Paniek golfde door hem heen, en daarna opluchting toen hij verderop een grijze kop boven water zag komen.
Maar zijn opluchting veranderde in angst toen Vuurhart zag dat Grijsstreep stroomafwaarts werd meegevoerd, wentelend en buitelend in het ijzige water. Zijn poten krabbelden hulpeloos. Al zijn zweminstincten werden gefrustreerd door de onstuimige stroming. Vuurhart rende met grote sprongen mee langs de oever, dwars door de varens heen, maar Grijsstreep werd verder en verder meegenomen.
Plotseling hoorde Vuurhart een schreeuw aan de overkant. Hij bleef staan. Een slanke, zilverkleurige, cyperse poes was verder stroomafwaarts op het ijs gesprongen. Ze trippelde voorzichtig over het bevroren oppervlak en liet zich voor Grijsstreep de rivier inglijden. Verwonderd zag Vuurhart de poes krachtig tegen de stroom inzwemmen en haar plaats in het ijskoude water met zelfverzekerd bewegende poten vasthouden. Toen Grijsstreep langs dreef greep de cyperse poes een mondvol van zijn vacht tussen haar tanden.
Maar tot Vuurpoots afschuw trok Grijsstreeps gewicht beide katten onder water. Hij begon opnieuw te rennen zijn ogen vastgekleefd aan de rivier. Waar waren ze? Ineens verscheen een zilvergestreepte kop in het onstuimige water, die tegen de golven in bewoog. De poes zwom tegen de stroming in waarbij ze Grijsstreep meesleepte. Vuurhart kon haast niet geloven dat zo’n frêle kat met zon gewicht kon zwemmen. Nu greep de poes het ijs aan Vuurharts kant vast met haar voorpoten. Ze moest haar nek heel onhandig opzij buigen met Grijsstreep tussen haar tanden. Glippend en glijdend hees ze zich uit de rivier. Grijsstreep hing slap in het water, wentelend in de stroom die aan zijn vacht rukte, maar de poes bleef stevig vasthouden. Vuurhart gleed van de oever af, spurtte over het ijs en kwam glijdend naast haar tot stilstand. Zonder iets te zeggen boog hij zich voorover en greep Grijsstreep vast met zijn tanden. Samen trokken de twee katten zijn druipnatte doorweekte lijf uit het water en sleepten hem naar de veilige oever.
Vuurhart boog zich over zijn vriend heen om te zien of hij ademde. Hij voelde zich duizelig van opluchting toen hij Grijsstreeps druipnatte flank zag rijzen en dalen. Grijsstreep hoestte en sputterde, en spuugde een mondvol rivierwater uit. Daarna bleef hij stil liggen.
‘Grijsstreep!’ miauwde Vuurhart dringend.
‘Ik ben oké.’ hijgde Grijsstreep. Het klonk ademloos maar geruststellend.
Vuurhart zuchtte en ging zitten. Hij keek eens goed naar de zilvergestreepte poes. Ze droeg de geur van de RivierClan. Na haar zwempartij verbaasde dat Vuurhart niet. De poes keek koeltjes terug, schudde zich uit en ging hijgend zitten om op adem te komen. Water stroomde van haar glanzende vacht af alsof haar pels van eendenveren was gemaakt.
Grijsstreep draaide zijn kop en keek naar zijn redster. ‘Dank je,’ kreunde hij.
‘Stomme idioot!’ spuugde ze met platgelegde oren. ‘Wat doe je in mijn territorium?’
‘Verdrinken?’ antwoordde Grijsstreep. De zilvergestreepte kat trok met haar oren en Vuurhart zag de glimp van een lach in haar ogen. ‘Waarom verdrink je je niet in je eigen territorium?’
Grijsstreeps snorren draaiden. ‘Ja, maar wie zou me daar dan komen redden?’ kraakte hij.
Er klonk een piepje achter Vuurhart. Toen hij zich omdraaide zag hij Sintelpoot bij een graspol hoger op de oever zitten. ‘Waar is Stropoot?’ vroeg hij.
‘Komt eraan,’ antwoordde Sintelpoot en wees met haar neus. Haar broer kwam zenuwachtig aansluipen langs de oever.
Vuurhart zuchtte en wendde zich tot zijn vriend. ‘Hoor eens, Grijsstreep, we moeten maken dat we hiervandaan komen.’
‘Ik weet het.’ Grijsstreep hees zich overeind. Hij keek naar de zilveren poes. ‘Nogmaals bedankt.’
Ze boog sierlijk haar kop maar siste: ‘Vooruit, wegwezen jullie!’ Ze keek over haar schouder. ‘Als mijn vader wist dat ik een indringer van de DonderClan had gered zou hij me aan flarden scheuren.’
‘Waarom heb je me dan gered?’ plaagde Grijsstreep.
De poes keek weg. ‘Instinct. Ik kan geen katten zien verdrinken. Maak nu maar dat je wegkomt!’
Vuurhart stond op. ‘Bedankt. Ik zou deze haarbal erg gemist hebben als hij verdronken was.’ Hij gaf Grijsstreep een duwtje. Zijn vriend had het ijzige water nog niet eens uit zijn vacht geschud, hij was nat tot op zijn huid. ‘Kom mee. We moeten terug naar het kamp. Straks bevries je nog!’
‘Oké, ik kom al!’ miauwde Grijsstreep. Maar voor hij achter Vuurpoot aan de oever opging, draaide hij zich nog eens om naar de zilveren poes. ‘Hoe heet jij? Ik heet Grijsstreep.’
‘Zilverstroom,’ antwoordde ze. Ze sprong weg over het ijs en over het kanaal van water naar de overkant.
Vuurhart en Grijsstreep leidden hun leerlingen door de dorre varens naar de grens. Vuurhart merkte dat Grijsstreep meer dan eens over zijn schouder keek.
Het ontging Sintelpoot ook niet. Het grijze katje keek op met ondeugend dansende ogen. ‘Wat was dat een knappe RivierClanpoes!’
Grijsstreep gaf haar een speelse oorvijg en zij rende vooruit.
‘Bij ons blijven,’ siste Vuurhart luid. Ze waren tenslotte nog steeds in RivierClangebied. Hij wierp Sintelpoot een nijdige blik toe toen ze stopte en op hen wachtte. Als zij er niet geweest was, zouden ze hier nooit gekomen zijn en was Grijsstreep niet bijna verdronken. Hij keek naar zijn natte vriend. Al had de grijze krijgskat zoveel water uit zijn vacht geschud als hij maar kon, zijn pels was nog steeds drijfnat, en er begon zich ijs te vormen aan de uiteinden van zijn snorharen.
Vuurhart versnelde zijn pas. ‘Hoe gaat het?’ vroeg hij aan Grijsstreep.
‘G-goed!’ antwoordde Grijsstreep klappertandend.
‘Het spijt me heel erg,’ mauwde Sintelpoot zachtjes toen ze zich achter Vuurpoot aansloot.
Hij zuchtte. ‘Het is jouw schuld niet.’ Hij voelde de zorgen drukken. Hoe moesten ze dit aan de Clan uitleggen?
Geen verse prooi voor de oudsten — ze hadden geen tijd om terug te gaan om de waterrat op te halen — en een druipnatte Grijsstreep. Vuurhart huiverde bij de gedachte aan hoe weinig het had gescheeld of hij had zijn beste vriend verloren. De SterrenClan zij dank dat Zilverstroom daar was geweest om hem te redden.
‘Het water in de beek bij de trainingskuil stroomt nog,’ miauwde Stropoot achter hen.
‘Wat?’ vroeg Vuurhart opschrikkend uit zijn sombere gedachten.
‘De Clan zal vast denken dat Grijsstreep daarin is gevallen,’ vervolgde de jonge leerling.
‘We kunnen zeggen dat hij ons liet zien hoe je vis moet vangen,’ voegde Sintelpoot eraan toe.
‘Ik denk niet dat er ook maar één kat is die zal geloven dat Grijsstreep opzettelijk zijn poten nat zou willen maken in dit weer,’ miauwde Vuurhart.
‘Maar ik heb liever niet dat de rest van de Clan weet dat ik gered moest worden door een RivierClankat!’ mauwde Grijsstreep met een flits van zijn oude geestkracht. ‘En ze mogen echt niet weten dat we alweer op het territorium van de RivierClan zijn geweest.’
Vuurhart knikte. ‘Vooruit,’ miauwde hij. ‘Laten we de rest van de weg rennen, daar wordt Grijsstreep misschien een beetje warmer van.’
De katten draafden over de grens met de RivierClan en langs de zonnerotsen. De zon zakte al achter de boomtoppen toen ze bij het kamp aankwamen.
Grijsstreeps vacht was een beetje opgedroogd, maar er hingen nog steeds ijspegels aan zijn staart en snorharen.
Vuurhart ging als eerste de doorntunnel door. Zijn moed zakte hem in de klauwen toen hij Tijgerklauw midden op de open plek naar hen zag zitten kijken.
De commandant richtte zijn scherpe ogen op Vuurhart. ‘Wat? Geen verse prooi?’ gromde hij. ‘Ik dacht dat jullie deze twee vandaag gingen leren jagen. Je ziet er halfverzopen uit, Grijsstreep. Je moet in een rivier gevallen zijn om zo nat te worden.’ Zijn neusgaten werden opengesperd en hij rekte zich uit tot zijn volle lengte. ‘Ga me nu niet vertellen dat jullie weer in het territorium van de RivierClan zijn geweest!’