Hoofdstuk 13 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
TERWIJL DE zon wegzonk in het woud wachtte Vuurhart naast de spar waar Sintelpoot haar eerste hoeveelheid prooi had begraven. Hij hoorde pootstappen en toen hij zich omdraaide zag hij Sintelpoot en Stropoot op zich afkomen. Prooi hing uit hun mond. Stropoot kon het nauwelijks allemaal vast houden, zo veel had hij gevangen. Vuurhart voelde een golf van opluchting. Zelfs Tijgerklauw zou geen kritiek kunnen hebben op het werk van de leerlingen.
‘Ik zal jullie helpen dit allemaal terug te brengen,’ bood Vuurhart aan. Hij veegde de laag naalden van Sintelpoots vangst af, groef alles op, pakte de prooi tussen zijn tanden en ging op weg naar het kamp.
Toen ze op de open plek aankwamen, haalden sommige Clankatten al hun deel verse prooi van de hoop op. Tijgerklauw moest op de uitkijk gestaan hebben want hij kwam meteen aanlopen toen ze hun vangst bij de rest legden.
‘Hebben ze dit allemaal zelf gevangen?’ vroeg hij met een massieve poot op de voorraad.
‘O ja,’ antwoordde Vuurhart.
‘Goed,’ miauwde Tijgerklauw. ‘Kom bij mij en Blauwster. Neem wat verse prooi voor jezelf mee; wij zitten al te eten.’ Sintelpoot en Stropoot staarden bewonderend naar Vuurhart — het was een hele eer samen met de Clanleider en de commandant te mogen eten. Vuurhart was er minder enthousiast over. Hij had gehoopt dat hij Blauwster alleen verslag zou kunnen uitbrengen.Tijgerklauw was wel de laatste met wie hij zijn maaltijd wilde delen.
‘Tussen twee haakjes, heb jij Grijsstreep gezien?’ vroeg Tijgerklauw. Vuurhart voelde een steek van bezorgdheid toen de commandant vervolgde: ‘Hij had in het kamp moeten blijven zolang hij ziek is, maar ik heb hem sinds zonhoog niet meer gezien.’
Vuurhart schuifelde onrustig heen en weer. Was Grijsstreep soms weer weggegaan op zoek naar een beetje rust? ‘Nee,’ bekende hij. ‘Is hij misschien bij Geeltand?’
‘Misschien,’ echode Tijgerklauw en trippelde weg naar Blauwster die op een dikke duif zat te knauwen.
Vuurhart onderdrukte zijn groeiende ongerustheid over Grijsstreeps verdwijning en ging achter hem aan. In het voorbijgaan pakte hij een vink van de hoop verse prooi, en daarna wenste hij dat hij een waterrat had gekozen. Hoe moest hij haar verslag uitbrengen met een mond vol veren?
‘Welkom, Vuurhart,’ miauwde Blauwster toen hij voor haar ging zitten. Hij legde de vink op de grond, maar besloot nog niet te gaan eten.
‘Tijgerklauw zegt dat je leerlingen een heleboel prooi hebben gevangen.’ Blauwster keek vriendelijk, maar Tijgerklauw die naast haar zat, staarde hem zo kritisch aan dat Vuurharts staart ervan heen en weer zwaaide.
‘Ja. Ze hebben nooit eerder in mist gejaagd, maar het leek hen geen beide te hinderen,’ miauwde Vuurhart. ‘Ik heb Stropoot een bosmuis zien vangen. Zijn sluipen was uitstekend.’
‘En Sintelpoot?’ vroeg Blauwster.
Vuurhart zag een staalharde glans in haar ogen verschijnen. Maakte ze zich zorgen over wat Sintelpoot kon? Vuurhart antwoordde: ‘Haar jachttalenten ontwikkelen zich goed. Ze is reuze enthousiast, dat is zeker, en ze lijkt nergens bang voor te zijn.’
‘Ben je niet bang dat dit haar roekeloos kan maken?’ vroeg Blauwster.
‘Ze is snel en nieuwsgierig, wat haar een goede leerling maakt. Ik denk dat dat veel goed maakt van haar…’ — Vuurhart zocht bezorgd naar het goede woord — ‘… gretigheid.’
Blauwster zwiepte met haar staart. ‘Haar gretigheid, zoals je het noemt, baart me zorgen,’ miauwde ze met een vlugge blik op Tijgerklauw. ‘Ze zal bij haar training zorgvuldig begeleid moeten worden.’ Vuurharts moed zakte hem in de poten. Was Blauwster ontevreden over zijn mentorschap?
Blauwsters blik werd zachter. ‘Het was van het begin af aan duidelijk dat zij een uitdaging zou worden. Maar ze wordt kennelijk een prima jager. Je hebt goed werk met haar verricht, Vuurhart. Met allebei, trouwens.’ Vuurharts gezicht klaarde meteen op; en Blauwster vervolgde: ‘Ik heb gemerkt dat je Stropoots training ongevraagd hebt overgenomen, en voorlopig wil ik dat je doorgaat als mentor voor allebei.’
Tijgerklauw keek de andere kant op, maar de boosheid die opvlamde in zijn ogen ontging Vuurhart niet. ‘Dankje wel, Blauwster,’ mauwde hij.
‘Ik zie dat je vermiste vriend terug is,’ gromde Tijgerklauw zonder zijn kop om te draaien.
Vuurhart keek om en zag Grijsstreep achter de kraamkamer uitkomen. ‘Hij was waarschijnlijk alleen maar op zoek naar een beetje rust en stilte,’ merkte hij op. ‘Hij heeft nog steeds koorts en het kan niet gemakkelijk zijn de hele dag in het kamp te moeten blijven.’
‘Gemakkelijk of niet, hij zou zich moeten concentreren op beter worden,’ miauwde Tijgerklauw. ‘Bladkaal is geen goede tijd voor ziekte in het kamp, Muisbont hoestte vanmorgen op patrouille. Ik hoop dat de SterrenClan ons dit seizoen behoedt voor groenhoest. Daar hebben we vorig jaar vijf kittens aan verloren.’
Blauwster knikte plechtig met haar grijze kop. ‘Laten we hopen en bidden dat deze bladkaal niet zo lang en zo streng zal worden. Dit is nooit een gemakkelijke tijd voor de Clans.’ Ze keek even peinzend voor zich uit en zei toen tegen Vuurhart: ‘Ga die vink maar delen met Grijsstreep. Hij zal vast wel willen weten hoe zijn leerling het er vanaf heeft gebracht.’
‘Ja, Blauwster. Bedankt,’ miauwde Vuurhart. Hij raapte zijn vink op en sprong naar de brandnetelkluit waar Grijsstreep zich had geïnstalleerd met een grote bosmuis. Grijsstreep had hem al half op tegen de tijd dat Vuurhart bij hem kwam. Misschien ging het beter met hem.
Toen Vuurhart de vink naast zijn vriend liet neervallen, niesde Grijsstreep.
‘Verkoudheid nog steeds niet over?’ vroeg Vuurhart meelevend.
‘Nee,’ antwoordde Grijsstreep met volle mond. ‘Ik denk dat ik nog wat langer in het kamp zal moeten blijven.’ Vuurhart vond dat zijn vriend een stuk opgewekter klonk dan daarvoor, maar hij wilde niet laten merken dat zijn vermoeden steeds sterker werd dat Grijsstreep iets in zijn schild voerde.
‘Stropoot heeft het vandaag prima gedaan bij zijn beoordeling,’ mauwde hij.
‘O ja?’ Grijsstreep nam nog een hap van zijn muis. ‘Dat is mooi.’
‘Ja, hij is een uitstekende jager.’ Vuurhart begon van zijn vink te eten. ‘Grijsstreep,’ miauwde hij na een lange pauze stilte, ‘ben jij de afgelopen dagen het kamp uitgegaan?’
Grijsstreep hield op met kauwen. ‘Waarom vraag je dat?’ Vuurharts staart bewoog ongemakkelijk.
‘Je was er niet toen ik gisteravond van patrouille terugkwam en Tijgerklauw zei dat hij je vandaag na zonhoog niet meer had gezien.’
‘Tijgerklauw?’ Grijsstreep klonk ongerust.
‘Ik heb tegen hem gezegd dat je waarschijnlijk op zoek was gegaan naar een rustig plekje, of misschien bij Geeltand was,’ mauwde Vuurhart. Hij nam nog een hap van zijn vink. ‘En was dat ook zo?’ vroeg hij door de veren heen. Hij hoopte plotseling vurig dat Grijsstreep ‘ja’ zou zeggen, zodat zijn verdenking dat Grijsstreep iets voor hem geheim hield, weggenomen zou worden.
Maar Grijsstreep negeerde zijn vraag. ‘In elk geval bedankt dat je me gedekt hebt.’ Hij ging door met eten.
Vuurhart vroeg verder maar niets meer, al brandde hij van nieuwsgierigheid. Toen Grijsstreep opstond en verklaarde dat hij zijn nest ging opzoeken, was Vuurhart nog niet veel wijzer geworden over wat er in zijn vriend omging.
‘Oké,’ miauwde hij. ‘Ik denk dat ik hier nog even blijf.’ Grijsstreep knikte even en trippelde weg. Vuurhart rolde op zijn rug om zich eens lekker uit te rekken en kraste met zijn nagels over de grond boven zijn kop. Een tijdlang bleef hij op zijn rug liggen nadenken. Te oordelen naar zijn geur had Grijsstreep zich pasgeleden nog grondig gewassen. Probeerde hij soms een of andere geur te verbergen? Vuurhart besefte dat Grijsstreep min of meer had toegegeven dat hij het kamp uit was geweest. Maar waar kon hij geweest zijn, dat hij dat niet kon of wilde vertellen? Plotseling prikten zijn poten — hoe zat het eigenlijk met zijn eigen bezoekjes aan Prinses, nota bene in tweebeenterritorium! Had hij zichzelf ook niet zorgvuldig gewassen voor hij naar het kamp terugging, en er niets over tegen Grijsstreep gezegd?
Vuurhart rolde om en ging overeind zitten. Er zat iets aan een van zijn nagels. Hij hief zijn poot op en trok het eraf met zijn tanden. Het was een wilgenkatje, oud en verfomfaaid, maar duidelijk een wilgenkatje. Hoe was dat hier gekomen? In het DonderClandeel van het woud groeiden geen wilgen — in feite groeiden de enige wilgen die Vuurhart ooit had gezien naast de rivier, in het territorium van de RivierClan. Vuurharts adem stokte en zijn hart begon te bonzen. Was dit van Grijsstreeps vacht af gevallen?
Hij kroop het krijgershol binnen. Grijsstreep sliep al. Vuurhart lag wakker naast hem en vroeg zich af of Grijsstreep echt zo dom was geweest terug te gaan naar het Rivierterritorium. De blik in Luipaardvachts ogen na de dood van Witklauw had duidelijk gemaakt dat er nog een rekening vereffend moest worden. Vuurhart rilde. Hij besloot om uit te gaan zoeken waar Grijsstreep precies heenging en waarom.
* * *
Toen Vuurhart wakker werd was het kil en vochtig in het hol. Een keer snuiven vertelde hem dat er regen op komst was. Geeuwend drong hij naar buiten. Hij had slecht geslapen van ongerustheid over Grijsstreep. Ook nu bezorgde de gedachte aan zijn vriend daar alleen in het Rivierterritorium, hem koude rillingen.
‘Koud, hè?’ Vuurhart schrok op van Jaagwinds stem.
Met een zwiep van zijn staart keek hij over zijn schouder. De magere gestreepte krijger kwam het hol uittrippelen.
‘Eh, ja,’ miauwde Vuurhart.
‘Gaat het wel goed met je?’ vroeg Jaagwind. ‘Je hebt de verkoudheid van je vriend toch niet overgenomen? Muisbont was vanmorgen aan het snotteren en Langstaart zei dat Snelpoot gisteren de hele training door aan het niezen was.’
Vuurhart schudde zijn kop. ‘Met mij is niks aan de hand. Alleen een beetje moe van de beoordeling van gisteren.’
‘Ja, Blauwster dacht wel dat je dat zou zijn. Daarom heeft ze mij gevraagd je vandaag te helpen met het trainen van Sintelpoot en Stropoot. Is dat goed?’
‘Ja, bedankt,’ miauwde Vuurpoot.
‘Goed dan,’ besloot Jaagwind. ‘Ik zie je straks na het eten in de zandkuil. Als Snelpoot ook kou heeft gevat, zullen we die voor ons alleen hebben. Heb je honger? Toen Vuurhart zijn kop schudde draafde Jaagwind weg om de hoop verse prooi van gisteren te doorzoeken.
Vuurhart ging meteen naar de trainingskuil en wachtte daar op de anderen. Hij dacht niet aan de training, Grijsstreep spookte nog steeds door zijn hoofd. Hij was ervan overtuigd dat zijn vriend vandaag opnieuw zou proberen het kamp uit te glippen.
Een met regen beladen wind rukte aan de bladerloze takken boven de kuil toen Sintelpoot en Stropoot kwamen, gevolgd door Jaagwind.
‘Wat gaan we vandaag doen?’ vroeg Sintelpoot terwijl ze de kuil in hupte. Vuurhart keek haar afwezig aan. Daar had hij nog niet over nagedacht.
‘Jagen?’ mauwde Stropoot die achter Sintelpoot aandraafde, hoopvol.
Jaagwind trippelde door de kuil naar hen toe. ‘Wat zouden jullie ervan zeggen sluiptechnieken te oefenen?’ stelde hij voor.
‘Goed idee,’ viel Vuurhart hem snel bij.
‘Toch niet weer dat afgezaagde “konijn hoort je, muis voelt je”-gedoe!’ kreunde Sintelpoot.
Jaagwind legde haar met een blik het zwijgen op en wendde zich tot Vuurhart.
Met een schok besefte hij dat Jaagwind wachtte tot hij zou beginnen. ‘Eh, ik zal beginnen met jullie te laten zien hoe je het best een konijn kunt besluipen,’ stamelde hij.
Hij liet zich omlaag zakken en bewoog zich met snelle lichte stapjes tot hij bij de andere kant van de kuil kwam. Hij bleef staan en draaide zich. De andere drie katten staarden hem vragend aan.
‘Weet je zeker dat een konijn daarin trapt?’ mauwde Sintelpoot met trillende snorharen.
Vuurhart was even in de war tot hij besefte dat hij net zijn beste techniek om vogels te besluipen had gedemonstreerd. Een konijn zou het ruisen van zijn vacht door de plantengroei van drie voslengten afstand hebben gehoord.
Vuurhart keek gegeneerd naar Jaagwind. De gestreepte krijgskat fronste. ‘Zal ik jullie twee laten zien hoe je een spitsmuis besluipt?’ Sintelpoot richtte haar heldere ogen nu op Jaagwind. Vuurhart zuchtte en trippelde naar ze toe om te kijken.
Tegen zonhoog had Vuurhart nog steeds moeite zich op de training te concentreren. Hij bleef zich voorstellen hoe Grijsstreep het kamp uit glipte, en wilde het liefst achter hem aan gaan. Uiteindelijk werd zijn onrust hem te veel.
Hij liep naar Jaagwind toe en fluisterde in zijn oor: ‘Ik heb buikpijn. Kun jij de rest van de dag de training overnemen? Ik wil even gaan kijken of Geeltand daar iets voor heeft.’
‘Ik vond al dat je een beetje afwezig leek,’ antwoordde Jaagwind. ‘Ga jij maar terug naar het kamp, dan neem ik deze twee mee uit jagen.’
‘Bedankt,’ miauwde Vuurhart. Hij schaamde zich een beetje dat Jaagwind hem zo meteen had geloofd.
Hij strompelde de zandkuil over alsof hij pijn had. Zodra hij in het bos was, begon hij te rennen, terug naar het kamp. Toen Grijsstreep gisteren terugkwam, was hij achter de kraamkamer verschenen. Vuurhart wist uit ervaring dat dit de beste plek was om ongemerkt het kamp uit te glippen — het was waar Geeltand het kamp uit was gevlucht toen de Clan de oude medicijnkat had verdacht van de moord op Spikkelblad.
Vuurhart trippelde om het kamp heen en snuffelde aan de muur van verdorde varens. De moed zonk hem in de poten toen hij Grijsstreeps geur oppikte. Zijn vriend was duidelijk hierlangs het kamp uitgeglipt en zo te ruiken nog vaak ook. Maar het was een oude geur, wat betekende dat hij hier vandaag nog niet langs was gekomen. Vuurhart verborg zich achter een boom in de buurt en bereidde zich voor op wachten. Het bos werd donker van de regenwolken die in de hemel kwamen aandrijven. In de schaduwen was hij helemaal onzichtbaar en hij had ervoor gezorgd dat de wind van hem af blies zodat Grijsstreep hem niet zou ontdekken. Zijn buik deed nu echt pijn, zo gespannen was hij van bezorgdheid en schuldgevoel. Hij hoopte half dat Grijsstreep niet zou komen, of dat hij hem alleen maar naar een rustig plekje binnen de grenzen van DonderClangebied zou leiden.
Bij een geritsel in de wand van droge varens klopte zijn hart in zijn keel. Een grijze neus drong door in de bruine varens. Vuurhart dook weg toen Grijsstreep behoedzaam rondkeek. Even later sprong de grijze krijgskat naar buiten en draafde in de richting van de zandkuil.
Ineens kreeg Vuurhart weer hoop. Wie weet voelde Grijsstreep zich beter en had hij besloten weer mee te doen met de training. Op veilige afstand volgde hij zijn vriend waarbij hij meer gebruik maakte van zijn neus dan van zijn ogen.
Maar toen het spoor afweek van het pad naar de trainingskuil werd Vuurharts hoop de bodem ingeslagen. Met een gevoel van dreigend onheil, zag hij de opvallende grijze rots opdoemen tussen de bomen: de zonnerotsen.
Vuurhart spitste zijn oren en opende zijn mond om de lucht te testen op de reuk van vijandelijke katten. Op de rand van het bos ving hij een glimp op van een breedgeschouderde kat die langs de rotsen glipte in de richting van de grens met de RivierClan. Er was nu geen twijfel meer mogelijk over waar Grijsstreep heenging.
Zodra zijn vriend uit het zicht was verdwenen, sloop Vuurhart naar voren en tuurde de helling naar de rivier af. Aan het wuiven van de planten en struiken kon Vuurhart zien waar Grijsstreep was. Hij hoopte maar dat geen RivierClankatten in de buurt waren die het ook zagen.
Vuurhart glipte omlaag door de varens. De rivier was niet langer bevroren — hij hoorde het water klotsen tegen de oever en spetteren over de rotsen. Waar het veld met varens ophield stond hij stil en tuurde naar de onbegroeide oever.
Grijsstreep zat op de keien. Met gespitste oren keek de grijze kater om zich heen, maar aan zijn ontspannen schouders zag Vuurhart dat hij niet naar mogelijke prooi luisterde.
De roep van een onbekende kat klonk in de verte. Een patrouille van de RivierClan? Vuurharts vacht prikte en instinctief spande hij zijn spieren, maar Grijsstreep verroerde zich niet. Nu hoorde Vuurhart geritsel in de varens aan de overkant van de rivier. Maar Grijsstreep bleef nog steeds zitten. Vuurhart hield zijn adem in toen een gezicht verscheen op de oever aan de overkant. Bijna geluidloos glipte een zilveren poes de struiken uit en gleed de rivier in. Vuurhart voelde zijn hart in zijn keel kloppen. Het was Zilverstroom, de poes die zijn vriend het leven had gered.
Zilverstroom schudde de druppels uit haar vacht en de twee grijze katten raakten zachtjes eikaars neus aan. Grijsstreep wreef zijn snuit langs haar kaak en zij hief genietend haar kin op. Daarna ging Zilverstroom op haar tenen staan en wikkelde haar slanke lijf rond het zijne. Dit keer leek Grijsstreep geen enkel bezwaar te hebben tegen nat worden, want toen Zilverstroom haar natte vacht tegen hem aandrukte, spon hij zo luid dat Vuurhart het kon horen.