Hoofdstuk 15 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
UITERST BEHOEDZAAM deinsde Vuurhart achteruit de begroeiing in. De RivierClankrijger snoof niet langer, maar hij bleef om zich heen kijken.
Nog steeds ineengedoken draaide Vuurhart zich om en sloop weg. Hij hoorde een kleine plons achter zich. Een kat had zich de rivier in laten glijden. Met kloppend hart keek Vuurhart over zijn schouder. Door de varens zag hij een zilveren kop zijn kant op komen. Zilverstroom! Maar waar waren de andere katten? Hij draaide behoedzaam zijn kop heen en weer en proefde de lucht met open mond. Geen geur van hen in de buurt. Ze moesten zijn doorgelopen.
Hij keek weer naar Zilverstroom die vastberaden de rivier overzwom. Even vroeg Vuurhart zich af of het een valstrik was, en of hij er niet beter vandoor kon gaan, maar zijn bezorgdheid over Grijsstreep dwong hem te blijven.
De zilvergestreepte poes klom op de oever en siste zachtjes: ‘Vuurhart, ik weet dat je daar zit. Ik kan je ruiken! Het is in orde, Steenvacht en Schaduwpoot zijn weg.’
Vuurhart verroerde zich niet.
‘Vuurhart, ik zal Grijsstreeps beste vriend heus niets laten overkomen!’ Het klonk ongeduldig. ‘De SterrenClan weet dat je me kunt vertrouwen. Geloof me nu maar!’ Vuurhart kroop uit zijn schuilplaats tevoorschijn. Zilverstroom staarde hem aan; haar staart zwiepte heen en weer. ‘Wat doe je hier?’
‘Ik ben voor jou gekomen,’ fluisterde hij. Hij was er zich maar al te zeer van bewust dat hij zich op vijandelijk terrein bevond.
Zilverstroom wiebelde geschrokken met haar oren. ‘Is Grijsstreep oké? Is zijn hoest erger geworden?’
Haar ongerustheid irriteerde Vuurhart. Hij wilde helemaal niet weten hoe dol deze poes op zijn beste vriend was. ‘Met hem gaat het prima!’ gromde hij en meteen verloor hij van boosheid alle voorzichtigheid uit het oog. ‘Maar dat blijft niet zo als hij doorgaat met jou ontmoeten!’
Zilverstroom zette haar haren op. ‘Ik zou Grijsstreep nooit iets laten overkomen.’
‘Ja, ja,’ snoof Vuurhart. ‘En wat kan jij nou doen om hem te beschermen?’
‘Ik ben de dochter van een Clanleider,’ miauwde Zilverstroom.
‘Geeft dat jou macht over je vaders krijgers? Je bent nauwelijks meer dan een leerling!’
‘Net als jij!’ siste ze verontwaardigd.
‘Ja, dat is zo,’ gaf Vuurhart toe. ‘En dat is ook waarom ik niet weet of ik Grijsstreep wel kan behoeden voor de woede van zijn eigen Clan — of die van jou — als zij ontdekken dat jullie elkaar ontmoeten.’
Zilverstroom probeerde kwaad te blijven kijken maar haar ogen werden troebel van emotie. ‘Ik kan niet ophouden hem te zien,’ miauwde ze. Haar stem zakte weg tot een gefluister. ‘Ik hou van hem.’
‘De verhouding tussen onze Clans is al slecht genoeg! Vuurhart was te boos om met haar mee te kunnen voelen. ‘We weten dat de RivierClan op ons territorium jaagt.’
De uitdagende glans kwam weer in Zilverstrooms ogen. ‘Als de DonderClan begreep waarom, zouden ze ons heus niet misgunnen wat we daar vangen.’
‘Waarom dan?’ snauwde Vuurhart terug.
‘Mijn Clan lijdt honger. Onze jongen huilen omdat hun moeders geen melk meer hebben. De oudsten sterven bij gebrek aan goede prooi.’
Vuurhart staarde haar stomverbaasd aan. ‘Maar jullie hebben de rivier!’ protesteerde hij. Iedere kat wist dat de RivierClan, het beste jachtterrein had van allemaal — alle vis in de rivier en ook nog de prooi in het bos erachter.
‘Dat is niet genoeg. De tweebenen hebben ons territorium stroomafwaarts in beslag genomen. Ze hebben daar de hele groenblad hun kamp opgeslagen en zijn daar gebleven zolang er een overvloed aan vis was. Tegen de tijd dat ze weggingen, was er niet veel vis meer over. En de schade die ze in het bos hebben aangericht, betekent dat ook bosprooi moeilijker te vinden is.’
Ondanks zijn boosheid voelde Vuurhart een steek van medelijden. Hij kon wel raden hoe ernstig dit voor de RivierClan moest zijn. Ze waren gewend aan een rijk dieet van vis, en aten zich er dik aan tijdens groenblad zodat ze de harde manen van bladkaal konden overleven. Hij staarde de kat met heel andere ogen aan. Ze was niet slank, besefte hij nu, ze was mager. Met die natte vacht tegen haar lijf aangeplakt kon hij haar ribben tellen. Plotseling begreep hij Kromsters vijandige reactie op Blauwsters voorstel bij de Grote Vergadering. ‘Dus daarom wilden jullie niet dat de WindClan terugkwam!’
‘Konijnen rennen het hele jaar door over de heide,’ verklaarde Zilverstroom. ‘Ze waren onze enige kans om bladkaal door te komen zonder jongen te verliezen.’ Ze schudde langzaam haar kop voor ze haar ogen weer naar Vuurhart ophief. ‘Weet Grijsstreep dit allemaal?’ vroeg hij.
Zilverstroom knikte. Vuurhart keek haar aan, even totaal van zijn stuk gebracht. Maar hij kon deze gevoelens toch niet zwaarder laten wegen dan de krijgscode? En dat kon zijn vriend toch ook niet? ‘Welke problemen jouw Clan ook heeft, toch moet je Grijsstreep niet meer zien.’
‘Nee,’ antwoordde Zilverstroom met haar kin in de lucht. Haar ogen flitsten. ‘Hoe kan onze liefde nu kwaad doen?’ Vuurhart staarde terug. Een nieuwe huivering gleed over zijn rug van de koude regen die door zijn dikke vacht heen drong.
Plotseling siste Zilverstroom zo scherp dat Vuurhart schrok: ‘Je moet weg, de patrouille komt eraan.’
Vuurhart hoorde een zwak geritsel aan de overkant van de rivier. Het zou zinloos — en gevaarlijk — zijn om langer te blijven. Het geritsel kwam dichterbij. Zonder afscheid te nemen sprong hij terug in de natte varens en spurtte naar huis.
Hij rende terug naar de verse prooi die hij onder de eikenboom had achtergelaten. Halverwege werd hij tot staan gebracht door de lucht van verse tweebeen, die hem aan Prinses herinnerde. Hij vroeg zich af of hij tijd had om het spoor terug te volgen naar de tweebeenplaats. Hij wilde weten of ze al gejongd had. Maar Prinses zou onderhand veilig in haar tweebeennest liggen, en de Clan had verse prooi nodig. Met een schuldig gevoel besefte Vuurhart dat Grijsstreep niet de enige was met verdeelde loyaliteiten.
Regen droop van de uiteinden van zijn snorharen. Hij schudde de druppels af en rende met grote sprongen door naar zijn vangst.
Het was stil in het kamp tegen de tijd dat hij terugkwam. De katten schuilden in hun holen. Vuurhart stak de modderige open plek over en liet zijn vangst op de hoop vallen. Met een prooi voor zichzelf draafde hij naar het krijgershol. Hij piekerde er niet over vandaag buiten te eten.
Hij stak zijn kop in het hol. Tot Vuurharts opluchting lag Grijsstreep te dommelen. Misschien zou hij echt beter worden als hij niet meer door het woud stormde om Zilverstroom te zien.
Geeltand is nog geen verse prooi komen halen,’ klonk Witstorms stem uit de schaduwen. ‘Daar heeft ze het te druk voor. Ik denk dat ze heel blij zou zijn met de muis die je daar bij je hebt.’
Vuurhart knikte en ging weer naar buiten. Als Geeltand het te druk had om eten te halen, moest de ziekte in het kamp verergerd zijn. Vuurhart sprintte de open plek over. Hij stopte alleen om nog een muis te pakken voor hij vlug de varentunnel doorging.
Een cypers jong lag in een mosnestje onder de varens aan de rand van het grasveldje. Geeltand zat er ineengedoken naast en probeerde het kleintje over te halen wat kruiden te eten. Het katje snufte zielig en keek naar haar op met stromende ogen en neus. Vuurhart begreep dat dit het jong met withoest moest zijn.
Geeltand draaide zich om toen ze Vuurhart hoorde aankomen. ‘Is dat voor mij?’ miauwde ze met een blik op de muizen die uit zijn mond hingen. Hij knikte en liet ze op de grond vallen. ‘Bedankt. Nu je er toch bent, kun je misschien kijken of je dit kleintje zo ver kunt krijgen dat hij zijn medicijnen inneemt.’ Ze trippelde naar de muizen toe, stijfjes vanwege haar oude schouderwond.
Vuurhart liep naar het jong toe. Het keek naar hem op en liet een schurend, pijnlijk gehoest horen. Vuurhart duwde wat kruiden naar hem toe. ‘Als je een krijger wilt worden, zul je eraan moeten wennen dit vieze spul door te slikken,’ mauwde hij. ‘Wanneer je je tocht naar de maansteen maakt, zul je kruiden moeten eten die nog veel smeriger zijn dan dit.’
Het jong keek hem verwonderd aan met halfgesloten ogen.
‘Beschouw het als een oefening,’ drong Vuurhart aan. ‘Een oefening voor wanneer je een krijger wordt.’
Het jong rekte zich uit en probeerde een klein hapje.
Vuurhart snorde aanmoedigend.
Geeltand verscheen naast hem. ‘Mooi werk,’ miauwde ze. Ze wenkte met haar neus en Vuurhart begreep dat ze hem wilde spreken. Hij volgde haar naar de beschutting van het hoge rotsblok waar ze sliep. Het regende nog steeds en Geeltands verslonsde grijze vacht was drijfnat en haar staart sleepte door de modder.
‘Blauwster heeft withoest,’ miauwde ze ernstig.
‘Maar withoest is toch niet zo erg?’
Geeltand schudde haar kop. ‘Het kwam heel snel op,’ miauwde ze, ‘en ze heeft het zwaar te pakken.’ Vuurharts maag verkrampte bij de gedachte aan het afnemende aantal levens dat de Clanleider nog over had. ‘Ik heb haar nog zo gewaarschuwd weg te blijven bij de andere zieke katten, maar ze moest en zou hen zien,’ vervolgde Geeltand. ‘Ze ligt op het moment in haar hol te slapen. IJzelvacht is bij haar.’
Door de angst in Geeltands ogen vroeg Vuurhart zich af of ze de waarheid kende over Blauwsters levens. Vuurhart was ervan uitgegaan dat hij de enige kat in het kamp was aan wie Blauwster haar geheim had verteld. De rest van de Clan dacht dat ze nog drie levens had, maar misschien voelde een medicijnkat zulke dingen instinctief aan.
De waarheid was dat als Blauwster dit leven verloor, ze er nog maar één over had.