Hoofdstuk 16 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
HET REGENDE de hele nacht en de volgende ochtend, maar tegen zonhoog begonnen de wolken weg te drijven. Een sombere stemming heerste op de open plek waar de Clan wachtte op nieuws van hun leider.
Vuurhart kroop onder de braamstruiken bij de kampwand uit waar hij sinds zonsopgang had gescholen. Hij trippelde naar Blauwsters hol in de zijkant van de Hogesteen. Er klonk geen geluid daarbinnen. Toen hij zich omdraaide, botste hij tegen Wilgvacht op die voedsel naar de kraamkamer bracht. Ze hield vragend haar kop scheef.
Vuurhart wist dat ze hoopte op nieuws over Blauwster. ‘Er is niets te melden, ben ik bang.’ Hij haalde zijn schouders op.
Vuurhart had Sintelpoot en Stropoot een dag vrij van de training gegeven. Met verveelde gezichten hingen ze bij hun hol rond. Vuurhart wist dat hij ze had teleurgesteld, maar hij wilde in het kamp blijven zolang Blauwster ziek was. Gelukkig was Tijgerklauw er niet om zijn beslissing te bekritiseren. De grote commandant was met de ochtendpatrouille meegegaan.
Plotseling bewogen de mosslierten voor Blauwsters hol en IJzelvacht kwam naar buiten stormen. Ze rende de open plek over naar Geeltands hol en verscheen even later met de medicijnkat op haar hielen.
Vuurhart sprong naar Blauwsters hol net toen IJzelvacht en Geeltand door het hangende mos naar binnen ingingen. Met bonzend hart bleef hij buiten zitten. IJzelvacht stak haar kop naar buiten.
‘Wat is er mis?’ vroeg Vuurhart met bevende stem.
IJzelvacht sloot haar ogen. ‘Ze heeft groenhoest,’ zei ze bleekjes. ‘Blijf hier de wacht houden en zorg ervoor dat niemand binnenkomt.’ Ze dook weer naar binnen.
Vuurhart bleef roerloos zitten van de schok. Groenhoest! Blauwster liep gevaar nog een leven te verliezen.
Bij een scherpe kreet van buiten het kamp draaide hij zich om naar de doorntunnel. Schorspoot kwam het kamp in stormen en kwam glijdend naast Vuurhart tot stilstand. ‘Ik kom van Tijgerklauw,’ hijgde hij. ‘Ik heb een boodschap voor Blauwster.’
‘Ze is ziek,’ antwoordde Vuurhart. ‘Je kunt niet naar binnen.’
Schorspoot zwaaide ongeduldig met zijn staart. ‘Tijgerklauw wil dat ze naar het donderpad komt. Het is dringend.’
‘Wat is er dan?’
Schorspoot staarde hem nijdig aan. ‘Tijgerklauw vroeg om Blauwster,’ hoonde hij. ‘Niet een of ander poesiepoesje dat voor krijger speelt.’
Drift vlamde op in Vuurhart en hij ontblootte zijn nagels. ‘Blauwster kan het kamp niet verlaten,’ grauwde hij. Hij legde zijn oren plat en ging zo staan dat hij de ingang naar het leidershol blokkeerde.
‘Vuurhart heeft gelijk.’ Achter hem klonk de schorre stem van Geeltand, die uit Blauwsters hol was gekomen.
Schorspoot keek naar de medicijnkat, ineen krimpend onder haar oranje blik. ‘Tijgerklauw heeft tekenen van SchaduwClankrijgers in ons territorium gevonden,’ miauwde hij. ‘Ze zijn onze jachtvelden binnengevallen!’
Ondanks zijn bezorgdheid om Blauwster, voelde Vuurhart zijn lip opkrullen van woede. Hoe durfden ze! Na alles wat de DonderClan voor hen had gedaan!
Maar Geeltand was niet geïnteresseerd in Schorspoots bericht. Ze wendde zich tot Vuurhart met een indringende blik in haar ogen. ‘Vuurhart’ miauwde ze. ‘Weet jij of er ergens kattekruid groeit in de tweebeenplaats?’
‘Kattekruid?’ echode Vuurhart.
‘Dat heb ik nodig voor Blauwster,’ verklaarde Geeltand. ‘Het is een kruid dat ik al manen niet meer gebruikt heb, maar ik denk dat het haar kan helpen.’ De medicijnkat kon nu op Vuurharts volledige aandacht rekenen. Ze vervolgde: ‘Het heeft zachte bladeren en een onweerstaanbare geur…’
Vuurhart viel haar in de rede. ‘Ja, ik weet waar ik dat kan vinden!’ Hij was het nog nooit in het bos tegengekomen, maar als kitten had hij wel eens in een kluit ervan gerold bij zijn tweebeenhuis.
‘Mooi,’ antwoordde Geeltand. Ik moet zoveel hebben als je maar kunt dragen en zo snel mogelijk.’
‘En hoe zit het nu met Tijgerklauw?’ vroeg Schorspoot.
‘Tijgerklauw zal het voorlopig in zijn eentje moeten afhandelen!’ snauwde Geeltand.
Sintelpoot had toegekeken vanaf de boomstronk. Ze kwam aanspringen. ‘Wat moet hij zelf afhandelen?’ mauwde ze opgewonden. Vuurhart legde haar het zwijgen op met een dwingende zwiep van zijn staart.
Schorspoot negeerde de leerling. ‘De SchaduwClan kan intussen best al in ons territorium zijn!’ siste hij.
Sintelpoots ogen vlogen open maar ze hield zich stil.
Geeltand dacht even na. ‘Waar is Witstorm?’ vroeg ze.
‘Hij patrouilleert bij de zonnerotsen met Zandpoot en Muisbont,’ antwoordde Schorspoot.
Geeltand knikte. ‘Met Blauwster ziek en Vuurhart weg om kattekruid te halen, kunnen we geen andere krijgers het kamp uit laten gaan. Als de SchaduwClan inderdaad in ons territorium is, zouden ze ons best hier kunnen aanvallen. Dat hebben ze al eerder gedaan,’ miauwde ze grimmig.
‘Als ik het kattekruid snel te pakken krijg, kan ik daarna naar Tijgerklauw toegaan om zijn boodschap voor Blauwster mee terug te nemen,’ stelde Vuurhart voor.
Schorspoots ogen spuwden vuur. ‘Maar hij wil dat Blauwster de bewijzen met eigen ogen ziet. De SchaduwClan heeft resten verse prooi aan onze kant van het donderpad achtergelaten!’
Geeltand legde hem met een grauw het zwijgen op.
‘Blauwster hoeft die bewijzen helemaal niet zelf te zien,’ knarste ze. ‘Het woord van haar commandant zou genoeg moeten zijn.’
‘Alleen moet Tijgerklauw verteld worden dat Blauwster niet kan komen,’ miauwde Vuurhart. ‘Ik zal hem die boodschap overbrengen nadat ik het kattekruid heb gehaald. Waar is hij?’
‘Ik ga wel!’ blies Schorspoot. ‘Denk je soms dat je een betere boodschapper bent dan ik omdat jij een krijger bent en ik nog maar een leerling?’ Hij wierp Vuurhart een blik van pure haat toe.
Maar Geeltand had geen tijd voor ruzies. ‘De Clan moet beschermd worden zolang Vuurhart weg is!’ siste ze tegen Schorspoot met platgelegde oren. ‘Is die taak niet belangrijk genoeg voor jou? Vooruit, waar is Tijgerklauw?’
‘Naast de verbrande esdoorn die over het donderpad heen hangt,’ antwoordde Schorspoot mokkend.
‘Goed,’ gromde Geeltand. ‘Ga maar, Vuurhart, vlug!’
Toen Vuurhart de open plek over rende hoorde hij kleine pootjes achter zich aan sprinten. ‘Vuurhart, wacht!’
‘Ga terug naar je hol, Sintelpoot,’ mauwde hij over zijn schouder zonder vaart te minderen.
‘Maar ik kan toch de boodschap aan Tijgerklauw gaan brengen, terwijl jij het kattekruid haalt?’
Vuurhart stond pardoes stil en draaide zich om naar zijn jonge pupil. ‘Sintelpoot, als er SchaduwClankrijgers in de buurt zijn, moet je in het kamp blijven.’ Sintelpoot keek diep teleurgesteld, maar Vuurhart had geen tijd om zich druk te maken over haar gevoelens. ‘Ga terug naar je hol,’ gromde hij en zonder haar reactie af te wachten draaide hij zich om en stormde het kamp uit.
Hij spurtte door de hoogsparren en drong snel door het kreupelhout dat de tweebeenplaats omgaf. Terwijl hij het hek opklauterde dat de grens vormde met zijn vroegere thuis, vulde vertrouwde tuingeuren zijn neusgaten. Zo’n stortvloed van herinneringen vulde zijn hoofd dat hij er even duizelig van werd. Hij dacht aan de zonnige middagen dat hij speelde in de tuin met de speeltjes die zijn tweebenen hem voorhielden. Hij verwachtte bijna zijn eten te horen ratelen en zijn poesiepoesnaam te horen roepen. Maar toen dacht hij aan Blauwster die vocht tegen de groenhoest.
Vuurhart sprong omlaag de tuin in en rende over het gazon naar de plek waar hij zich herinnerde dat er kattekruid groeide. Hij ademde diep in door zijn open mond, en slaakte een zucht van verlichting. De heerlijke geur was nog ergens hier in de buurt.
Snuffelend trippelde Vuurhart langs de rij planten. Hij zag geen kattekruid maar hij kwam de hele tijd dichter en dichter bij zijn tweebeennest. Steeds langzamer liep hij, verward door de geuren van zijn jeugd die zich vermengden met de lucht van kattekruid.
Vuurhart schudde zijn kop om helder te worden en concentreerde zich op de kattekruidgeur. Hij drong onder een grote struik die nog steeds droop van de nachtelijke regen, en vond een grote kluit van het zachte, geurige kruid. Door de recente vorst waren enkele bladeren verschrompeld, maar onder de beschutting van de struik hadden er genoeg het overleefd die Geeltand kon gebruiken. Vuurhart beet zoveel bladeren af als hij maar kon dragen. Een heerlijke smaak kwam in zijn mond, maar hij paste goed op dat hij er niet op kauwde, hoeveel zin hij daar ook in had. Blauwster zou elke druppel van hun kostbare sap nodig hebben.
Met volle kaken rende hij de tuin door, sprong over het hek en spurtte terug door het woud zonder te letten op de braamtakken die in zijn vacht haakten. Hij kreeg het gevoel dat zijn longen zouden barsten — met zijn kaken op elkaar geklemd om de kruiden vast te houden kon hij alleen door zijn neus ademen.
Geeltand stond al in de doorntunnel op hem te wachten. Vuurhart liet het kattekruid voor haar poten vallen en haalde diep adem met zwoegende flanken. Dankbaar pakte Geeltand de bladeren op en stormde weg naar Blauwsters hol.
Uithijgend in de doorntunnel besefte Vuurhart dat hij de opgewonden geur van Sintelpoot kon ruiken. Hij snuffelde over de grond om hem heen. Had Sintelpoot het kamp toch verlaten ondanks zijn waarschuwing voor SchaduwClankrijgers?
Vuurhart sprintte naar het leerlingenhol en stak zijn kop naar binnen. Stropoot was alleen. Hij sliep.
‘Waar is Sintelpoot?’ miauwde Vuurhart.
Stropoot hief slaperig zijn kop op. ‘Hè, wat?’
‘Sintelpoot! Waar is ze?’
‘Weet ik niet,’ antwoordde Stropoot verward.
Vuurhart trok zijn kop terug en keek de open plek rond. IJzelvacht ijsbeerde voor Blauwsters hol heen en weer met een warrige vacht van de stress.
Vuurhart wist niet wat hij moest doen. Hij had geen tijd om Sintelpoot zelf te gaan zoeken en hij wilde ook niet de andere krijgskatten vertellen dat ze zoek was. Grijsstreep! dacht hij ineens. Grijsstreep zou haar kunnen gaan zoeken terwijl hij naar Tijgerklauw ging. Vuurhart haastte zich naar het krijgershol en glipte naar binnen.
Grijsstreeps nest was leeg. Waar was zijn vriend nu hij hem nodig had? Alsof hij dat niet kon raden! Vuurhart snoof nijdig. Sintelpoot zou gewoon voor zichzelf moeten zorgen tot hij Tijgerklauw had gevonden en hem had verteld dat Blauwster ziek was.
Vuurhart rende terug door de doornstruiken en ging op weg naar het donderpad. Op het spoor omhoog langs het ravijn en de bossen in, rook hij Sintelpoots geur. Ze moest deze kant op zijn gegaan. Ja, natuurlijk! Ze was zelf naar Tijgerklauw toegegaan! De vacht op Vuurharts rug prikte van ongerustheid en frustratie. Hoe kon ze zo stom zijn?
Bij de zonnerotsen begon Vuurhart de stank van het donderpad te ruiken en het gebrul van de monsters te horen.
Plotseling klonk een ijle gil van de bosrand. Het werd Vuurhart koud om het hart. Het was de gil die hij in zijn droom had gehoord.
Hij rende het bos uit en kwam glijdend op de grasrand naast het donderpad tot stilstand. Wanhopig tuurde hij de berm op en neer en zag een esdoorn die door de bliksem getroffen was. Dat moest de plaats zijn waar volgens Schorspoot Tijgerklauw had gewild dat Blauwster hem ontmoette. Maar de commandant kwam in de verte op zijn gemak kalmpjes naar de esdoorn toe wandelen.
Vuurhart zette het op een lopen. De berm was hier heel smal, met nauwelijks genoeg ruimte voor een konijn, maar Vuurhart rende door. Onder het rennen schreeuwde hij naar Tijgerklauw: ‘Heb je die gil gehoord?’ Maar zijn woorden werden overstemd door het gebrul van een monster.
Vuurhart huiverde toen het voorbij denderde, hij wachtte tot het geluid wegstierf zodat hij opnieuw Tijgerklauw kon toeroepen. Ineens zag hij iets naast de esdoorn liggen, een donkere vorm op de smalle strook gras. Met een misselijkmakende schok herkende hij het kleine lijfje dat bewegingloos naast het donderpad lag. Het was Sintelpoot.