Hoofdstuk 17 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
Vol afschuw staarde Vuurhart naar haar. Tijgerklauw had het slappe lichaam nu bereikt en keek erop neer, zijn brede schouders verstijfd van de schok. Vuurhart dwong zichzelf dichterbij. Behoedzaam strekte hij zijn nek uit en snoof aan Sintelpoots flank. Ze rook naar donderpad. Een van haar achterpoten was verdraaid en glinsterde van het bloed. Vuurhart beefde zo erg dat hij bijna niet kon blijven staan. Toen zag hij haar flank bewegen. Ze ademde nog! Sprakeloos van opluchting keek hij naar Tijgerklauw op.
‘Ze leeft nog,’ gromde de commandant. Hij richtte zijn amberkleurige blik op Vuurhart. ‘Wat moest ze hier?’
‘Ze zocht jou,’ fluisterde Vuurhart.
‘Bedoel je dat jij haar gestuurd hebt?’
Vuurharts ogen schoten open van verrassing. Dacht Tijgerklauw echt dat hij zo stom zou zijn? ‘Ik had haar gezegd dat ze in het kamp moest blijven!’ protesteerde hij. ‘Ze is uit zichzelf gegaan.’ Omdat ik niet genoeg overwicht op haar had om haar te laten gehoorzamen, besefte hij ontzet.
Tijgerklauw snoof. ‘We moeten haar naar huis brengen.’
Met open mond boog hij zich voorover naar het kleine verfomfaaide lijfje, maar Vuurhart dook naar voren en pakte zijn leerling bij haar nekvel vóór Tijgerklauw haar kon aanraken. Hij begon Sintelpoot het bos in te sjouwen met haar lijf slaphangend tussen zijn voorpoten.
Donkerstreep kwam aangesprongen. ‘Ik heb de slangenrotsen weer doorzocht, Tijgerklauw, maar er is niets dat wijst op Schaduw…’ Hij brak af toen hij Sintelpoot uit Vuurharts mond zag bengelen. ‘Wat is er gebeurd?’
Vuurhart wachtte Tijgerklauws antwoord niet af. Hij strompelde weg tussen de bomen met zijn kostbare last.
Hij had dit ongeluk kunnen voorkomen! Als hij ervoor had gezorgd dat Sintelpoot deed wat hij zei, als hij een betere mentor was geweest. Nu hing ze verminkt en bloedend tussen zijn kaken en maakte geen enkel geluidje. Haar achterpoten trokken een ondiep spoor door de bladeren terwijl Vuurhart haar naar huis droeg.
Geeltand was niet in haar hol. De twee kittens met withoest lagen samen opgerold in hun schuilplaats te slapen. Vuurhart legde Sintelpoot op de koude grond en maakte een nest voor haar in de verdorde varens door er rond en rond in te draaien. Toen hij klaar was, greep hij Sintelpoot in haar nekvel en trok haar er voorzichtig in.
‘Vuurhart?’ miauwde Geeltand vanaf het grasveldje. Tijgerklauw moest haar over Sintelpoot hebben verteld. Vuurhart hupte het nest uit. ‘Ze ligt hierbinnen,’ zei hij hees, slap van opluchting bij het zien van de medicijnkat.
‘Laat me kijken,’ beval Geeltand. Ze drong langs Vuurhart heen en klom in de varens om Sintelpoot te onderzoeken. Vuurhart ging zitten en wachtte af.
Eindelijk sprong Geeltand naar buiten. ‘Ze is heel ernstig gewond,’ mauwde ze, haar ogen donker van bezorgdheid. ‘Maar misschien kan ik haar redden.’
Dat was een glimpje hoop, als een enkele dauwdruppel die fonkelde op zijn pels. Vuurhart voelde hem even glinsteren voor Geeltand vervolgde: ‘Ik kan niets beloven. Ze keek Vuurhart diep in de ogen en murmelde: ‘Blauwster is doodziek en ik kan niets meer voor haar doen. De SterrenClan moet nu over haar lot beslissen.
Vuurharts ogen werden troebel van emotie; hij kon Geeltands gezicht nauwelijks meer zien, maar hij hoorde haar weer met zachte stem tegen hem spreken. ‘Ga bij Blauwster zitten,’ miauwde ze. ‘Ze vroeg naar je, ik zal voor Sintelpoot zorgen.’
Vuurhart knikte blind en draaide zich om. Blauwster was zijn mentor geweest, en nog sterker: er was al sinds hun eerste ontmoeting een band tussen hen geweest. Maar hij voelde zich verscheurd. Hij zou ook bij Sintelpoot moeten blijven.
Een schaduw doemde op aan het uiteinde van de varentunnel. Tijgerklauw zat bij de ingang van Geeltands hol, met hoog opgeheven kop zoals gewoonlijk. Vuurharts schouders verstijfden van boosheid. Waarom kon de grote krijger geen enkel teken van verdriet tonen? Per slot van rekening was Sintelpoot op dat moment naar hem op weg geweest. En waarom? Vuurhart had nergens iets van prooiresten van de SchaduwClan gezien! Zonder een woord liep hij langs Tijgerklauw heen en stak de open plek over naar Blauwsters hol.
Langstaart zat buiten op wacht. Hij keek hem van opzij aan maar hij deed geen poging Vuurhart tegen te houden toen de jonge krijger door de mosslierten naar binnendrong.
Goudsbloem, een van de moederkatten, zat binnen. Vuurhart zag haar ogen glanzen in het duister en de bleke vacht van Blauwster die opgerold in haar nest lag. Goudsbloem boog zich naar voren en likte zachtjes Blauwsters kop om die af te koelen, als een moeder die voor haar jong zorgt. Vuurhart dacht met pijn in zijn hart aan Sintelpoot. Zou IJzelvacht al bij haar dochter zijn?
‘Geeltand heeft haar kattekruid en moederkruid gegeven,’ murmelde Goudsbloem tegen Vuurhart. ‘Nu kunnen we nog alleen maar toekijken en afwachten.’ Ze stond op en raakte Vuurharts neus aan met haar snuit. ‘Kun jij even bij haar blijven?’ fluisterde ze. Vuurhart knikte en Goudsbloem trippelde zachtjes het hol uit.
Vuurhart liet zich op zijn buik neerzakken waarbij hij zijn voorpoten zo ver voor zich uitstrekte dat ze net zijn leiders gezicht raakten. Heel stil bleef hij liggen, zijn ogen strak op Blauwsters slappe lijf gevestigd. Ze had niet eens genoeg kracht meer om te hoesten. Vuurhart hoorde haar ademhalen in de duisternis, oppervlakkig en schurend. Hij bleef naar het haperende ritme luisteren terwijl de nacht langzaam voorbijging.
Haar adem stokte vlak voor de dageraad. Vuurhart was bijna ingedommeld toen hij besefte dat het stil werd in de grot. Geen geluid klonk van het kamp buiten, er heerste een doodse stilte, alsof de hele Clan zijn adem inhield.
Blauwster bleef bladstil. Vuurhart wist dat ze bij de SterrenClan was om zich voor te bereiden op haar overgebleven leven. Hij had Blauwster al eerder een leven zien verliezen. Zijn vacht prikkelde van de spookachtige rust die haar lichaam leek te omgeven, maar er was niets wat hij kon doen, dus wachtte hij.
Plotseling haalde Blauwster diep adem. ‘Vuurhart, ben jij dat?’ miauwde ze met een krakende stem.
‘Ja, Blauwster,’ murmelde Vuurhart. ‘Ik ben hier.’
‘Ik heb nog een leven verloren.’ Blauwsters stem was zwak, maar van opluchting wilde Vuurhart zich naar haar toebuigen om haar tussen de oren te likken net als Goudsbloem had gedaan. ‘Wanneer ik dit leven verlies, zal ik niet meer kunnen terugkeren.’
Vuurhart slikte. De gedachte dat de Clan zijn grote leider zou verliezen deed pijn, maar de gedachte dat hij zijn mentor en zijn vriendin zou verliezen deed nog veel meer pijn. ‘Hoe voel je je? Zal ik Geeltand halen?’
Blauwster schudde langzaam haar kop. ‘De koorts is weg. Ik ben niet ziek meer. Ik heb alleen rust nodig.’
‘Goed,’ miauwde Vuurhart. Licht drong door de mosslierten naar binnen en hij was duizelig van zijn doorwaakte nacht.
‘Je zult wel moe zijn,’ miauwde Blauwster. Ga nog maar wat slapen.’
‘Ja.’ Vuurhart hees zich overeind. Zijn poten waren stijf van het lange liggen. ‘Heb je nog iets nodig?’
‘Nee. Vertel alleen Geeltand wat er gebeurd is,’ antwoordde Blauwster. ‘Bedankt dat je bij me gebleven bent.’ Vuurhart probeerde te snorren maar het stokte in zijn keel. Er zou later nog tijd genoeg zijn voor woorden. Hij drong door de mosslierten het hol uit.
Buiten knipperde hij tegen het schelle licht. Het had ’s nachts gesneeuwd. Verbaasd staarde Vuurhart om zich heen. Hij had nooit eerder sneeuw gezien — toen hij nog heel klein was hadden zijn tweebeeneigenaars hem binnengehouden wanneer het koud was. Maar hij had de oudsten van de Clan erover horen vertellen. Hij knikte naar Donkerstreep, die Langstaart had vervangen om de wacht te houden bij Blauwsters hol, en stapte in het vreemde poeder. Het voelde nat en koud, en het knarste onder zijn poten.
Tijgerklauw stond op de open plek. Het sneeuwde nog steeds en de vlokken bleven zonder te smelten op de dikke vacht van de cyperse kater liggen. Vuurhart hoorde hem orders geven om de wand van de kraamkamer te bedekken met bladeren om de kou buiten te houden. ‘Daarna wil ik dat er een gat wordt uitgeschraapt waar we prooi in kunnen opslaan,’ beval de commandant. ‘Gebruik sneeuw om het te bekleden, en bedek het met nog meer sneeuw wanneer het vol is. We kunnen de sneeuw net zo goed gebruiken, nu hij er is.’
Om Tijgerklauw heen renden krijgers af en aan om zijn orders uit te voeren. ‘Muisbont, Langstaart! Organiseer een paar jachtteams. We moeten zoveel prooi te pakken zien te krijgen als we kunnen, voor alle prooi zich volledig in hun hol terugtrekt.’ Ineens zag Tijgerklauw Vuurhart de open plek oversteken. ‘Hee, wacht eens even, Vuurhart,’ riep hij. ‘O nee, jij zult wel moeten rusten. Ik denk niet dat we vanmorgen veel aan jou zouden hebben bij de jacht.’
Vuurhart staarde de donkere krijger aan. Vijandschap rees bitter als gal op in zijn keel, ‘Ik ga eerst kijken hoe het met Sintelpoot gaat,’ gromde hij.
Tijgerklauw bleef hem even aankijken. ‘Hoe is het met Blauwster?’
Wantrouwen golfde als een koude windvlaag door Vuurharts vacht. Hij had Blauwster al een keer tegen Tijgerklauw horen liegen over hoeveel levens ze nog over had. ‘Ik ben geen medicijnkat,’ antwoordde hij. ‘Dat weet ik niet.’
Tijgerklauw snoof ongeduldig, draaide zich om en ging door met bevelen uitdelen. Vuurhart liep naar Geeltands hol, opgelucht te kunnen ontsnappen aan de grote drukte van het kamp. Zijn hart begon te bonzen toen hij zich afvroeg hoe hij Sintelpoot zou aantreffen. ‘Geeltand,’ riep hij.
‘Sst!’ Geeltand sprong tevoorschijn uit Sintelpoots nest. ‘Ze slaapt eindelijk. Ze heeft een zware nacht gehad. Ik kon haar geen papaverzaad geven tegen de pijn voor ze was bekomen van de shock.’
‘Maar ze blijft leven?’ Vuurharts poten voelden wankel van opluchting.
‘Daar kan ik de eerste dagen niet zeker van zijn. Ze is inwendig gewond en een van haar achterpoten is slecht gebroken.’
‘Maar dat komt toch wel weer goed?’ smeekte Vuurhart radeloos. ‘Tegen nieuwblad zal ze toch wel weer kunnen trainen?’
Geeltand schudde haar kop. Haar gele ogen stonden meelevend. ‘Vuurhart, wat er ook gebeurt, Sintelpoot zal nooit krijger kunnen worden.’
Het duizelde Vuurhart. Hij was al draaierig van slaapgebrek en dit vreselijke nieuws ontnam hem zijn laatste beetje energie. Sintelpoot was hem toevertrouwd om tot krijger getraind te worden. De herinneringen aan de naamceremonie staken als scherpe doornen — Sintelpoots opwinding, de moederlijke trots van IJzelvacht… ‘Weet IJzelvacht het?’ miauwde hij met een hol gevoel.
‘Ja, ze is hier tot zonsopgang geweest. Ze is nu terug naar de kraamkamer; er zijn andere kittens die verzorgd moeten worden. Ik zal een van de oudsten vragen bij Sintelpoot te blijven zitten. Ze moet warm gehouden worden.’
‘Dat kan ik wel doen.’ Vuurhart trippelde naar het nest waarin Sintelpoot lag te slapen, en keek naar binnen. Ze kronkelde en haar bloederige flanken zwoegden alsof ze in haar slaap een gevecht leverde.
Geeltand gaf Vuurhart een klein duwtje met haar neus. ‘Jij moet slapen,’ zei ze schor. ‘Laat Sintelpoot maar aan mij over.’
Vuurhart bleef waar hij was. ‘Blauwster heeft weer een leven verloren,’ barstte hij los. Geeltand knipperde even met haar ogen en lichtte haar kop op naar de SterrenClan. Ze zei niets, maar Vuurhart zag de angst in haar oranje ogen.
‘Je weet het, hè?’ murmelde hij.
Geeltands kop zakte omlaag en ze keek in zijn ogen.
‘Dat dit Blauwsters laatste leven is? Ja, dat weet ik. Een medicijnkat weet zulke dingen.’
‘Zal de rest van de Clan het ook kunnen zien?’ vroeg Vuurhart, denkend aan Tijgerklauw.
Geeltand versmalde haar ogen. ‘Nee. Ze zal in dit leven niet zwakker zijn dan in de andere.’
Vuurhart knipperde dankbaar met zijn ogen.
‘Vooruit,’ miauwde Geeltand. Wil je wat papaverzaad om je te helpen slapen?’
Vuurhart schudde zijn kop. Een deel van hem verlangde naar de diepe gemakkelijke slaap die ze hem zouden geven. Maar als Tijgerklauw gelijk had en de SchaduwClan echt op het punt stond de grenzen van de DonderClan te overvallen, wilde hij al zijn zintuigen scherp houden. Ze zouden hem nodig kunnen hebben om het kamp te verdedigen.
* * *
Grijsstreep was terug in het krijgershol. Vuurhart zei geen woord tegen hem; woede over zijn afwezigheid van gisteravond bleef schrijnen als een gekneusde plek. Hij trippelde in stilte naar zijn nest, draaide een keer rond en ging zich zitten wassen.
Grijsstreep keek op. ‘Dus je bent terug.’ Het klonk scherp, alsof hij nog meer wilde zeggen.
Vuurhart hield op met het likken van zijn voorpoot en staarde naar Grijsstreep.
‘Jij hebt geprobeerd Zilverstroom weg te houden,’ siste Grijsstreep woedend. Wilgvacht, die aan de andere kant van het hol lag te dommelen, deed een oog open en sloot het weer.
Grijsstreep liet zijn stem dalen. ‘Bemoei je er niet mee!’ spuugde hij. ‘Ik ga door met haar ontmoeten, wat je ook zegt of doet.’
Vuurhart snoof en wierp een boze blik op zijn vriend. Zijn gesprek met Zilverstroom leek zo lang geleden dat hij het al bijna vergeten was. Maar hij was niet vergeten dat Grijsstreep er niet was toen hij zijn hulp nodig had om Sintelpoot te zoeken. Hij legde zijn kop boos op zijn modderige voorpoten en sloot zijn ogen. Sintelpoot vocht tegen haar verwondingen en Blauwster was begonnen aan haar negende leven. Wat Vuurhart betreft moest Grijsstreep maar doen wat hij niet laten kon.