Hoofdstuk 2 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
OP DE rand van het grasveld bleef Blauwster staan met haar Clan in gelid naast zich. Een paar katten van de RivierClan en de SchaduwClan draaiden zich om en begroetten hen.
‘Waar was jij gebleven?’ Grijsstreep verscheen naast Vuurharts schouder.
Vuurhart schudde zijn kop. ‘Dat doet er niet toe.’
Hij was nog steeds ontdaan en verward van het gesprek met Blauwster en hij was blij dat Grijsstreep niet verder aandrong, maar in plaats daarvan het grasveld rondkeek.
‘Hee, moet je zien,’ miauwde hij. ‘De SchaduwClankatten zien er veel sterker uit dan ik had verwacht. Als je bedenkt dat Brokkelster ze halfverhongerd achterliet.’
Vuurpoot volgde zijn blik naar een gezond uitziende SchaduwClankrijger. ‘Je hebt gelijk,’ riep hij verwonderd.
‘Maar wij hebben natuurlijk wel het grootste deel van het vechten voor ze gedaan!’ mauwde Grijsstreep smalend.
Vuurharts geamuseerde gesnor werd onderbroken door Witstorm, ‘De SchaduwClankatten hebben net zo hard gevochten als wij om Brokkelster te verjagen. We moeten ze prijzen om de vastberaden manier waarop ze het herstel hebben aangepakt,’ miauwde hij streng voor hij wegslenterde naar een groep krijgskatten die zich onder een van de grote eiken had verzameld.
‘Oei!’ mauwde Grijsstreep met een schuldbewuste blik op Vuurhart.
De jonge krijgers bleven op de rand van de open plek. Vuurhart herkende meteen de leerlingen van de andere Clans — hun vacht zag er kittenzacht uit, hun gezichten waren rond en hun poten plomp en stuntelig.
Twee krijgskatten kwamen op Grijsstreep en Vuurhart af, met een kleine bruine leerling in hun kielzog. Vuurhart herkende de grijsgestreepte cyperse kater van de SchaduwClan, maar niet de bruinzwarte kater die hij bij zich had.
‘Hallo!’ miauwde de grijze kater.
‘Ha Natvoet,’ antwoordde Vuurhart. Hij keek naar de donkerbruine kat.
Natvoet miauwde: ‘Dit is Zwartklauw van de RivierClan.’
Grijsstreep en Vuurhart knikten hem toe. De leerling kwam verlegen naar voren.
‘En dit is mijn leerling, Eikenpoot,’ voegde Natpoot eraan toe.
Eikenpoot keek met wijdopen, angstige ogen naar Vuurhart op. ‘D-dag Vuurhart,’ mauwde hij. Vuurhart begroette hem met een knikje.
‘Ik hoor dat Blauwster jullie krijgers heeft gemaakt na het gevecht,’ miauwde Natpoot. ‘Gefeliciteerd! Het moet een koude nachtwacht zijn geweest.’
‘Dat was het zeker!’ beaamde Grijsstreep.
‘Wie is dat?’ viel Vuurpoot hem in de rede. Een mooie poes met een gevlekte bruine vacht had zijn aandacht getrokken. Ze was in gesprek met Tijgerklauw naast de Groterots die in het midden van het grasveld stond.
‘Dat is Luipaardvacht, onze commandant,’ gromde de RivierClankrijger.
Vuurharts vacht verstijfde bij de gedachte aan de vorige RivierClancommandant, Eikenhart, en hoe hij was omgekomen in de strijd met de DonderClan. Hij hoefde gelukkig niets te zeggen omdat Blauwster op de Groterots sprong om de Vergadering te beginnen. Twee andere katten voegden zich bij haar en een van hen, een oudere zwarte kater, riep de katten op zich onderaan de rots te verzamelen. Vuurhart herkende de zwarte kater, en kon er niets aan doen dat hij verbaasd was. Was de oude Nachtpels leider van de SchaduwClan geworden na de vlucht van Brokkelster?
Nadat de katten zich voor de Groterots hadden geïnstalleerd nam Blauwster het woord. ‘De DonderClan heeft hun nieuwe medicijnkat meegebracht naar deze vergadering, Geeltand,’ verklaarde ze officieel. Ze zweeg even en alle ogen werden gevestigd op de oude poes met de dikke vacht en de platte snuit. Vuurhart zag hoe ze met haar flanken over de harde grond schuifelde. Toen Vuurhart pas leerling was geworden had hij bijna een hele maan lang voor de oude poes gezorgd, vanaf het moment dat ze ziek het DonderClankamp was binnengebracht tot ze weer op krachten was gekomen. Nu zag hij aan het even draaien van haar rechteroor dat ze zich onbehaaglijk voelde onder de blikken van de andere Clans. Geeltand was medicijnkat van de SchaduwClan geweest en het gebeurde haast nooit dat katten de ene Clan inruilden voor de andere. Ze keek de menigte langzaam rond tot ze de ogen van Loopneus, de nieuwe medicijnkat van de SchaduwClan, ontmoette. Er was even een pauze en daarna wisselden ze een respectvol knikje uit. Geeltands oor rechtte zich en Vuurhart ontspande.
Opnieuw nam Blauwster het woord: ‘Ook brengen wij twee nieuwbenoemde krijgers mee: Vuurhart en Grijsstreep.’
Vuurhart hield zijn kop fier omhoog, maar toen hij voelde dat alle ogen op hem gericht werden zwiepte zijn staart nerveus heen en weer van verlegenheid.
Nachtpels stapte naar voren, hij liep rakelings langs Blauwster heen naar het hoogste punt van de rots.
‘Ik, Nachtpels, heb het leiderschap van de SchaduwClan overgenomen,’ verklaarde hij. ‘Onze vroegere leider, Brokkelster, heeft de krijgscode overtreden en dus moesten we hem wel verstoten.’
‘En geen woord over het feit dat wij hem daarmee geholpen hebben,’ fluisterde Grijsstreep tegen Vuurhart.
Nachtpels vervolgde: ‘De geesten van onze voorouders hebben tegen Loopneus gesproken en mij als leider gekozen. Ik ben nog niet naar de Moedermuil gereisd om de gift van negen levens van de SterrenClan te ontvangen, maar die tocht zal ik morgenavond maken wanneer de maan nog vol is. Na mijn wacht bij de Maansteen zal ik bekend staan als Nachtster.’
‘Waar is Brokkelster nu?’ riep een stem uit de menigte. Het was IJzelvacht, de witte moederkat van de DonderClan.
‘Ik denk dat we kunnen aannemen dat hij het woud heeft verlaten samen met de andere verbannen krijgers. Hij weet dat het levensgevaarlijk voor hem zou zijn om te proberen terug te komen,’ antwoordde Nachtpels.
‘Dat hoop ik maar,’ hoorde Vuurhart IJzelvacht mompelen tegen haar buurvrouw, een mollige bruine moederkat.
De leider van de RivierClan, Kromster, stapte naar voren. ‘Laten we hopen dat Brokkelster zo verstandig is geweest het woud voorgoed te verlaten. Zijn honger naar meer territorium vormde een bedreiging voor ons allemaal.’
Kromster wachtte tot de bijval was weggeëbd voor hij verderging. ‘Zolang Brokkelster de SchaduwClan leidde, stond ik hem toe in onze rivier te jagen. Maar nu heeft de SchaduwClan een nieuwe leider en kan die afspraak niet langer standhouden. De prooi in onze rivier behoort alleen toe aan de RivierClan.’
Triomfantelijke kreten klonken op van de andere RivierClankatten, maar Vuurhart zag met schrik dat Nachtpels’ haren overeind rezen.
Nachtpels verhief zijn stem. ‘De SchaduwClan heeft nog steeds dezelfde behoeften als onder Brokkelster. Wij hebben vele monden te vullen. Jij hebt een afspraak gemaakt met de gehele SchaduwClan!’
Kromster sprong op en draaide zich om naar Nachtpels. Hij legde zijn oren in zijn nek en blies. De andere katten beneden werden doodstil.
Vlug stapte Blauwster tussen de twee leiders in. ‘De SchaduwClan heeft pas veel leden verloren,’ mauwde ze zachtjes. ‘Nachtpels, heb je de vis van de RivierClan echt nodig nu er minder monden te voeden zijn?’
Kromster blies nogmaals, maar Nachtpels bleef hem strak zonder terugdeinzen aankijken.
Blauwster sprak opnieuw, dit keer met meer kracht, ‘Jullie hebben net jullie leider en enkele van jullie sterkste krijgers verjaagd! En Brokkelster ging regelrecht tegen de krijgscode in toen hij de afspraak de rivier te delen van Kromster afdwong.’
Vuurhart slikte onbehaaglijk bij het zien van Nachtpels’ ontblote nagels, maar Blauwster vertrok geen spier. Haar ijzig blauwe blik fonkelde in het maanlicht toen ze gromde: ‘Denk eraan dat je nog niet eens je negen levens van de SterrenClan hebt ontvangen. Ben je zo zeker van je zaak dat je deze eisen durft te stellen?’ Vuurhart spande al zijn spieren toen hij voelde hoe de haren van de katten om hem heen werden opgezet. De hele menigte wachtte op Nachtpels’ antwoord.
Boos keek Nachtpels weg. Zijn staart zwiepte van de ene kant naar de andere maar hij zei niets.
Blauwster had gewonnen. Haar stem werd zachter.
‘We weten allemaal dat de SchaduwClan de laatste paar manen veel te lijden heeft gehad,’ miauwde ze. ‘De DonderClan heeft beloofd jullie met rust te laten tot jullie de tijd hebben gehad daarvan te herstellen.’ Ze keek naar Kromster. ‘Ik weet zeker dat Kromster bereid zal zijn jullie met evenveel respect te behandelen.’
Kromster kneep zijn ogen halfdicht en knikte. ‘Maar alleen zolang er geen SchaduwClangeur in ons territorium wordt geroken,’ gromde hij.
Vuurhart ontspande zich en de vacht op zijn schouders ging weer liggen. Nu hij wist hoe het was om aan een echt gevecht deel te nemen had hij nog meer bewondering voor de moed van zijn leider om deze twee formidabele krijgers uit te dagen. Gedempt gemiauw van opluchting en bijval klonk in de menigte nu de spanning op de Groterots plotseling verdwenen was.
‘Je zult ons niet ruiken, Kromster,’ mauwde Nachtpels. ‘Blauwster had gelijk. We hebben jullie vis niet nodig. Per slot van rekening beschikken we nog over het hoogland om in te jagen nu de WindClan zijn territorium heeft verlaten.’
Kromster keek naar Nachtpels en zijn gezicht klaarde op. ‘Dat is waar,’ beaamde hij. ‘Dat betekent meer prooi voor ons allemaal.’
Blauwster lichtte prompt haar kop op. ‘Nee! De WindClan moet terugkomen!’
Kromster en Nachtpels keken naar de DonderClanleider. ‘Waarom?’ vroeg Kromster.
‘Maar als we de jachtgronden van de WindClan delen betekent dat meer voedsel voor al onze jongen!’ protesteerde Nachtpels.
‘Het woud heeft vier Clans nodig,’ hield Blauwster vol. ‘Net zoals we Vierboom en vierjaargetijden hebben, heeft de SterrenClan ons vier Clans gegeven. We moeten zo snel mogelijk de WindClan vinden en terug naar huis brengen.’
De DonderClankatten verhieven hun stem om hun leider te steunen, maar Kromsters ongeduldige kreet klonk boven alles uit. ‘Dat is een zwak argument, Blauwster. Hebben we echt vier seizoenen nodig? Zou je bladkaal niet liever overslaan met alle kou en honger die hij meebrengt?’ Blauwster keek de krijgskatten naast haar kalm aan.
‘De SterrenClan heeft ons bladkaal gegeven zodat de aarde zich kan herstellen en zich op nieuwblad kan voorbereiden. Dit woud en het hoogland hebben al generatieslang vier Clans onderhouden. Het is niet aan ons te twijfelen aan de SterrenClan.’
Luipaardvacht, de commandant van de RivierClan, sprong op. ‘Waarom zouden wij honger lijden ten behoeve van een Clan die zijn territorium niet eens kan verdedigen?’ riep ze.
‘Blauwster heeft gelijk! De WindClan moet terugkeren!’ blies Tijgerklauw terug en richtte zich hoog op zodat hij uittorende boven de katten om hem heen.
Blauwster sprak weer. ‘Kromster,’ miauwde ze tegen de RivierClanleider, ‘de jachtgronden van de RivierClan staan bekend om hun overvloed. Jullie hebben de rivier en alle vis die daarin zit. Waarom hebben jullie extra prooi nodig?’
Kromster keek weg en gaf geen antwoord. Vuurhart zag de RivierClan druk onder elkaar murmelen. Hij vroeg zich af waarom de vraag van Blauwster hen tegen de haren had instreken.
‘En Nachtpels,’ vervolgde Blauwster, ‘het was Brokkelster die de WindClan van hun terrein heeft verdreven,’ De breedgeschouderde poes zweeg even. ‘En dat is de reden dat de DonderClan jullie heeft geholpen hem te verjagen.’
Vuurhart versmalde zijn ogen. Hij wist dat Blauwster Nachtpels er kalmpjes aan herinnerde wat hij de DonderClan verschuldigd was.
De SchaduwClanleider kneep zijn ogen halfdicht. Na een stilte die wel een jaar leek te duren, sperde Nachtpels zijn ogen wijdopen en miauwde: ‘Goed dan, Blauwster. We zullen toestaan dat de WindClan terugkeert.’
Vuurhart zag Kromster zijn kop boos afwenden, zijn ogen tot zwarte spleetjes geknepen.
Blauwster knikte. ‘Twee van ons zijn het eens, Kromster,’ miauwde ze. ‘De WindClan moet gevonden en teruggebracht worden. Tot die tijd mag geen Clan in hun territorium jagen.’
De Grote Vergadering was afgelopen en de katten maakten zich op om terug te keren naar hun kamp. Vuurhart bleef nog even naar de leiders op de Groterots zitten kijken. Blauwster raakte Kromsters neus aan en sprong op de grond. Op de rots draaide Kromster zich om naar Nachtpels. Er was iets in de blik die zij uitwisselden dat Vuurharts vacht deed prikkelen. Kon het zijn dat Blauwster toch niet op Nachtpels’ steun kon rekenen?
Vuurhart keek vlug om zich heen. Aan de boosheid in Tijgerklauws ogen zag hij dat hun blik ook niet aan de commandant was voorbijgegaan.
Dit keer deelde Vuurhart Tijgerklauws zorgen. Dit was een verandering in Clanbetrekkingen die hij niet had verwacht. Hoe kon de SchaduwClan de kant van de RivierClan kiezen na alle risico’s die de DonderClan had gelopen om hen te helpen Brokkelster te verdrijven?