Hoofdstuk 21 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
VUURHART STAARDE naar het kleintje. ‘Ik had nooit verwacht …’ begon hij. Hij rukte zijn blik los van het jong en staarde zijn zuster zwijgend aan.
‘Mijn huismensen zullen uitmaken waar de anderen heengaan,’ vervolgde Prinses. ‘Maar hij is mijn eerstgeborene en zijn toekomst wil ik bepalen.’ Ze hief haar kin op. ‘Alsjeblieft, maak een held van hem. Net als jij!’
Het verwarrende gevoel van eenzaamheid dat Vuurhart zo lang had bedrukt, begon weg te ebben. Hij zag het witte jong al in de Clan waar hij hem wegwijs maakte in het bos en naast hem op jacht ging door de dikke varens. Eindelijk zou er nog iemand in de DonderClan zijn die ook poesiepoeswortels had.
Prinses hield haar kop scheef. ‘Ik weet hoe je van streek was over je leerling. Ik dacht dat als je een nieuwe leerling had — iemand van je eigen familie — je je niet meer zo eenzaam zou voelen.’ Ze rekte zich uit en legde haar neus tegen Vuurharts zijde. ‘Ik begrijp niet alles van jullie Clan, maar als ik jou zie en je over jullie manier van leven hoor praten, weet ik dat ik het een eer zou vinden als mijn zoon als Clankat werd grootgebracht.’
Na de eerste golf van vreugde dacht Vuurhart aan de rest van zijn Clan en hoe dringend ze krijgers nodig hadden. Sintelpoot zou nu nooit meer krijger worden. En wat als de groenhoest nog meer levens zou kosten dan alleen dat van Blauwster? De DonderClan zou dit kitten misschien hard nodig hebben.
Hij werd zich plotseling bewust van de regen die aan zijn vacht bleef hangen. Het kleintje moest beschutting hebben, en snel ook. Het zag er sterk uit, maar het was nog te klein om lang kou en natheid te kunnen verdragen.
‘Ik zal hem meenemen,’ miauwde hij. Dit is een groot geschenk dat je de DonderClan hebt gegeven. En ik zal hem trainen tot de beste krijger, die de Clan ooit heeft gekend!’ Hij bukte en pakte het jong op bij zijn nekvel.
Prinses’ ogen straalden van dankbaarheid en trots. ‘Dank je wel, Vuurhart,’ snorde ze. ‘Wie weet zal hij ooit nog eens een leider worden en negen levens krijgen!’
Vuurhart keek vol genegenheid naar het vertrouwen en de hoop op haar gezicht. Geloofde zijn zusje echt dat dat kon gebeuren? Ineens voelde hij een steek van twijfel. Hij nam dit kitten mee naar een kamp dat besmet was met groenhoest. Wat als hij groenblad niet eens haalde? Maar de knusse geur van het jong onder zijn neus suste hem. Dit kitten zou het overleven. Hij was sterk en zijn vlees en bloed. Vuurhart haalde diep adem. Hij moest snel zijn — het jong begon al koud te worden. Hij knipperde ten afscheid naar Prinses en rende de struiken in.
Het jong was zwaarder dan hij had verwacht. Hij bengelde uit zijn mond en stootte tegen zijn voorpoten met kleine piepjes van protest. Tegen de tijd dat Vuurhart het ravijn bereikte had hij behoorlijk pijn in zijn nek. Bij de afdaling naar het kamp zette hij zijn ene poot zorgvuldig voor de andere en paste hij goed op dat hij niet uitgleed in de snel smeltende sneeuw.
Bij de ingang aarzelde Vuurhart. Voor het eerst vroeg hij zich af hoe hij dit kitten aan de Clan moest uitleggen — hij zou moeten uitleggen dat hij zijn poesiepoeszusje een paar keer had bezocht. Maar nu was het al te laat. Hij voelde het kleintje bibberen. Vuurhart rechtte zijn schouders en trippelde door de doorntunnel. Het jong slaakte een oorverdovende kreet toen een doorn aan zijn velletje rukte. Verschillende paren ogen draaiden zich verbaasd om naar Vuurhart toen hij het kamp binnenliep.
Beide jachtgroepen waren al terug. Muisbont, Witstorm, Zandpoot en Stropoot stonden op de open plek. Alleen Grijsstreep ontbrak. De een na de ander kwam de rest van de Clan tevoorschijn, uit hun holen gelokt door het kabaal en de onbekende geur. Geen van de katten gaf een kik. Ze staarden allemaal naar Vuurhart, met verbijsterde, vijandige ogen, alsof hij een vreemdeling was.
Midden op de open plek draaide Vuurhart langzaam rond met het jong nog steeds uit zijn mond bengelend en keek naar de cirkel van vragende ogen. Zijn mond werd droog. Waarom had hij zomaar aangenomen dat de Clan een kitten zou accepteren dat niet eens in het bos was geboren?
Hij voelde een golf van opluchting toen hij Blauwster uit Geeltands hol zag komen. Maar ze sperde haar ogen verwonderd open toen ze hem zag. ‘Wat is dit? vroeg ze.
Een koude rilling gleed langs Vuurharts ruggengraat.
Hij zette het jong tussen zijn voorpoten en wikkelde zijn staart om hem heen om hem warm te houden. Het is het eerstgeboren jong van mijn zusje,’ antwoordde hij.
‘Je zusje!’ Tijgerklauw staarde hem beschuldigend aan.
‘Heb jij een zusje?’ riep Spikkelstaart. ‘Waar dan?’
‘Dezelfde plaats waar Vuurhart is geboren natuurlijk,’ siste Langstaart vol afschuw. De Tweebeenplaats!
‘Is dat waar?’ vroeg Blauwstaart, Haar ogen gingen nog wijder open.
‘Ja,’ gaf Vuurhart toe. ‘Mijn zusje heeft hem aan mij gegeven om mee naar de Clan te nemen.
‘En waarom zou ze zoiets doen?’ vroeg Blauwster met dreigende kalmte.
Vuurhart stamelde zenuwachtig: ‘Ik heb haar verteld over het leven in de Clan… hoe geweldig dat is…’ Zijn stem stierf weg onder Blauwsters ongelovige blik.
‘Hoelang breng jij al bezoekjes aan de tweebeenplaats?
‘Niet lang, pas sinds het begin van bladkaal. Maar alleen om mijn zusje te zien. Ik ben nog steeds loyaal aan de DonderClan.’
‘Loyaal?’ Donkerstreeps stem galmde over de open plek. ‘En toch breng je een poesiepoes hier?’
‘Is één poesiepoes in de Clan nog niet genoeg? kraakte een van de oudsten.
‘Echt iets voor een poesiepoes om een andere poesiepoes op te duikelen!’ snauwde Schorspoot en zette verontwaardigd zijn haren op. Hij wendde zich tot Zandpoot en gaf haar een duwtje met zijn neus. Zandpoot keek even onbehaaglijk naar Vuurhart en daarna op haar poten neer.
‘Waarom heb je dat hier gebracht?’ gromde Tijgerklauw. ‘We hebben krijgers nodig…’ Het jong kronkelde onder zijn buik terwijl hij dat zei, en Vuurhart besefte hoe belachelijk dat moest klinken. Hij boog zijn kop toen zijn woorden met honende kreten werden begroet.
Toen het gehoon wegstierf miauwde Jaagwind: ‘De Clan heeft al genoeg zorgen zonder dit.’
Het zal ons alleen maar tot last zijn,’ viel Muisbont hem bij. ‘En het zal nog minstens vijf maanden duren voordat hij met trainen kan beginnen.’
‘Witstorm knikte instemmend. ‘Je had dat poesiepoesje nooit hier moeten brengen, Vuurhart,’ miauwde hij. ‘Het zal te zwak zijn voor het Clanleven,’
Vuurharts haren schoten overeind. ‘Ik ben als poesiepoes geboren. Ben ik te zwak?’ Hij dacht dat hij de vooroordelen van de Clan tegen poesiepoezen had ontkracht, maar hij had het mis. Hij zag niet één vriendelijk gezicht in de menigte.
Een stem klonk achter Witstorm. ‘Als het Vuurharts bloed heeft, zal het een prima Clankat worden.’
Een golf van opluchting sloeg door Vuurhart heen. Het was Grijsstreep! Een klein vlammetje hoop flakkerde op in Vuurharts borst toen Witstorm opzij ging en de andere katten zich naar de grijze krijgskat omdraaiden. Grijsstreep staarde de cirkel van katten rond. Met wijdopen, vaste blik ontmoette hij de blik van de een na de ander.
‘Weer eens wat anders jou je vriend te horen verdedigen, Grijsstreep. Gisteravond wilde je hem nog aan stukken scheuren,’ hoonde Langstaart.
Grijsstreep keek de bleke cyperse kater nijdig aan en draaide zich met een ruk om toen Donkerstreep hem uitdaagde: ‘Ja, Grijsstreep! Hoe weet je dat Vuurharts bloed de DonderClan waardig is? Heb je dat geproefd toen je gisteravond een hap uit zijn poot probeerde te nemen?’
Blauwster kwam naar voren met een zorgelijke blik in haar ogen. ‘Vuurhart, ik geloof niet dat het je bedoeling was niet loyaal aan de Clan te zijn met je bezoeken aan je zusje, maar waarom was je bereid haar jong hier te brengen? Het is niet aan jou om zo’n beslissing te nemen. Wat jij hebt gedaan is van invloed op de hele Clan.
Vuurhart keek naar Grijsstreep in de hoop dat hij hem zou steunen, maar Grijsstreep wilde zijn ogen niet ontmoeten. Vuurhart rekte zijn nek uit om de hele kring rond te kijken, maar iedere kat keek weg. Hij begon in paniek te raken. Had hij zijn eigen positie in de Clan op het spel gezet door Prinses’ jong hier mee naartoe te nemen?
Blauwster nam opnieuw het woord. ‘Tijgerklauw, hoe denk jij erover?’
‘Hoe ik erover denk? miauwde Tijgerklauw. Vuurhart voelde zijn moed in zijn poten zakken bij de toon van arrogante voldoening in de stem van de commandant.
‘Ik vind dat hij zich er meteen van moet ontdoen.’
‘Goudsbloem?’
‘Het lijkt echt te jong om tot nieuwblad te overleven,’ merkte de rossige moederkat op.
‘Het krijgt vast groenhoest voor de zon opkomt,’ voegde Muisbont eraan toe.
‘Of het zal onze verse prooi opeten tot de volgende sneeuw valt en dan sterven van de kou!’ spuugde Jaagwind.
Blauwster boog haar kop. ‘Zo is het genoeg. Ik moet hierover nadenken.’ Ze trippelde naar haar hol en verdween. De rest van de Clan glipte mompelend uiteen.
Vuurhart pakte het verfomfaaide kleintje op en nam het mee naar het krijgershol. Het jong bibberde en piepte zielig. Vuurhart rolde zich op rond het kleine diertje en sloot zijn ogen, maar hij bleef de vijandige gezichten van de Clan voor zich zien en die vervulden hem van angst. Hij had zich al eerder eenzaam gevoeld, maar nu leek het wel of de hele Clan hem had afgezworen.
Grijsstreep drong het hol in en installeerde zich in zijn nest. Vuurhart wiep een zenuwachtige blik op hem. Grijsstreep was de enige kat geweest die iets had gezegd om hem te verdedigen, en Vuurhart wilde hem bedanken. Na een ongemakkelijke stilte waarin het jong piepte en piepte, mompelde Vuurhart. ‘Bedankt dat je voor me opkwam.’
Grijsstreep haalde zijn schouders op. ‘Ja, ach,’ miauwde hij, ‘niemand anders ging het doen.’ Hij draaide zijn kop om en begon zijn staart te wassen.
Het jong bleef doorpiepen steeds luider en luider.
Sommige andere krijgers kwamen het hol in om de regen buiten te ontvluchten, Wilgvacht keek even naar Vuurhart en het jong, maar zei niets.
‘Kun je dat ding niet laten ophouden?’ klaagde Donkerstreep terwijl hij het mos in zijn nest ordende.
Vuurhart begon het kleintje wanhopig te likken. Het moest onderhand ontzettende honger hebben. Bij een geritsel in de wand van het hol hief hij zijn kop op. Het was IJzelvacht, Ze sloop naar Vuurharts nest en keek neer op het zielige jong. Plotseling boog ze haar kop en besnuffelde het zachte velletje van het kleintje. ‘Hij is beter af in de kraamkamer,’ murmelde ze. ‘Vlekneus heeft melk over. Ik kan haar vragen hem te voeden.’
Vuurhart keek de moederkat verrast aan.
IJzelvacht keek terug met een warme blik. ‘Ik ben heus niet vergeten dat jij mijn jongen van de SchaduwClan hebt gered.’
Vuurhart pakte het jong weer op en volgde IJzelvacht het krijgershol uit. Het regende nu zelfs nog harder. Samen trippelden ze snel naar de kraamkamer. IJzelvacht verdween in de smalle ingang en Vuurhart drong zich achter haar aan naar binnen. Onder de dichte braamstruiken bleef hij even stilstaan om zijn ogen aan het schemerige licht te laten wennen.
In die droge, donkere cocon, lag Vlekneus gekruld rond haar twee gezonde jongen. Ze keek achterdochtig naar Vuurhart en daarna naar het kleintje dat uit zijn mond bengelde.
IJzelvacht fluisterde tegen Vuurhart: ‘Vannacht is een van Vlekneus’ jongen gestorven.’ Vuurhart herinnerde zich de zieke kittens die naast Geeltand lagen te wriemelen en vroeg zich met pijn in het hart af welke daarvan nu dood was. Hij zette Prinses’ jong neer en wendde zich tot Vlekneus. ‘Dat spijt me heel erg,’ murmelde hij.
De moederkat knipperde met ogen waarin diep verdriet stond te lezen.
‘Vlekneus,’ begon IJzelvacht. ‘Ik kan alleen maar raden naar de pijn die je voelt. Maar dit jong sterft van de honger en jij hebt melk. Wil jij hem voeden?’
Vlekneus schudde haar kop en kneep haar ogen stijf dicht alsof ze Vuurharts aanwezigheid in haar hol wilde ontkennen.
IJzelvacht strekte haar kop uit en drukte haar neus zachtjes tegen Vlekneus’ wang. ‘Ik weet dat hij je zoon niet kan vervangen,’ fluisterde ze. ‘Maar hij heeft je warmte en zorg nodig.’
Vuurhart wachtte angstig af. Het piepen van het jong werd luider. Hij rook Vlekneus’ melk en begon zich blindelings naar haar zachte buik toe te wurmen. Hij drong met zijn neus tussen Vlekneus’ jongen in. Vlekneus keek op hem neer toen hij naar voren wriemelde op haar melkgeur af. Zonder zich te verzetten zag ze hoe hij zich vast zoog aan haar tepel en begon te drinken. Met een steek van opluchting en dankbaarheid zag hij Vlekneus’ blik zachter worden bij het zien van het witte poesiepoesje dat snorrend haar gezwollen maag kneedde met zijn piepkleine pootjes.
IJzelvacht knikte. ‘Dankjewel, Vlekneus. Kan ik tegen Blauwster zeggen dat jij voor het jong zult zorgen?’
‘Ja,’ zei Vlekneus zachtjes zonder haar ogen van het witte kleintje af te houden. Met een achterpoot duwde ze hem dichter tegen haar buik aan.
Vuurhart snorde en boog zijn kop om haar schouder aan te raken. ‘Dankje wel. Ik beloof je dat ik je elke dag verse prooi zal brengen.’
‘Ik zal het Blauwster gaan vertellen,’ miauwde IJzelvacht. Vuurhart keek op naar de witte moederkat, geroerd door haar vriendelijkheid. ‘Heel erg bedankt,’ mauwde hij.
‘Geen enkele jong verdient het om te sterven, of het nu Clangeboren is of niet.’ IJzelvacht draaide zich om en drukte zich door de braamstruiken naar buiten.’
‘Je kunt nu wel weggaan,’ murmelde Vlekneus tegen Vuurhart. ‘Je kleintje is veilig bij mij.’
Vuurhart knikte en volgde IJzelvacht naar buiten de regen in. Hij dacht even over terugkeren naar zijn nest, maar hij wist dat hij geen rust zou hebben voor hij Blauwsters besluit hoorde.
Terwijl hij ijsbeerde over de open plek veranderde zijn vacht in druipende plukken. Een keer zag hij IJzelvacht Blauwsters hol uitglippen en terugrennen naar de kraamkamer.
Wilgvacht stond op het punt om de avondpatrouille het kamp uit te leiden toen Blauwster eindelijk tevoorschijn kwam. Vuurhart bleef stilstaan. Zijn hart bonsde en hij was bang dat hij door zijn poten zou zakken. Blauwster sprong op de Hogesteen en liet haar bekende oproep horen. ‘Laten alle katten die oud genoeg zijn om hun eigen prooi te vangen zich onder de Hogesteen verzamelen.’
De patrouille draaide zich om bij de ingang van het kamp en liep achter Wilgvacht aan terug naar de Hogesteen. De rest van de Clan verliet hun droge nest, mopperend op de regen. Tijgerklauw sprong op de rots naast Blauwster. Zijn gezicht stond grimmig.
Ze gaan me dwingen hem terug te brengen, dacht Vuurhart. Zijn adem kwam met horten en stoten naar buiten. Donkere gedachten drongen Vuurharts hoofd binnen. En als Blauwster nou eens Tijgerklauw opdraagt hem in het bos aan zijn lot over te laten? Dat overleeft hij nooit. O, SterrenClan, wat moet ik dan tegen Prinses zeggen?
Toen alle katten zaten nam Blauwster het woord. ‘Katten van de DonderClan, geen kat kan ontkennen dat we krijgers nodig hebben. We hebben al een kat aan groenhoest verloren en het duurt nog manen tot nieuwblad. Sintelpoot is ernstig gewond en zij zal nooit een krijger worden. Zoals Grijsstreep terecht opmerkte…’
Vuurhart hoorde vlakbij Schorspoot mompelen: ‘Grijsstreep lijkt de laatste tijd zelf wel een poesiepoes!’ Vuurhart keek meteen om, maar voor hij iets kon zeggen had een waarschuwend gesis van een van de oudsten Schorspoot al het zwijgen opgelegd.’
‘Zoals Grijsstreep opmerkte,’ herhaalde Blauwster, ‘is dit poesiepoesje verwant aan Vuurhart. Er is dus een goede kans dat dit jong een goede krijger zal worden.’ Een paar Clankatten keken naar Vuurhart, die Blauwsters compliment nauwelijks hoorde. Hoop rees op in zijn borst en maakte hem duizelig.
Blauwster wachtte even om de katten voor haar aan te kijken. ‘Ik heb besloten dit kitten in de Clan op te nemen,’ verklaarde ze.
Het bleef doodstil. Vuurhart had graag zijn dankbaarheid aan de SterrenClan uitgejubeld, maar hij hield zich in. Voor het eerst sinds zonsopgang haalde hij diep adem. Zijn eigen vlees en bloed zou deel uitmaken van de DonderClan!
‘Vlekneus heeft aangeboden hem te voeden,’ vervolgde Blauwster, ‘dus zal Vuurhart de taak op zich nemen haar van voedsel te voorzien.’ De Clanleider ontmoette Vuurharts ogen maar hij kon niets in haar gezicht lezen. ‘Ten slotte, dit kitten moet een naam hebben. Hij zal bekend staan als Wolkkit.’
‘Komt er een naamceremonie?’ riep Muisbont uit de menigte.
Vuurhart keek verlangend op naar de Hogesteen. Zou het jong van zijn zusje dit privilege gegund worden, net als hij toen de Clan hem formeel had opgenomen?
Blauwster keek met kille blik op Muisbont neer, ‘Nee,’ antwoordde ze.