Hoofdstuk 22 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
DE DAGEN tot de volgende volle maan sleepten langzaam voorbij voor Vuurhart. De laatste Grote Vergadering leek al eeuwen geleden. De laatste volle maan hadden regenwolken de maan verduisterd en waren de Clans van Vierboom weggebleven. Intussen had de ene patrouille na de andere RivierClangeuren bij de zonnerotsen gerapporteerd, en weer was de SchaduwClangeur geroken bij de uilenboom.
Wanneer hij niet op jacht of op patrouille was, verdeelde Vuurhart zijn tijd tussen Wolkkit, Sintelpoot en Stropoot. Ook al had Grijsstreep zijn rol als Stropoots mentor weer op zich genomen, Vuurhart merkte al gauw dat de jonge leerling van tijd tot tijd aan zijn lot werd overgelaten door zijn mentor. ‘Op jacht,’ was het enige dat Stropoot dan zei wanneer Vuurhart hem vroeg waar Grijsstreep was.
‘Waarom ben je niet met hem meegegaan?’ miauwde Vuurhart.
‘Hij zei dat ik morgen met hem mee mocht.’
Vuurhart voelde de gebruikelijke boosheid prikken over Grijsstreeps koppigheid, maar hij haalde alleen zijn schouders op. Hij had zijn pogingen opgegeven Grijsstreep op andere gedachten te brengen — ze hadden nauwelijks nog een woord gewisseld sinds Vuurhart Wolkkit het kamp in had gebracht — maar hij deed zijn best Stropoot mee te nemen wanneer Grijsstreep weg was, al was het alleen maar om de leerling uit het zicht te houden. Vuurhart wist maar al te goed dat Tijgerklauw geen genoegen zou nemen met Stropoots antwoorden.
Eindelijk verscheen de maan in een wolkenloze hemel. Vuurhart kwam vroeg terug van de jacht. Hij liep langs de omgevallen eik, die verlaten was nu Snelpoot en Spikkelstaarts jong waren hersteld, en liet zijn vangst op de hoop vallen. Daarna ging hij naar Geeltands hol om Sintelpoot te zien. Zelfs de dreiging van groenhoest had het kamp verlaten, voorlopig. Alleen Sintelpoot bivakkeerde nog bij de medicijnkat.
Toen Vuurhart de tunnel doorging zag hij het kleine grijze poesje op het grasveld voor zich zitten. Ze hielp Geeltand kruiden te bereiden. Vuurhart voelde een steek toen hij Sintelpoot moeizaam naar de gespleten rots zag hinken met een mondvol gedroogde bladeren.
‘Vuurhart!’ Zodra ze hem de tunnel uit zag komen spuugde Sintelpoot de kruiden uit om hem te begroeten.
‘Ik kon je geur maar net ruiken door dit smerige spul heen!’
‘Dit smerige spul heeft anders wel geholpen je poot te genezen!’ gromde Geeltand.
‘Dan had je er wat meer van moeten gebruiken,’ antwoordde Sintelpoot, maar Vuurhart zag tot zijn opluchting een ondeugende glinstering in haar ogen. ‘Moet je dit zien!’ Ze draaide haar mismaakte achterpoot. ‘Ik kan nauwelijks bij mijn klauwen om ze te wassen.’
‘Misschien moest ik je er nog maar een paar oefeningen bij geven om je wat soepeler te maken,’ miauwde Geeltand.
‘Nee, dankje wel!’ mauwde Sintelpoot vlug. ‘Die doen pijn!’
‘Het is ook de bedoeling dat ze pijn doen. Daaruit blijkt dat ze werken.’ De oude medicijnkat wendde zich tot Vuurhart. ‘Misschien lukt het jou haar zover te krijgen dat ze ze doet. Ik ga het bos in om nog wat smeerwortel uit te graven.’
‘Ik zal het proberen,’ beloofde Vuurhart Geeltand die langs hem heen trippelde.
‘Je kunt het zien als ze het goed doet,’ riep de medicijnkat over haar schouder, ‘want dan klaagt ze steen en been.’
Sintelpoot hinkte naar Vuurhart toe en raakte met haar neus de zijne aan. ‘Bedankt dat je me komt opzoeken.’ Ze ging zitten en vouwde met een grimas haar slechte poot onder zich.
‘Ik vind het prettig om je te komen opzoeken,’ snorde Vuurhart. ‘Ik mis onze trainingen.’ Hij kon zijn tong wel afbijten toen hij dat gezegd had.
Een verlangende blik kwam in Sintelpoots ogen. ‘Ik ook,’ mauwde ze. ‘Wanneer denk je dat ik er weer mee kan beginnen?’
Vuurhart staarde haar met een wee gevoel in zijn maag aan. Geeltand had haar kennelijk nog niet verteld dat ze nooit een krijger zou worden. ‘Misschien helpt het als we een paar van je oefeningen doen,’ mompelde hij ontwijkend.
‘Oké,’ mauwde ze. ‘Maar niet meer dan een paar.’
Ze ging op haar zij liggen en strekte haar poot uit tot haar gezicht vertrok van pijn. Langzaam, met haar tanden op elkaar geklemd, begon ze de poot van achteren naar voren te bewegen.
‘Dat doe je fantastisch,’ prees Vuurhart haar om het verdriet dat als een steen op zijn maag lag te verhullen.
Sintelpoot liet haar poot vallen en bleef een ogenblik stil liggen, daarna hees ze zich overeind. Vuurhart keek zwijgend toe. Ineens schudde ze haar kop. ‘Ik zal nooit meer krijger kunnen worden, hè?’
Vuurhart kon niet tegen haar liegen. ‘Nee,’ fluisterde hij. ‘Het spijt me verschrikkelijk.’ Hij strekte zijn snuit en likte haar kop. Even later slaakte ze een diepe zucht en ging weer liggen.
‘Eigenlijk wist ik het ook wel,’ miauwde ze. ‘Alleen droom ik soms dat ik in het bos aan het jagen ben met Stropoot en dan word ik wakker en herinnert de pijn in mijn poot mij eraan dat ik nooit meer op jacht zal kunnen gaan. Dat is zo’n ondraaglijk gevoel, dat ik mezelf wel moet wijsmaken dat ik op een dag misschien weer zal kunnen jagen.’
Vuurhart kon het niet verdragen haar zo in de put te zien. ‘Ik zal je weer mee het bos in nemen,’ beloofde hij. ‘Dan zoeken we de oudste, sloomste muis van het hele bos op. Die maakt geen enkele kans tegen jou.’
Sintelpoot keek naar hem op en snorde dankbaar. Vuurhart snorde terug, maar er was nog een vraag die hem al sinds het ongeluk dwars zat. ‘Sintelpoot,’ vroeg hij, ‘kun jij je herinneren wat er precies gebeurde toen je door het monster werd geraakt? Was Tijgerklauw erbij?’
In Sintelpoots ogen zag hij alleen verwarring. ‘Ik… ik weet het niet,’ stamelde ze. Vuurhart voelde zich schuldig toen hij zag hoe ze voor de herinnering terugdeinsde. ‘Ik ging rechtstreeks naar de verbrande esdoorn waar Tijgerklauw volgens Schorspoot zou zijn, en toen kwam ineens dat monster en… ik weet het niet echt meer.’
‘Je zult niet hebben beseft hoe smal de berm daar is.’ Vuurhart schudde langzaam zijn kop. ‘Je moet regelrecht het donderpad zijn opgerend.’ Waarom was Tijgerklauw niet waar hij zei dat hij zou zijn? dacht hij met een flits van woede. Dan had hij haar kunnen beletten het pad op te rennen! De woorden van Prinses spookten onheilspellend door zijn hoofd. Was het een valstrik? Hij stelde zich voor hoe Tijgerklauw daar van de wind af had zitten wachten, verborgen tussen de bomen, starend naar de berm, wachtend…
‘Hoe is het met Wolkkit?’ onderbrak Sintelpoot zijn gedachten. Ze wilde het duidelijk liever over iets anders hebben.
Daar was Vuurhart maar al te graag toe bereid, zeker wanneer het over de zoon van Prinses ging. ‘Wordt met de dag groter,’ miauwde hij trots.
‘Ik wil hem dolgraag zien. Wanneer neem je hem eens mee?’
‘Zodra het mag van Vlekneus,’ antwoordde Vuurhart.
‘Op het ogenblik wil ze hem geen seconde uit het oog verliezen.’
‘Dus ze mag hem wel?’
‘Ze behandelt hem precies hetzelfde als haar eigen jongen,’ mauwde Vuurhart, ‘de SterrenClan zij dank. Eerlijk gezegd was ik er nog niet zo zeker van of ze hem wel zou mogen. Hij ziet er zo heel anders uit dan haar eigen jongen. Zelfs Vuurhart kon niet ontkennen dat Wolkkit met zijn sneeuwwitte vachtje van dik zacht dons niet erg paste bij de andere kittens, met hun boskleurige velletje van kort, vlekkerig haar. ‘Maar hij kan in elk geval wel goed overweg met zijn kraamkamermaatjes…’ Vuurharts stem stierf weg. Hij staarde naar de grond met een onrustig gevoel.
‘Wat is er?’ drong Sintelpoot zachtjes aan.
Vuurhart haalde zijn schouders op. ‘Ik kan gewoon niet hebben hoe sommige andere katten naar hem kijken, alsof hij stom is of waardeloos.’
‘Merkt Wolkkit hoe ze naar hem kijken?’
Vuurhart schudde zijn kop.
‘Nou, maak je dan maar geen zorgen,’ mauwde Sintelpoot.
‘Wolkkit weet niet eens dat hij als poesiepoes geboren is. Ik denk dat hij er gewoon van uit gaat dat hij uit een andere Clan komt. Maar als ze hem zo vuil blijven aankijken, zal hij gauw genoeg beseffen dat er iets niet in de haak is met hem.’ Vuurhart keek knorrig naar zijn poten.
‘Niet in de haak?’ echode Sintelpoot verwonderd.
‘Jij bent toch als poesiepoes geboren, en er is met jou toch ook niets mis? Hoor eens, tegen de tijd dat Wolkkit erachter komt waar hij vandaan komt, zal hij gaan bewijzen dat een poesiepoes net zo goed kan zijn als een Clangeboren krijger. Net zoals jij hebt gedaan.’
‘Maar als iemand het hem vertelt voor hij er klaar voor is?’
‘Als hij ook maar iets op jou lijkt, is hij klaar geboren!’
‘Hoe kom jij zo slim?’ miauwde Vuurhart nogal verbaasd over het scherpe inzicht van zijn leerling.
Sintelpoot liet zich met een melodramatisch gekreun op haar rug rollen. ‘Dat kan gebeuren met een kat die zo moet lijden!’ Vuurhart porde met een poot in haar buik en Sintelpoot piepte: ‘Nee, echt,’ mauwde ze. ‘Moet je zien met wie ik de laatste tijd omga!’
Vuurhart draaide zijn kop vragend opzij.
‘Geeltand, stommerd,’ hoonde Sintelpoot. ‘Zij is een superwijze oude kat. Ik leer geweldig veel.’ Ze ging overeind zitten. ‘Geeltand zegt dat er vanavond een Grote Vergadering is. Ga jij erheen?’
‘Weet ik niet,’ bekende Vuurhart. ‘Ik zal het straks wel aan Blauwster vragen. Ik ben op het ogenblik niet erg populair bij de Clan.’
‘Ze trekken wel weer bij,’ beloofde Sintelpoot. Ze gaf een duwtje tegen zijn schouder. ‘Zeg, zou je niet eens gaan uitzoeken of je meegaat? Ze zullen zo wel vertrekken.’
‘Je hebt gelijk,’ antwoordde Vuurhart. ‘Ben jij oké tot Geeltand terugkomt? Zal ik wat verse prooi voor je halen?’
‘Maak je over mij maar geen zorgen,’ verzekerde Sintelpoot hem. ‘Geeltand zal wel wat voor me meebrengen. Dat doet ze altijd. Tegen de tijd dat ze klaar met me is, ben ik de dikste kat van de Clan.’
Het gaf Vuurhart een heel blij gevoel te zien dat zijn vroegere leerling haar oude levenslust weer terugkreeg. Hij kwam in de verleiding bij haar te blijven, maar ze had gelijk: hij moest gaan uitzoeken of hij mee mocht naar de Grote Vergadering. ‘Dan zie ik je morgen, miauwde hij. Er zal vast een hoop nieuws te vertellen zijn van de vergadering.’
‘Ja, en dat wil ik allemaal horen,’ mauwde Sintelpoot. ‘Zorg ervoor dat Blauwster je mee laat gaan! Vlug!
‘Ik ga al, ik ga al,’ antwoordde Vuurhart. Hij stond op. ‘Dag, Sintelpoot.’
‘Dag!’
Vuurhart bleef op de rand van de open plek staan en keek rond of hij Blauwster zag. Ze stond voor haar hol met Wilgvacht te praten. Vuurhart bereikte hen net op het moment dat Wilgvacht op stond om weg te gaan. In het voorbijgaan knikte de magere grijze krijgskat Vuurhart toe.
Blauwster keek hem met haar alwetende blik aan. ‘Jij wilt naar de Grote Vergadering,’ miauwde ze. Vuurhart opende zijn mond om te antwoorden, maar Blauwster was hem voor. ‘Alle krijgers willen vanavond mee, maar ik kan niet iedereen meenemen.’
Vuurhart was teleurgesteld. Ik wilde graag de WindClan zien,’ legde hij uit. ‘Om te horen hoe het met ze is gegaan sinds Grijsstreep en ik ze terug hebben gebracht. Blauwster versmalde haar ogen. Je hoeft me er heus niet aan te herinneren wat je voor de WindClan hebt gedaan,’ miauwde ze zo scherp dat Vuurhart ineenkromp. ‘Maar het is goed dat je je betrokken voelt,’ vervolgde ze. ‘Jij en Grijsstreep mogen vanavond mee naar de Grote Vergadering.’
‘Bedankt, Blauwster,’ miauwde Vuurhart.
‘Het gaat een interessante vergadering worden,’ waarschuwde Blauwster. ‘De RivierClan en de SchaduwClan hebben heel wat uit te leggen.’
Vuurhart voelde zijn oren zenuwachtig trekken, maar eigenlijk maakte het hem ook opgewonden. Blauwster was kennelijk van plan Kromster en Nachtster ter verantwoording te roepen voor hun invallen in Donderterritorium.
Hij boog respectvol voor Blauwster en trippelde weg.
Hij pakte net twee waterratten voor Vlekneus van de hoop verse prooi toen hij Geeltand het kamp in zag komen. Haar poten zaten onder de modder en ze had haar mond vol dikke, knobbelige wortels. Haar zoektocht naar smeerwortel had kennelijk succes opgeleverd.
Vuurhart bracht de verse prooi naar de kraamkamer waar Vlekneus opgerold Wolkkit lag te voeden. De andere jongen waren al van hun moeders melk af en het zou niet lang meer duren of ook Wolkkit zou voor het eerst verse prooi proeven.
Vlekneus keek op toen hij binnenkwam, met bezorgde ogen. ‘Ik heb net Geeltand laten halen,’ mauwde ze.
Vuurhart was meteen gealarmeerd. ‘Is er iets met Wolkkit?’
‘Hij was vandaag een beetje koortsig.’ Vlekneus boog zich voorover en likte het kleine kopje dat ophield met drinken en rusteloos begon rond te wriemelen. ‘Het zal wel niets zijn, maar ik dacht dat ik toch maar even moest vragen wat Geeltand ervan vindt. Ik… ik neem liever geen enkel risico.’
Vuurhart bedacht dat de gevlekte moederkat pas een jong was verloren en hij hoopte dat ze alleen maar overbezorgd was. Maar Wolkkit leek inderdaad niet erg lekker.
‘Na de Grote Vergadering kom ik nog even bij je langs,’ beloofde hij.
Hij dook de kraamkamer uit en liep terug naar de hoop verse prooi om iets voor zichzelf te halen. Vlekneus nieuws had zijn eetlust bedorven, maar hij wist dat hij iets moest eten voor de tocht van vanavond naar Vierboom.
Langstaart en Schorspoot stonden al bij de hoop. Vuurhart ging zitten om te wachten tot ze weg waren.
‘Vandaag geen Wolkkuiken gezien,’ miauwde Langstaart. Zoals altijd raakte Vuurhart geïrriteerd door Langstaarts hatelijke opmerking.
‘Hij heeft waarschijnlijk beseft hoe gek hij eruitziet en besloten zich in de kraamkamer te verschuilen!’ mauwde Schorspoot.
‘Wat zou ik er graag bij zijn wanneer hij voor het eerst op jacht gaat. De prooi zal hem van een boomlengte afstand al zien aankomen met al dat witte pluis, hoonde Langstaart.
‘Tenzij ze hem voor een stuifzwam aanzien. Met trillende snorharen wierp Schorspoot een zijdelingse blik op Vuurhart.
Vuurhart legde zijn oren plat en keek de andere kant op. Hij zag Geeltand haastig de kraamkamer ingaan met een mondvol moederkruid. Jammer genoeg zagen Langstaart en Schorspoot haar ook. ‘Zo te zien heeft poesiepoes een koutje opgelopen. Verbaast me niets,’ mauwde Langstaart. ‘Goudsbloem had gelijk. Hij zal het einde van bladkaal nooit halen!’ De gestreepte krijgskat draaide zich om en staarde Vuurhart aan, wachtend op zijn reactie. Maar Vuurhart negeerde hem. Hij liep naar de hoop verse prooi en koos een lijster uit. Gedeprimeerd door het aanhoudende getreiter liep hij ermee weg.
Grijsstreep zat samen met Jaagwind te eten bij de brandnetels.” Hallo, goede jacht gehad?’ riep Jaagwind toen Vuurhart langsliep.
‘Ja, bedankt,’ antwoordde Vuurhart.
Grijsstreep keek niet op.
‘Blauwster zegt dat je mee mag naar de Grote Vergadering,’ zei Vuurhart tegen Grijsstreep.
‘Weet ik,’ antwoordde Grijsstreep kauwend.
‘Ga jij ook?’vroeg Vuurhart aan Jaagwind.
‘Reken maar! Ik zou deze vergadering voor geen goud willen missen!’
Vuurhart liep door naar een rustig plekje aan de rand van de open plek. Langstaarts woorden bleven door zijn hoofd spoken. Zou de Clan het kleine witte katje ooit accepteren? Vuurhart sloot zijn ogen en begon zich te wassen.
Toen hij zich draaide om zijn flank te likken kwamen zijn snorharen ergens tegenaan. Hij deed zijn ogen open en zag Zandpoot naast zich staan. Haar oranje vacht glansde zilver onder de opkomende maan. Ik dacht dat je misschien wel wat gezelschap kon gebruiken,’ miauwde ze. Ze ging zitten en begon Vuurharts rug te wassen met lange troostende halen.
Door halfgeloken ogen ving Vuurhart een glimp op van Schorspoot die vanuit het leerlingenhol naar hen staarde met nauwverholen jaloezie en verbazing. Schorspoot was niet de enige die opkeek van Zandpoots gebaar — Vuurhart had zoveel sympathie niet verwacht van de felle jonge poes, maar haar warmte was meer dan welkom en meer hoefde hij niet te weten. ‘Ga jij naar de vergadering? vroeg hij.
Zandpoot hield op met likken. ‘Ja. Jij?’
‘Ja. Ik denk dat Blauwster Kromster en Nachtster ter verantwoording gaat roepen over hun jagen. Hij wachtte of Zandpoot iets zou zeggen, maar ze staarde op naar de steeds donkerder lucht.
‘Ik wou dat ik erheen ging als een krijger’ murmelde ze. Vuurhart verstrakte, maar deze keer klonk er geen spoor van afgunst of bitterheid in haar stem.
Vuurhart voelde zich ongemakkelijk. Hij wist dat hij later dan Zandpoot met zijn training was begonnen en nu was hij al meer dan twee manen krijger. ‘Het kan niet lang meer duren voor Blauwster jou je krijgsnaam geeft,’ mauwde hij zo opbeurend als hij maar kon.
‘Waarom denk je dat het zolang duurt?’ vroeg Zandpoot. Ze keek Vuurhart aan met haar bleekgroene ogen.
‘Weet ik niet,’ gaf hij toe. ‘Blauwster is ziek geweest en met de problemen van de RivierClan en de SchaduwClan heeft ze veel aan haar hoofd.’
‘Je zou denken dat ze daarom juist meer krijgers nodig heeft!’ miauwde Zandpoot.
Vuurhart voelde een steek van sympathie. ‘Ik denk dat ze gewoon wacht op… op het juiste ogenblik.’ Hij wist dat het niet erg bemoedigend klonk maar het was het enige dat hij kon bedenken.
‘Misschien in nieuwblad,’ zuchtte Zandpoot. ‘Wanneer denk je dat je een nieuwe leerling zult krijgen?’
‘Daar heeft Blauwster nog niets over gezegd.’
‘Misschien geeft ze je Wolkkit wel wanneer hij oud genoeg is.’
‘Ik hoop het.’ Vuurhart staarde over de open plek naar de kraamkamer. Hij vroeg zich af of Geeltand al klaar was met het behandelen van Wolkkit. ‘Als hij dat haalt.’
‘Natuurlijk haalt hij dat,’ miauwde Zandpoot vol vertrouwen.
‘Maar hij heeft koorts.’ Vuurhart liet zijn schouders hangen van ongerustheid.
‘Alle kittens krijgen wel eens koorts,’ antwoordde Zandpoot. ‘Met die dikke vacht van hem, is hij er in een mum van tijd weer bovenop. Die vacht zal hem goed van pas komen in bladkaal, ideaal voor het jagen in de sneeuw. De prooi zal hem nooit zien aankomen, en hij zal twee keer zo lang buiten kunnen blijven als dunpelzen zoals Langstaart!’
Vuurhart snorde en voelde zich ontspannen. Zandpoot had hem zijn goede humeur weer teruggegeven. Hij stond op en gaf haar een vlugge lik over haar kop. ‘ Kom mee,’ mauwde hij. ‘Blauwster roept ons voor de Grote Vergadering.’
Ze voegden zich bij de andere katten bij de kampingang, een stille, doelbewuste groep.
Blauwster gaf het sein met een zwiep van haar staart en ging ze voor door de doorntunnel en naar boven. Door het woud dat glinsterde in het kille maanlicht, spurtten ze in de richting van Vierboom. Adem wolkte uit Vuurharts snuit en de bosgrond voelde hardbevroren onder zijn poten.
Voor het eerst sinds Vuurhart zich bij de Clan had aangesloten aarzelde Blauwster niet op de richel boven Vierboom om zich voor te bereiden op de vergadering, In plaats daarvan dook ze meteen de helling af naar het grasveld beneden, met haar katten zwijgend achter zich aan.