Hoofdstuk 26 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
GEELTAND, SCHORSPOOT en Zandpoot renden naar voren om een verdedigende lijn te vormen en de moederkatten stelden zich achter hen op. Vuurhart zag Sintelpoot naar voren strompelen om zich bij hen te voegen, maar Schorspoot blies boos tegen het grijze poesje toen ze dichterbij kwam, dus strompelde Sintelpoot onhandig met plat achterover gevouwen ogen terug naar Geeltands hol.
De oudsten pakten de jongen beet en duwden hen snel de kraamkamer in. Vlekneus greep Wolkkit in zijn nekvel en duwde hem als laatste naar binnen. Zonder op de doornen te letten trok ze braamtakken over de ingang voor ze zich omdraaide om zich bij de rest van haar Clan op de open plek te voegen.
Vuurhart sprong van de Hogesteen af en rende naar Geeltands zijde. Hij kromde zijn rug en siste tegen Brokkelster: ‘De laatste keer dat we vochten, heb jij verloren en dat ga je weer doen!’
‘Nooit!’ spuugde Brokkelster terug. ‘Je mag mij dan mijn Clan hebben afgenomen, maar je kunt me niet doden — ik heb meer levens dan jij!’
‘Eén DonderClanleven is meer waard dan tien van jou!’ gromde Vuurhart. Hij slaakte een strijdkreet en meteen veranderde de open plek in een slagveld.
Vuurhart sprong regelrecht op Brokkelster af en greep de donkerbruine kater vast met zijn klauwen. Het leven als een banneling was niet gemakkelijk geweest voor de vroegere Clanleider — Vuurster voelde de ribben van het schurftige karkas onder zijn vacht. Maar Brokkelster was nog steeds sterk. Hij draaide zich om en zette zijn tanden in Vuurharts achterpoot. Vuurhart gilde en blies van woede, maar bleef vasthouden. Brokkelster worstelde zich naar voren met zijn poten krabbelend over de bevroren aarde. Vuurhart voelde zijn klauwen langs Brokkelsters bottige flanken schrapen toen de zwerfkat zich losrukte. Vuurhart viel naar hem uit maar andere klauwen grepen zijn achterpoot vast. Hij keek over zijn schouder om te zien wie het was. Het was Klauwkop die daar ineengedoken naar hem staarde met half dichtgeknepen spottende ogen.
Vuurhart keek hem ongelovig aan. Hij had niet verwacht die kat ooit nog terug te zien. Hij was Brokkelster op slag vergeten. Het was Klauwkop die zes manen geleden Spikkelblad had gedood; hij had de medicijnkat van de DonderClan in koelen bloede vermoord zodat Brokkelster IJzelvachts jongen kon stelen. Razernij bulderde in Vuurharts oren. Terwijl hij zich omdraaide en zich bovenop de schriele bruine kater wierp, ving Vuurhart in een ooghoek een glimp op van een lapjesvacht en raakte de zoete geur van Spikkelblad zijn gehemelte. Hij voelde haar geest aan zijn zijde. Ze kwam hem helpen haar dood te wreken.
Vuurhart voelde nauwelijks pijn in zijn poot toen hij die uit Klauwkops greep losrukte en zich op hem stortte. De kater hief zich op en haalde uit met zijn voorpoten. Doornscherpe nagels raakten Vuurhart achter zijn oor. Pijn schoot als vuur door hem heen; hij wankelde. Onmiddellijk zat Klauwkop boven op hem en boorde zijn tanden achter in zijn nek.
In doodsnood krijste Vuurhart: ‘Help me, Spikkelblad! Ik kan het niet!’
Plotseling werd het gewicht van zijn rug afgerukt. Vuurhart sprong overeind en draaide zich om. Grijsstreep! De grote krijgskat stond onbewegelijk met Klauwkops lijf slap hangend tussen zijn kaken, zijn ogen vol ontzetting. Grijsstreep opende zijn mond en Klauwkop viel op de grond, dood.
Vuurhart stapte naar voren. ‘Hij heeft Spikkelblad vermoord, Grijsstreep!’ Dit was geen tijd voor berouw. ‘Is Blauwster er ook?’ vervolgde hij dringend.
Grijsstreep schudde zijn kop. ‘Ze heeft me teruggestuurd om Tijgerklauw te halen,’ antwoordde hij. ‘We hebben botten gevonden. Blauwster herkende Brokkelsters geur en raadde dat hij de aanvoerder van de zwerfkatten was.’
Gesis klonk naast hen en twee katten botsten tegen Vuurhart op. Hij sprong opzij. Het was IJzelvacht die met een andere kat van de aanvallers vocht. De moederkat streed met alle kracht van de SterrenClan. Dit waren de katten die haar jongen hadden gestolen. Haat blonk in haar ogen. Vuurhart hield zich afzijdig — IJzelvacht had zijn hulp niet nodig. Even later vluchtte de zwerfkat krijsend weg door de varens van de kampwand.
IJzelvacht achtervolgde hem, maar Vuurhart riep haar terug. ‘Je hebt hem genoeg wonden gegeven die hem zullen heugen!’ De moederkat kwam glijdend tot stilstand bij de varens en draaide zich om met zwoegende flanken en haar witte vacht besmeurd met het bloed van haar tegenstander.
Nog een zwerfkrijger schoot krijsend langs Vuurhart naar de kampwand. Schorspoot joeg achter hem aan en slaagde erin de gevlekte kater nog een gemene flinke beet toe te brengen voor hij hem het kamp uit liet vluchten. Nu zijn alleen Brokkelster en nog één andere krijgskat over, dacht Vuurhart.
Zandpoot hield de kat tegen de grond gedrukt. De kater lag roerloos onder haar. Kijk uit! dacht Vuurhart. Hij dacht aan zijn favoriete truc om de vijand te laten denken dat hij had gewonnen. Maar Zandpoot trapte er niet in. Toen de kater overeind sprong, was ze klaar voor hem. Ze sprong van hem af en deed een uitval naar hem waarbij ze hem omdraaide met haar klauwen en zijn buik bewerkte met haar achterpoten. Ze liet hem pas los toen hij begon te piepen als een jong. Nog steeds piepend spurtte de zwerfkat door de doorntunnel het kamp uit.
Een moment heerste er een spookachtige stilte. De DonderClankatten staarden zwijgend naar het bloed en de vachtvlokken verspreid over de open plek. In het midden lag het lichaam van Klauwkop.
Waar was Brokkelster? Gealarmeerd draaide Vuurhart rond en tuurde zoekend om zich heen. Kon hij de kraamkamer binnengedrongen zijn? Hij wilde net naar de braamstruik toespringen toen een gedempte gil opklonk uit Geeltands hol. Vuurhart sprintte door de varentunnel. Sintelpoot! Het ergste verwachtend stormde hij het grasveld op, maar in plaats daarvan zag hij Brokkelster ineengezakt op de grond liggen. De oude medicijnkat stond over hem heen.
Brokkelsters ogen waren dicht en bloederig. Zijn flanken bewogen nog eenmaal en daarna niet meer. Aan de diepe stilte in het lichaam van de zwerfkat zag Vuurhart dat Brokkelster een leven verloor.
Geeltands nagels waren ontbloot en glinsterden rood. Haar gezicht was vertrokken en haar ogen stonden glazig.
Plotseling hijgde Brokkelster en begon weer te ademen. Vuurhart wachtte of Geeltand hem nog een dodelijke beet toe zou dienen, maar ze aarzelde. Brokkelster stond niet op.
Vuurhart rende naar de medicijnkat toe. ‘Waarom maak je geen korte metten met hem?’ drong hij aan. ‘Hij heeft zijn vader vermoord, en jou uit je Clan verstoten en daarna geprobeerd je te doden.’
‘Het is niet zijn laatste leven,’ zei ze schor, ‘en ook als het dat wel was, kon ik hem nog niet doden.’
‘Waarom niet? De SterrenClan zou je erom eren.’ Vuurhart kon zijn oren niet geloven. De oude poes had altijd gebriest van woede bij het horen van zijn naam.
Geeltand rukte haar blik los van Brokkelster en keek Vuurhart aan. Haar ogen waren troebel van pijn en verdriet toen ze murmelde: ‘Hij is mijn zoon.’
Vuurhart had een gevoel alsof de grond onder zijn voeten wegzonk. ‘Maar het is medicijnkatten verboden jongen te krijgen,’ barstte hij uit.
‘Weet ik,’ antwoordde Geeltand. Het was ook nooit de bedoeling dat ik jongen zou krijgen. Maar toen werd ik verliefd op Rafelster.’ Haar stem klonk verstikt van verdriet. Plotseling dacht Vuurhart weer aan het gevecht waarbij Brokkelster uit de SchaduwClan werd verdreven. Vlak voor zijn vlucht had de wrede leider Geeltand verteld dat hij zijn vader had vermoord. Geeltand was diep geschokt geweest, en nu begreep Vuurhart waarom.
‘Ik kreeg drie jongen,’ vervolgde Geeltand, maar alleen Brokkelster overleefde. Ik heb hem aan een moederkat van de SchaduwClan gegeven om groot te brengen als haar eigen jong. Ik dacht dat het verlies van twee jongen mijn straf was voor het overtreden van de krijgscode. Maar dat had ik mis. Mijn straf was niet dat twee van mijn jongen stierven, maar dat dit bleef leven! Geeltand keek vol afkeer naar het bloedende lichaam van Brokkelster. ‘En nu kan ik hem niet doden. Ik moet het lot accepteren dat de SterrenClan mij toebedeelt.’
Geeltand wankelde. Vuurhart was bang dat ze om zou vallen dus drukte hij zich tegen haar flank aan en fluisterde: ‘Weet hij dat je zijn moeder bent?’
Geeltand schudde haar kop.
Brokkelster begon zielig te jammeren. ‘Ik kan niets meer zien!’ Vuurhart besefte met schrik dat de ogen van de zwerfkat onherstelbaar kapot gekrabd waren.
Vuurhart kwam behoedzaam dichterbij. Brokkelster lag stil. Vuurhart gaf hem een por met zijn voorpoot en Geeltands zoon kreunde opnieuw. ‘Dood me niet!’ jammerde hij. Vuurhart deinsde achteruit huiverend van afkeer bij de angst van de krijgskat.
Geeltand haalde diep adem. ‘Ik zal wel voor hem zorgen.’ Ze liep naar haar gewonde zoon, greep hem in zijn nekvel en sleepte hem naar het nest dat Lappenpels had achtergelaten.
Vuurhart liet haar haar gang gaan. Hij wilde kijken of Sintelpoot in orde was. Hij ving een glimp op van een donkere gestalte die bewoog in de rotsspleet waar Geeltand sliep. ‘Sintelpoot!’ riep hij.
Sintelpoot stak haar kop naar buiten.
‘Gaat het wel goed met je?’ vroeg Vuurhart.
‘Zijn de zwerfkatten weg?’ fluisterde ze.
‘Ja, allemaal behalve Brokkelster. Hij is zwaargewond. Geeltand is met hem bezig.’ Hij wachtte op een geschokte reactie van Sintelpoot maar ze schudde alleen maar haar kop en keek naar de grond.
‘Gaat het wel goed met je?’ vroeg Vuurhart nog eens.
‘Ik had naast jou moeten vechten.’ Sintelpoots stem klonk verstikt van schaamte.
‘Dat zou je dood geweest zijn!’
‘Zoiets zei Schorspoot ook. Hij zei dat ik me moest gaan verstoppen bij de kittens.’ De ogen van het poesje stonden wanhopig. ‘Maar ik zou het helemaal niet erg hebben gevonden gedood te worden. Wat heeft de Clan zo aan mij? Ik ben alleen maar een last voor ze.’
Vuurhart voelde een doornscherpe steek van medelijden. Hij zocht naar woorden om haar te troosten, maar voor hij iets kon zeggen, klonk de stem van Geeltand uit de varens.
‘Sintelpoot,’ riep ze. ‘Breng me spinrag, snel.’ Sintelpoot draaide zich op slag om en verdween in het rotsblok. Even later kwam ze terug met een dot spinnenwebben om haar poot gewikkeld. Zo vlug ze kon strompelde ze naar Geeltand en duwde de spinnenwebben het nest in.
‘Haal nu wat smeerwortel,’ commandeerde Geeltand. Terwijl Sintelpoot terughinkte naar de rotsspleet, draaide Vuurhart zich om. Hier kon hij niets meer doen.
Hij moest gaan kijken hoe het met de rest van de Clan was.
De katten op de open plek hadden zich nauwelijks bewogen. Vuurhart stapte direct op Schorspoot af en miauwde: ‘Geeltand zorgt voor Brokkelsters wonden. Sintelpoot helpt haar.’ Hij negeerde Schorspoots ongelovig gesnuif. ‘Ga hem bewaken.’ Schorspoot rende naar de tunnel en verdween.
Vuurhart ging naar Grijsstreep. De grijze krijgskat zat naar Klauwkops lijk te staren. ‘Je hebt mijn leven gered,’ murmelde Vuurhart. ‘Dank je.’
Grijsstreep hief zijn ogen op naar Vuurhart. ‘Ik zou mijn leven voor je geven,’ antwoordde hij eenvoudig.
Met een brok in zijn keel zag Vuurhart zijn vriend omdraaien en weglopen. Misschien was hun vriendschap toch geen verleden tijd.
Het geluid van rennende poten in de doorntunnel onderbrak zijn gedachten. Blauwster kwam het kamp instormen gevolgd door Langstaart en Snelpoot. Vuurhart voelde zich slap worden van opluchting bij het zien van zijn Clanleider. Ze keek de open plek vol bloedvlekken rond met wijd opengesperde ogen en haar blik bleef op het lichaam van Klauwkop rusten. ‘Een aanval van Brokkelster?’ miauwde ze.
Vuurhart knikte.
‘Is hij dood?’
‘Hij is bij Geeltand,’ antwoordde Vuurhart. Hij was zo uitgeput dat hij de woorden eruit moest persen, ‘Hij is gewond… zijn ogen.’
‘En de andere zwerfkrijgers?’
‘Die hebben we weggejaagd.’
‘Zijn er Clankatten ernstig gewond?’ vroeg Blauwster nogmaals om zich heen kijkend. De katten schudden van nee. ‘Mooi,’ miauwde ze. ‘Zandpoot, Snelpoot, haal dit lijk weg en begraaf het. Er hoeven geen oudsten bij te zijn. Zulke misdadige zwerfkatten verdienen de eer van het SterrenClanritueel niet.’
Snelpoot en Zandpoot begonnen Klauwkop naar de tunnel te slepen.
‘Zijn de oudsten ongedeerd?’ vroeg Blauwsater.
‘Ze zijn in de kraamkamer,’ vertelde Vuurhart haar.
Hij had het nog niet gezegd of er klonk geritsel uit het braamstruikhol en Halfstaart verscheen, gevolgd door de rest van de oudsten en de kittens. Vuurhart zag Wolkkit naar buiten tuimelen en opgewonden over de open plek op Vlekneus af draven. Ze begroette hem met een vlugge lik en het jong draaide zich om en keek het lijk van Klauwkop na dat de in de tunnel verdween.
‘Is hij dood?’ vroeg Wolkkit nieuwsgierig. ‘Mag ik gaan kijken?’
‘Sst,’ fluisterde Vlekneus en sloeg haar staart om hem heen.
‘Waar is Tijgerklauw?’ vroeg Blauwster.
‘Hij is met een patrouille naar het Schaduwterritorium,’ verklaarde Vuurhart. ‘We vonden botten toen we op patrouille waren. Ze roken naar SchaduwClan en dus besloot Tijgerklauw een van hun patrouilles te gaan aanvallen. Ik heb Stropoot achter hem aan gestuurd toen Geeltand besefte dat de geur op de botten van Brokkelster was.’
‘Stropoot?’ miauwde Blauwster en versmalde haar ogen. ‘Ook al zou hij misschien het donderpad moeten oversteken?’
‘Ik was de enig overgebleven krijger in het kamp. Er was niemand anders die ik kon sturen.’
Blauwster knikte, de twijfel in haar blik veranderde in begrip. ‘Je wilde het kamp niet onbewaakt achterlaten?’ miauwde ze. ‘Dat was verstandig, Vuurhart. Ik denk dat Brokkelster hoopte alle krijgers bij het kamp weg te kunnen lokken. Wij hebben ook botten gevonden.’
‘Dat heb ik van Grijsstreep gehoord.’ Vuurhart keek rond naar zijn vriend, maar Grijsstreep was verdwenen.
‘Stuur Geeltand naar me toe wanneer ze klaar is met Brokkelster,’ beval Blauwster. Ze spitste haar oren bij het geluid van nog meer poten in de doorntunnel. Tijgerklauw kwam het kamp in rennen, gevolgd door Witstorm en de rest van de groep. Vuurhart rekte zijn nek uit om over de krijgskatten heen te kijken tot hij Stropoot zag, helemaal achteraan. De jonge leerling zag er uitgeput uit maar hij was ongedeerd. In stilte slaakte Vuurhart een zucht van ver lichting.
‘Heeft Stropoot jullie bereikt voor je een patrouille vond?’ vroeg Blauwster en liep naar haar commandant toe.
‘We waren hun territorium nog niet eens ingegaan,’ antwoordde Tijgerklauw. ‘We wilden net het donderpad oversteken.’ Zij ogen versmalden. ‘Was dat Klauwkop die ze gingen begraven?’
Blauwster knikte.
‘Dus Stropoot had gelijk,’ miauwde de commandant. ‘Brokkelster was echt van plan het kamp aan te vallen. Is hij ook dood?’
‘Nee. Geeltand is zijn wonden aan het verzorgen.’
‘Nee toch zeker!’ riep Muisbont uit en wisselde een blik met Jaagwind naast haar.
Tijgerklauws gezicht verduisterde. ‘Zijn wonden verzorgen?’ snauwde hij. ‘We zouden hem moeten afmaken, in plaats van tijd te verspillen aan hem opkalefateren.’
‘Dat bespreken we nog wel nadat ik met Geeltand heb gesproken,’ miauwde Blauwster kalm.
‘Dat kun je nu met me bespreken, Blauwster.’ Geeltand kwam de open plek oplopen met een laaghangende kop van moeheid.
‘Heb je Brokkelster alleen gelaten?’ gromde Tijgerklauw. Zijn ambere ogen flitsten.
Geeltand hief haar kop op en keek de donkere krijger aan. ‘Schorspoot bewaakt hem. En ik heb hem papaverzaadjes gegeven, dus zal hij een tijdlang slapen. Brokkelster is nu blind, Tijgerklauw. Hij zal onmogelijk kunnen ontsnappen. Hij zou binnen een week sterven van de honger, als een vos of een zwerm kraaien hem niet eerst te pakken kregen.’
‘Nou, dat maakt het nog gemakkelijker,’ snauwde Tijgerklauw. ‘We hoeven hem niet eens zelf te doden, we kunnen het aan het woud overlaten.’
Geeltand wendde zich tot Blauwster. ‘We kunnen hem niet dood laten gaan,’ miauwde ze.
‘Waarom niet?’
Vuurhart hield zijn adem in toen hij de ogen van de leider van Geeltand naar Tijgerklauw en terug zag flikkeren. Zou Geeltand Blauwster vertellen dat Brokkelster haar zoon was?
‘Als we dat deden zouden we geen haar beter zijn dan hij,’ antwoordde Geeltand kalm.
Tijgerklauws staart zwiepte boos heen en weer.
‘Wat vind jij, Witstorm?’ miauwde Blauwster voor Tijgerklauw iets kon zeggen.
‘Het zal een zware last zijn voor de Clan om voor hem te zorgen,’ antwoordde Witstorm nadenkend. ‘Maar Geeltand heeft gelijk: als we hem het woud insturen of in koelen bloede doden, dan zal de SterrenClan weten dat we net zo diep gezonken zijn als hij.’
Eenoog kwam naar voren. ‘Blauwster,’ miauwde ze met haar krakerige oude stem. ‘In het verleden hebben we gevangenen soms manenlang vastgehouden. Dat kunnen we best weer doen.’ Vuurhart bedacht dat Geeltand zelf een gevangene was geweest toen ze voor het eerst het kamp in kwam. Hij verwachtte dat de medicijnkat Blauwster daaraan zou herinneren, maar ze zei niets.
‘Dus je overweegt echt deze schurk in ons kamp te houden?’ vroeg Tijgerklauw uitdagend; zijn ogen fonkelden van woede. Vuurhart besefte met een steek van wroeging dat hij het eigenlijk wel met de donkere krijgskat eens was. De gedachte Brokkelster te doden was vreselijk — en hij wist beter dan deze katten wat dat voor Geeltand zou betekenen — maar zelfs blind was Brokkelster een angstaanjagende vijand.
Hem in hun kamp houden zou moeilijk en gevaarlijk zijn voor alle leden van de Clan.
‘Is hij echt blind?’ vroeg Blauwster aan Geeltand.
‘Ja, echt.’
‘Heeft hij nog meer verwondingen?’
Dit keer was het Vuurhart die antwoord gaf. ‘Ik heb hem behoorlijk toegetakeld,’ gaf hij toe. Hij keek Geeltand aan en zag tot zijn opluchting dat de oude poes licht haar kop boog, net genoeg om hem te laten weten dat ze hem vergaf dat hij haar zoon zo had gewond.
‘Hoe lang voor hij genezen zal zijn?’ vroeg Blauwster.
‘Ongeveer een maan,’ antwoordde Geeltand.
‘Dan kun je hem tot die tijd verzorgen. Daarna zullen we zijn toekomst opnieuw bespreken. En van nu af aan zal hij bekend staan als Brokkelstaart, niet Brokkelster. We kunnen hem de levens die de SterrenClan hem heeft geschonken, niet afnemen, maar deze kat is geen Clanleider meer.’ Blauwster keek vragend naar Tijgerklauw. Zijn staart zwiepte, maar hij zweeg.
‘Het besluit is genomen,’ miauwde Blauwster. Hij blijft.