Hoofdstuk 27 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
VUURHART HINKTE naar de brandnetelkluit en likte zijn wonden. Hij zou later nog wel bij Geeltand langs gaan, wanneer ze klaar was met het verzorgen van de andere katten.
De zwakke stralen van de ondergaande zon wierpen lange schaduwen over de open plek. Schorspoot had de bewaking overgedragen aan Langstaart. Tijgerklauw had de rest van zijn ongedeerde krijgspatrouille mee het kamp uitgenomen op zoek naar verse prooi. Vuurharts maag knorde. Hij keek op bij het geluid van pootstappen, maar het waren Zandpoot en Snelpoot die terugkwamen van hun begraaftaak.
De twee katten trippelden naar Blauwster die onderaan de Hogesteen zat met Witstorm. Vuurhart hees zich overeind en liep naar hen toe. Met een zwaai van zijn staart wenkte hij Schorspoot die zijn nagels zat te likken naast de boomstronk. Schorspoot keek hem even weifelend aan, maar stond op om hem te volgen.
‘We hebben Klauwkop begraven,’ miauwde Zandpoot.
‘Bedankt,’ antwoordde Blauwster. De DonderClanleider keek Snelpoot recht aan, ‘Jij kunt gaan.’ De zwart-witte leerling knikte en ging naar zijn hol.
Vuurhart wenkte Schorspoot nog een keer om dichterbij te komen. De gestreepte leerling versmalde zijn ogen, maar hij kwam naar voren en ging naast Zandpoot staan.
‘Blauwster,’ begon Vuurhart aarzelend. ‘Zandpoot en Schorspoot hebben als krijgers gevochten toen Brokkelpoot aanviel. Zonder hun kracht en dapperheid zouden we in veel grotere moeilijkheden gekomen zijn.’ Schorspoot sperde zijn ogen open en Zandpoot sloeg haar ogen neer bij Vuurharts woorden.
Gesnor klonk in Witstorms keel. ‘Ook niks voor jou om zo verlegen te worden,’ plaagde hij tegen zijn leerling.
Zandpoots oren trokken zenuwachtig. ‘Vuurhart is degene die de Clan heeft gered,’ barstte ze los. ‘Hij was degene die alarm sloeg zodat we voorbereid waren op Brokkelsters aanval.’
Nu was het Vuurharts beurt om verlegen te zijn. Hij was opgelucht op dat moment Tijgerklauw met zijn jagers het kamp te zien binnenkomen met een lading verse prooi.
Blauwster knikte naar Tijgerklauw en wendde zich daarna tot Zandpoot en Schorspoot. ‘Ik ben er trots op dat de DonderClan zulke goede krijgers heeft,’ miauwde ze. ‘Het wordt tijd dat jullie je krijgersnaam krijgen. We zullen nu de zon ondergaat meteen de naamceremonie houden, dan gaan we daarna eten.’
Zandpoot en Schorspoot keken elkaar opgewonden aan.
Vuurhart hief zijn kin op en snorde. Blauwster riep de Clan bijeen en Vuurhart voelde zich nog beter toen hij Grijsstreep uit het krijgershol zag komen. Hij was het kamp dus toch niet uitgegaan.
De Clan verzamelde zich aan de rand van de open plek. De oudsten en de moederkatten zaten samen met de leerlingen en de kittens aan een kant; Vuurhart wachtte met de krijgers aan de andere kant. Hij keek naar Wolkkit die zich naast Vlekneus nestelde. De oogjes van het kleintje straalden van opwinding, en Vuurhart voelde een golf van trots dat zijn kleine bloedverwant hem daar tussen de Clankrijgers kon zien zitten. Blauwster stond in het midden met Zandpoot en Schorspoot.
Het laatste randje van de zon gloeide rood aan de horizon. De Clan wachtte in stilte tot het uit het gezicht verdwenen was en een steeds donkerder hemel vol sterren achterbleef.
Blauwster keek op en vestigde haar ogen op de helderste ster van de Zilverpels. ‘Ik, Blauwster, leider van de DonderClan, roep mijn krijgervoorouders op om neer te kijken op deze twee leerlingen. Zij hebben hard getraind om de werking van uw nobele krijgscode te begrijpen en op hun beurt beveel ik hen aan als krijgers.’
Ze keek neer op de twee jonge katten voor zich. ‘Zandpoot, Schorspoot, zweren jullie de krijgscode in ere te zullen houden en deze Clan te verdedigen en beschermen, met gevaar voor eigen leven?’
Zandpoot staarde haar met glanzende ogen aan. ‘Ik zweer het,’ antwoordde ze.
Schorspoot echode haar woorden met krachtige, lage stem: ‘Ik zweer het.’
‘Dan geef ik jullie nu uit naam van de SterrenClan jullie krijgersnaam: Zandpoot, van nu af aan zul jij bekend staan als Zandstorm. De SterrenClan eert je moed en je kracht, en wij heten je welkom als volwaardig krijger van de DonderClan.’ Blauwster stapte naar voren en liet haar snuit op Zandstorms gebogen kop rusten.
Zandstorm likte eerbiedig Blauwsters schouder voor ze zich omdraaide en naar Witstorm toeliep. Vuurhart zag haar een trotse blik uitwisselen met haar mentor toen ze naast hem tussen de krijgers ging zitten.
Blauwster wendde zich nu tot de donkerbruin gestreepte kater. ‘Schorspoot, van nu af aan zal jij bekend staan als Schorspels. De SterrenClan eert je dapperheid en je eerlijkheid, en wij heten je welkom als volwaardig krijger van de DonderClan.’ Ze raakte zijn kop aan met haar snuit; en ook hij likte eerbiedig de schouders van de leider voor hij zich bij de andere krijgers voegde.
Luide toejuichingen klonken op uit de Clan waardoor wolken mistige adem de lucht instegen. In koor scandeerden ze de nieuwe krijgersnamen: ‘Zandstorm! Schorspels! Zandstorm! Schorspels!’
‘Volgens de traditie van onze voorouders,’ riep Blauwster, ‘moeten Zandstorm en Schorspels in stilte waken tot zonsopgang en alleen de wacht houden in het kamp terwijl wij slapen. Maar voor zij aan hun wacht beginnen, zal de Clan gezamenlijk eten. Het is een lange dag geweest en we hebben alle reden om trots te zijn op deze katten die ons kamp tegen valse zwerfkatten hebben verdedigd. Vuurhart, de SterrenClan dankt je voor je moed. Jij bent een groot krijger en ik ben er trots op jou tot deze Clan te mogen rekenen.’
Opnieuw miauwden de katten hun bijval. Gesnor welde op in Vuurharts keel toen hij zijn Clan rondkeek. Alleen bij Tijgerklauw en Schorspels zag hij vijandigheid, maar dit keer raakte hun jaloezie hem niet. Blauwster had hem geprezen, dat was hem genoeg.
Een voor een kwamen de katten naar voren om iets te pakken van de verse prooi die Tijgerklauw en zijn jagers hadden meegebracht.
Vuurhart liep naar Zandstorm. ‘Vanavond kunnen we als krijgers samen eten,’ miauwde hij vrolijk. Als jij dat tenminste wilt,’ voegde hij eraan toe. Zandstorm snorde hem toe en Vuurhart voelde een tinteling van plezier.
‘Haal maar iets voor me,’ riep ze terwijl Vuurhart naar de hoop verse prooi rende. ‘Ik sterf van de honger!’
Voor Zandstorm zocht Vuurhart een muis uit, die verleidelijk mollig was voor zo laat in bladkaal, en hij pakte een pimpelmees voor zichzelf. Maar toen hij zich omdraaide om met het eten terug te gaan naar Zandstorm, verdween zijn vrolijkheid als sneeuw voor de zon — Schorspels, Witstorm en Donkerstreep stonden bij haar. Het was dom van hem te verwachten dat zij alleen met zijn tweeën zouden kunnen eten. Dit was een tijd voor de hele Clan om feestelijk samen te eten.
Die gedachte herinnerde Vuurhart aan Sintelpoot.
Hij keek rond en besefte dat hij haar niet had gezien bij de naamceremonie. Ze moest nog bij Geeltand zijn. Hij sprong op Zandstorm af en liet de verse prooi naast haar neervallen. ‘Ik ben in vijf konijnenhupjes terug,’ miauwde hij. ‘Ik wil even iets naar Sintelpoot brengen.
‘Goed,’ antwoordde Zandstorm schouderophalend. Vlug haalde Vuurhart een waterrat van de hoop en stak er de open plek mee over. Hij was verbaasd Geeltand in haar hol te zien zitten. Ze was bij de naamceremonie geweest, dus moest daarna meteen teruggegaan zijn.
‘Ik hoop niet dat dat voor mij is,’ gromde ze toen ze Vuurhart aan zag komen. ‘Ik heb mijn deel al gehad.’
Vuurhart liet de waterrat op de grond vallen. ‘Ik heb hem voor Sintelpoot meegebracht,’ antwoordde hij. ‘Ik dacht dat ze misschien wel iets zou willen hebben. Ze was niet bij de naamceremonie.’
‘Ik heb haar al wat van mijn muis gegeven, maar je mag haar dat er best nog bij geven.’
Vuurhart keek het grasveld tussen de varens rond. Brokkelsters bruine vacht was net te zien in Lappenpels’ oude nest. De krijgskat bewoog zich niet.
‘Hij slaapt nog.’ De stem van Geeltand klonk zakelijk, meer de stem van een medicijnkat dan van een moeder. Vuurhart kon er niets aan doen dat hij opgelucht was.
Hij wilde niets liever dan geloven dat Geeltand nog altijd loyaal was aan de DonderClan. Hij pakte de waterrat op en bracht hem naar Sintelpoots nest. ‘Hee, Sintelpoot,’ miauwde hij zachtjes in de varens.
De grijze poes bewoog en hees zich op tot ze zat. ‘Vuurhart.’
Vuurhart stapte tussen de varens door en ging op het kleine plekje vlak naast haar zitten. Hij liet de waterrat naast haar neervallen. ‘Hier,’ miauwde hij. ‘Geeltand is niet de enige die jou probeert vet te mesten.’
‘Bedankt,’ mauwde Sintelpoot. Maar ze liet de rat gewoon liggen zonder er zelfs maar even aan te ruiken.
‘Zit je nog steeds aan het gevecht te denken?’ vroeg Vuurhart zachtjes.
Sintelpoot haalde haar schouders op. ‘Ik ben iedereen alleen maar tot last, hè?’ Ze keek met treurige ronde ogen naar Vuurhart op.
‘Wie is alleen maar een last?’ De oude medicijnkat stak haar kop door de varens. ‘Je maakt mijn hulpje toch niet van streek?’ mauwde ze tegen Vuurhart. ‘Ik weet niet hoe ik het vandaag had kunnen redden zonder deze kat hier.’ Ze keek Sintelpoot warm aan met zachte, gele ogen. ‘Ik heb haar vanavond zelfs kruiden laten mengen.’
Sintelpoot sloeg verlegen haar ogen neer en boog haar kop om een hap waterrat nemen.
‘Ik denk dat ik haar nog maar een tijdje bij me houd,’ vervolgde Geeltand. ‘Ze maakt zich elke dag nuttiger. Bovendien begin ik aan haar gezelschap te wennen.’ Sintelpoot keek naar de oude medicijnkat op met een plagerige glinstering in haar ogen. ‘Alleen maar omdat je doof genoeg bent om geen last te hebben van mijn gebabbel!’
Geeltand deed net alsof ze boos naar de jonge poes spuugde, en Sintelpoot voegde eraan toe tegen Vuurhart: ‘Dat zegt ze tenminste de hele tijd tegen me.’
Tot zijn verrassing voelde Vuurhart een steek van jaloezie over de hechte band die deze twee katten hadden gekregen. Hij had zichzelf altijd als Geeltands enige echte vriend in de Clan gezien, maar nu leek ze er nog een te hebben gevonden. Maar op deze manier had Sintelpoot tenminste een plaats waar ze kon blijven — als ze niet tot krijger getraind kon worden zou ze zich niet op haar plaats voelen in het leerlingenhol.
Vuurhart stond op. Het werd tijd dat hij terugging naar Zandstorm. ‘Gaat het wel hier, zo met Brokkelstaart?’ vroeg hij.
Geeltand keek hem uit de hoogte aan. ‘Ik geloof dat het ons wel lukt, denk je ook niet, Sintelpoot?’
‘Hij zou het niet wagen moeilijkheden te maken,’ viel zij Geeltand vol zelfvertrouwen bij. ‘En Langstaart is er ook nog als we hulp nodig hebben.’
Geeltand trok haar kop terug uit het nest en Vuurhart drong zich achter haar aan naar buiten. ‘Dag, Sintelpoot!’ riep hij.
‘Dag, en bedankt voor het eten.’
‘Tot je dienst,’ miauwde hij. Hij wendde zich tot Geeltand. ‘Heb je iets voor deze beet in mijn nek?’
Geeltand bekeek de wond eens goed. ‘Ziet er gemeen uit,’ gromde ze.
‘Die heb ik van Brokkelstaart,’ bekende Vuurhart.
Geeltand knikte. ‘Wacht hier.’ Ze liep vlug naar haar hol en kwam met een bundeltje in bladeren gewikkelde kruiden terug. ‘Kun je het zelf doen? Gewoon op kauwen en het sap in de wonden wrijven. Het zal prikken, maar niets wat een dappere krijger niet kan hebben!’
‘Dankje wel, Geeltand.’ Vuurhart pakte het bundeltje tussen zijn tanden.
Geeltand liep met hem mee naar de tunnel. ‘Ik ben blij dat je kwam,’ miauwde ze met een blik op Sintelpoots nest. ‘Ik geloof dat ze zich nogal down voelde. Ze voelde zich akelig na het gevecht en de naamceremonie daarna.’
Vuurhart knikte dat hij het begreep. Hij wierp een laatste wantrouwende blik op de plek waar Brokkelstaart lag. ‘Weet je zeker dat jullie veilig zijn?’ vroeg hij opnieuw langs het kruidenbundeltje heen.
‘Hij is blind,’ miauwde Geeltand. Ze zuchtte en voegde er daarna wat opgewekter aan toe. ‘En zo oud ben ik nou ook weer niet!’
* * *
Toen Vuurhart de volgende ochtend wakker werd zag hij een verblindend wit licht binnenstromen door de wand van het hol. Hij vermoedde dat het weer had gesneeuwd. Maar zijn wonden deden tenminste geen pijn meer. Geeltand had gelijk — het sap van de kruiden had flink geprikt, maar hij voelde zich stukken beter na een goede nachtrust.
Vuurhart vroeg zich af hoe het Zandstorm en Schorspels tijdens hun wacht was vergaan. Het moest bitterkoud zijn geweest in de sneeuw. Hij kwam overeind en strekte zijn voorpoten, boog zijn rug en krulde zijn staart over zijn kop. De twee nieuwe krijgers van de DonderClan lagen samen opgerold in diepe slaap aan de andere kant van het krijgershol. Witstorm moest hen naar binnen hebben gestuurd toen hij op dageraadpatrouille ging.
Vuurhart stapte de besneeuwde open plek op. Hij zag nog net IJzelvachts witte vacht buiten de kraamkamer waar ze even haar poten strekte. Midden op de open plek waren twee kale plekjes, waar Zandstorm en Schorspels de nacht hadden doorgebracht. Vuurhart huiverde bij de gedachte, maar toch benijdde hij hen toen hij zich de opwinding van zijn eerste nacht als krijger herinnerde. Die had hem vervuld van een warmte die het van de strengste vorst nog had kunnen winnen.
De hemel was overdekt met zware sneeuwwolken. Vlokken dwarrelden nog steeds zacht en stil omlaag. Er zou vandaag flink gejaagd moeten worden, besefte Vuurhart. De Clan zou voorraden nodig hebben als er nog meer sneeuw ging vallen.
Hij hoorde Blauwsters oproep vanaf de Hogesteen. Clankatten kwamen hun holen uitkruipen en waadden door de sneeuw om naar de woorden van hun leider te luisteren. Vuurhart ging op een van de kale plekken zitten. Die rook naar Zandstorm. Hij zag Grijsstreep aan de overkant van de open plek zitten. Hij zag er moe uit. Zou hij vannacht het kamp uit geglipt zijn om Zilverstroom te waarschuwen voor de valse zwerfkatten?
Blauwster begon te spreken. ‘Ik wil er zeker van zijn dat jullie allemaal weten dat Brokkelster in het kamp is.’ Geen van de katten reageerde. Iedereen wist het al. Het gerucht had zich als een lopend vuurtje door het kamp verspreid.
‘Hij is blind en hulpeloos.’ Een paar katten maakten ontevreden geluiden, en Blauwster knikte dat ze hun angst begreep. ‘Ik ben net zo beducht als jullie voor de veiligheid van onze Clan. Maar de SterrenClan weet dat we hem niet het bos in kunnen sturen om daar te sterven. Geeltand zal hem verzorgen tot zijn wonden genezen zijn. Zodra dat zo is, zullen we hier opnieuw over spreken.’
Blauwster keek rond, luisterend of iemand in de menigte daar iets tegen wilde inbrengen, maar geen kat reageerde, dus sprong ze van de Hogesteen af. Toen de katten zich verspreidden, zag Vuurhart de leider op zich af komen.
‘Vuurhart,’ miauwde ze. ‘Er zit me nog iets dwars. Je hebt het nog steeds niet bijgelegd met Grijsstreep. Ik heb jullie al dagen niet samen gezien. Ik heb je al eerder gezegd, dat er in de DonderClan geen ruimte is voor ruzies. Ik wil dat jullie vandaag samen op jacht gaan.’
Vuurhart knikte. ‘Ja, Blauwster.’ Hij vond het prima.
En na het gevecht van gisteren hoopte hij dat Grijsstreep het ook een goed idee zou vinden. Zodra Blauwster wegliep, tuurde hij de open plek rond in de hoop dat Grijsstreep niet weer was verdwenen. Nee, daar was hij, aan het meehelpen met de sneeuw voor de ingang van de kraamkamer weg te ruimen.
‘Hee, Grijsstreep,’ riep Vuurhart. Grijsstreep werkte gewoon door. Vuurhart sprong op hem af. ‘Heb je zin om vanmorgen met me te gaan jagen?’
Grijsstreep draaide zich naar hem om. Zijn ogen stonden koeltjes. ‘Is dat om ervoor te zorgen dat ik niet opnieuw verdwijn?’ snauwde hij.
Vuurhart keek beduusd. ‘N-nee, ik dacht alleen… na gisteren… Klauwkop…’
‘Ik zou voor iedere DonderClankat hetzelfde hebben gedaan. Dat is wat Clanloyaliteit betekent!’ Grijsstreeps stem klonk bruusk van boosheid en hij ging meteen door met sneeuwruimen.
Vuurharts hoop verdween. Had hij het vertrouwen van zijn vriend voorgoed verloren? Hij draaide zich om en liep met zijn staart tussen zijn poten door de sneeuw in de richting van de ingang van het kamp. Over zijn schouder riep hij nog: ‘Eigenlijk was het Blauwster die zei dat ik vanmorgen met jou moest gaan jagen, dus ga jij haar maar uitleggen waarom je niet meegaat.’
‘O, ik begrijp het al, je wilde het alleen maar Blauwster naar de zin maken, zoals gewoonlijk,’ siste Grijsstreep. Vuurhart bleef staan en draaide zich met een ruk om klaar om hem van repliek te dienen, maar hij zweeg toen hij Grijsstreep over de open plek zag aankomen terwijl hij de sneeuw van zijn brede schouders schudde.
‘Kom dan,’ gromde Grijsstreep en ging hem voor door de doorntunnel.
Het naar boven klimmen uit het ravijn ging moeizaam omdat de rotsen bedekt waren met sneeuw. Toen ze boven kwamen strekte een ijzig wit woud zich voor hen uit. Grijsstreep stormde meteen weg met een grimmig vastberaden uitdrukking op zijn gezicht.Vuurhart ging achter hem aan. Terwijl hij het spoor van een muis volgde rond de wortels van een eik, zag hij Grijsstreep achter een konijn aanrennen dat dom genoeg was om buiten bereik van zijn hol rond te dwalen. Grijsstreep joeg wild achter het dier aan tot hij het afmaakte met een welgerichte sprong. Vuurhart bleef zitten toekijken tot Grijsstreep naar hem toe trippelde en het konijn voor Vuurharts poten liet neervallen..
‘Daar kun je wel een jong of twee mee voeden,’ gromde hij.
‘Mij hoef je niets te bewijzen,’ zei Vuurhart tegen hem.
‘O nee?’ antwoordde Grijsstreep bitter.
Zijn ogen ontmoetten die van Vuurhart, koud en kwaad. ‘Misschien zou je je dan maar eens moeten gaan gedragen alsof je me vertrouwt.’ Hij draaide zich om voor Vuurhart kon reageren.
Tegen zonhoog had Grijsstreep meer gevangen dan Vuurhart, maar ze hadden het beiden goed gedaan. Ze keerden beladen met verse prooi naar het kamp terug. Ze trippelde de open plek op en lieten hun vangst op de gewone plek neervallen. Die plek was tot dan toe leeg geweest.
Vuurhart vroeg zich af of ze er weer op uit moesten gaan. Het sneeuwde nu nog heviger en een koude windvlaag woei door het ravijn. Vuurhart bestudeerde de steeds donker wordende lucht tot hij Vlekneus bezorgd hoorde miauwen bij de kraamkamer. Hij sprong er heen om te zien wat er aan de hand was. ‘Wat is er?’
‘Heb jij Wolkkit gezien?’ vroeg ze.
Vuurhart schudde zijn kop. ‘Is hij zoek?’ Zijn poten begonnen te prikken toen hij werd aangestoken door Vlekneus’ groeiende paniek.
‘Ja. En mijn andere jongen ook. Ik deed een ogenblikje mijn ogen dicht en nu kan ik ze nergens vinden! Het is buiten veel te koud voor ze. Straks bevriezen ze nog!’ De moederkat wankelde op haar poten.
De schrik sloeg Vuurhart om het hart toen hij zich de laatste keer herinnerde dat een jonge kat uit het kamp was verdwenen. Dat was Sintelpoot geweest.