Hoofdstuk 28 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
‘IK ZAL ze vinden,’ beloofde Vuurhart. Automatisch keek hij om zich heen of hij Grijsstreep zag. De wind stak op en het begon harder te sneeuwen — hij wilde niet alleen op zoek gaan. Vuurhart rende naar het krijgershol en drong naar binnen, maar Grijsstreep was er niet.
Zandstorm werd net wakker. ‘Wat is er aan de hand?’ miauwde ze toen ze Vuurhart angstig het hol zag rondkijken.
‘Vlekneus’ jongen zijn zoek.’
‘Wolkkit ook?’ Meteen klaarwakker krabbelde Zandstorm overeind.
‘Ja! Ik wilde Grijsstreep vragen mee te gaan zoeken, en nu is hij er niet.’ Vuurharts woorden kwamen uit zijn mond tuimelen. Hij voelde een steek van woede dat Grijsstreep alweer verdwenen was — vlak nadat hij Vuurhart had verweten dat hij hem niet vertrouwde!
‘Ik ga met je mee,’ bood Zandstorm aan.
Vuurhart knipperde met zijn ogen. ‘Bedankt,’ miauwde hij dankbaar. ‘Kom mee. We moeten het Blauwster vertellen voor we weggaan.’
‘Schorspels kan het haar wel vertellen. Sneeuwt het nog?’
‘Ja, en het wordt steeds erger. We moeten opschieten.’ Vuurhart keek naar de slapende Schorspels. ‘Maak jij hem wakker, dan zal ik Vlekneus zeggen dat we gaan. Ik zie je zo bij de ingang.’ Hij sprong weg, terug naar de kraamkamer. Vlekneus liep nog te snuffelen op zoek naar sporen.
‘Nog iets gevonden?’ vroeg Vuurhart.
‘Nee, niets.’ Vlekneus’ stem trilde. ‘IJzelvacht is het aan Blauwster gaan vertellen.’
‘Nou, maak je maar niet ongerust. Ik ga ze zoeken,’ stelde hij haar gerust. ‘Zandstorm gaat mee. We vinden ze wel.’
Vlekneus knikte en zocht verder.
Vuurhart en Zandstorm kwamen tegelijk bij de doorntunnel aan en renden haastig het bos in. Buiten het kamp sneed de wind nog ijziger door hun vacht. Vuurhart kneep zijn ogen tot spleetjes en trok zijn schouders op tegen de sneeuwjacht.
‘Het zal moeilijk worden een spoor op te pikken in al die verse sneeuw,’ waarschuwde hij Zandstorm. ‘Laten we beginnen met kijken of ze het ravijn uitgeklommen zijn naar het woud.’
‘Oké,’ miauwde Zandstorm.
‘Neem jij die kant.’ Vuurhart wees met zijn neus. ‘Dan neem ik deze. Ik zie je zo hier terug. Zo vlug je kunt.’ Zandstorm spurtte weg, en Vuurhart sprong over een omgevallen boom naar de route die de Clan het vaakst gebruikte. De zijkant van het ravijn was nog dikker besneeuwd dan die ochtend en spekglad waar de sneeuw tot ijs bevroren was. Vuurhart stond stil, hief zijn kop op met zijn mond open, maar hij rook geen spoor van de jongen. Hij zocht tevergeefs naar pootafdrukken — zou hun spoor al onder verse sneeuw verdwenen zijn?
Hij ging de hele onderkant van de helling na maar vond geen spoor van katten, laat staan van de weggelopen kleintjes. In de snijdende wind kon Vuurhart de punten van zijn oren nauwelijks meer voelen. Geen kitten zou in dit weer kunnen overleven en het zou niet lang meer duren voor de zon onderging. Hij moest ze vinden voor de nacht viel.
Vuurhart rende terug naar de kampingang. Zandstorm stond op hem te wachten, haar vacht gestreept van richeltjes sneeuw. Ze schudde ze af toe ze hem zag aankomen.
‘Heb je iets gevonden?’ miauwde Vuurhart.
‘Nee, niets.’
‘Ze kunnen niet ver gekomen zijn,’ merkte Vuurhart op. ‘Kom mee, laten we deze kant proberen.’ Hij rende naar de trainingskuil.
Zandstorm ploeterde achter hem aan. De sneeuw werd steeds dieper en bij elke stap zakte ze er tot aan haar buik in weg.
De trainingskuil was leeg.
‘Denk je dat Blauwster beseft hoe slecht de weersomstandigheden hier zijn?’ vroeg Zandstorm; ze moest schreeuwen om boven de wind uit te komen.
‘Dat weet ze heus wel,’ riep Vuurhart terug.
‘We moeten teruggaan en hulp halen, dan kunnen we samenwerken met een andere zoekpatrouille,’ miauwde Zandstorm.
Vuurhart keek naar de bibberende krijgskat. Het waren niet alleen de jongen die hier buiten dood konden vriezen. Misschien had Zandstorm het bij het rechte eind. Je hebt gelijk,’ miauwde hij. ‘We kunnen dit niet alleen af.’
Toen ze zich omdraaiden om terug naar het kamp te gaan, meende Vuurhart een zacht piepje in de wind te horen. ‘Heb je dat gehoord?’ riep hij.
Zandstorm bleef staan en begon uit alle macht te snuffelen. Plotseling hief ze haar kop op. ‘Die kant op!’ miauwde ze wijzend naar een omgevallen boom.
Vuurhart sprong er heen met Zandstorm op zijn hielen. Het gepiep klonk luider tot Vuurhart verschillende stemmetjes kon onderscheiden. Hij klauterde de boomstam op en keek aan de andere kant naar beneden. Bijeengekropen in de sneeuw zaten twee kleine kittens. Vuurhart voelde zich geweldig opgelucht tot hij besefte dat Wolkkit er niet bij was. ‘Waar is Wolkkit?’ mauwde hij.
‘Op jacht,’ piepte een van de kittens. Haar stemmetje beefde van de kou, maar er klonk een uitdagende ondertoon in.
Vuurhart hief zijn kop op. ‘Wolkkit!’ riep hij turend door de sneeuwvlokken.
‘Vuurhart, kijk!’ Zandstorm stond boven op de boomstam. Vuurhart draaide zich meteen om. Een verfomfaaid wit figuurtje ploeterde door de sneeuw hun kant op. Wolkkit! Elke stap was een grote sprong voor het piepkleine jong — de sneeuw was net zo hoog als hijzelf. Maar hij bleef doorgaan en in zijn mond droeg hij een klein besneeuwd waterratje.
Een golf van opluchting en woede schoot door Vuurhart heen. Hij liet Zandstorm bij de anderen en ging met grote sprongen op het kleintje af om het in zijn nekvel te pakken. Wolkkit gromde protesterend maar weigerde het ratje dat uit zijn mond hing los te laten.
Vuurhart draaide zich om en zag Zandstorm de andere twee naar hem toe duwen. Ze strompelden voor haar uit waarbij ze tot aan hun oren in de sneeuw zonken, maar ze bleef ze voortduwen.
Wolkkit kronkelde in Vuurharts mond. Toen Vuurhart hem in de sneeuw liet vallen, keek Wolkkit naar hem op en toonde trots zijn vangst. Vuurhart kon er niets aan doen dat hij onder de indruk was. Ondanks de sneeuw en de wind had Wolkkit zijn eerste prooi gevangen!
‘Wacht hier,’ beval hij en stormde terug om Zandstorm te helpen. Hij pakte een klein poesje dat zielig piepte, en begon het andere jong vooruit te duwen.
Zo ploeterde het verfomfaaide groepje terug naar het kamp. Vlekneus stond te wachten voor de tunnel. Blauwster stond naast haar met halfdicht geknepen ogen tegen de sneeuwjacht. Zodra ze Vuurhart en de anderen in de gaten kregen, renden ze op hen af om te helpen. Blauwster pakte Wolkkit op en Vlekneus het andere jong, daarna draaiden ze zich om en renden de beschutting van het kamp in met Vuurhart en Zandstorm op hun hielen. Eenmaal binnen lieten de katten hun halfbevroren bundeltjes op de grond vallen. Vuurhart schudde de sneeuw uit zijn vacht en keek neer op Wolkkit, die nog steeds koppig zijn vangst vastklemde.
Blauwster keek boos naar de drie kleintjes. ‘Hoe halen jullie het in je hoofd? Weten jullie niet dat het voor jongen tegen de krijgscode is te jagen?’
Vlekneus’ jongen krompen ineen onder de boze blik van hun leider, maar Wolkkit keek haar met ronde blauwe ogen aan. Hij liet de waterrat vallen en piepte: ‘De Clan had verse prooi nodig dus besloten we wat te gaan vangen.’
Vuurhart schrok een beetje van zijn brutaliteit.
‘Wiens idee was dat?’ vroeg Blauwster.
‘Mijn idee,’ verklaarde Wolkkit met nog steeds zijn kop in de lucht.
Blauwster vestigde haar ogen op het uitdagende jong en bromde: ‘Jullie hadden wel dood kunnen vriezen.’
Wolkkit schrok van de boosheid in haar stem en kromp in elkaar. ‘We deden het voor de Clan,’ piepte hij verdedigend.
Vuurhart hield zijn adem in en wachtte af wat Blauwster zou gaan doen. Wolkkit had de krijgscode overtreden. Zou Blauwster van gedachten veranderen en hem niet langer toestaan in de Clan blijven?
‘Je bedoeling was goed,’ miauwde Blauwster langzaam. ‘Maar het was heel onverstandig.’ Vuurhart kreeg weer wat hoop, toch kromp hij ineen toen Wolkkit doorging.
‘Maar ik heb wel wat gevangen.’
‘Dat zie ik,’ antwoordde Blauwster koeltjes. Ze keek naar alle drie de jongen. ‘Ik zal het aan jullie moeder overlaten te besluiten wat er met jullie gebeurt. Maar laat ik het niet merken dat jullie zoiets ooit nog eens doen. Begrepen?’
Vuurhart ontspande zich toen Wolkkit net als de anderen knikte. ‘Wolkkit, je mag je vangst op de hoop verse prooi leggen,’ voegde Blauwster eraan toe. ‘Daarna gaan jullie meteen naar de kraamkamer om warm en droog te worden.’ Vuurhart was verrast. Hoorde hij daar een moederlijke ondertoon in de stem van de DonderClanleider?
Vlekneus’ jongen strompelden naar de kraamkamer gevolgd door hun moeder, terwijl Wolkkit zijn waterratje opraapte en naar de hoop verse prooi draafde. Zijn trots opgeheven kop deed Vuurharts poten prikken van ongerustheid, maar in de ogen waarmee Blauwster hem nakeek meende Vuurhart een glimp van bewondering te zien.
‘Mooi werk, jullie twee,’ miauwde ze tegen Zandstorm en Vuurhart. ‘Ik zal Langstaart de andere zoekers terug laten halen. Gaan jullie ook maar naar je hol om warm te worden!’
‘Ja, Blauwster,’ antwoordde Vuurhart. Hij wilde samen met Zandstorm weglopen, maar Blauwster riep hem terug. ‘Vuurhart,’ miauwde ze. ‘Ik wil je even spreken.’ Haar toon maakte hem opnieuw ongerust. Misschien had hij te vroeg gejuicht.
‘Wolkkit heeft vandaag getoond dat hij een prima jager kan worden,’ begon Blauwster. ‘Maar alle talent van de wereld is waardeloos als hij niet kan leren zich aan de krijgscode te houden. Dat dient nu voor zijn eigen veiligheid, maar in de toekomst zal de veiligheid van de hele Clan daarvan afhangen.’
Vuurhart staarde naar de grond. Hij wist dat Blauwster gelijk had, maar hij kon er niets aan doen dat hij vond dat ze te veel verwachtte van het kleintje, Wolkkit was nog zo jong en nog maar zo kort bij de Clan. Vuurhart onderdrukte een steek van rancune bij de gedachte aan hoe schaamteloos Grijsstreep, een Clangeboren kat, de krijgscode aan zijn laars lapte. Hij keek op naar de Clanleider. ‘Ja, Blauwster,’ miauwde hij. ‘Ik zal er op toezien dat hij dat leert.’
‘Goed.’ Blauwster klonk tevreden. Ze draaide zich om en trippelde terug naar haar hol.
Vuurhart ging naar het krijgershol ook al had hij het niet koud meer. Hij had het behoorlijk warm gekregen van Blauwsters woorden. Hij drong naar binnen, installeerde zich in zijn nest en begon zich te wassen. De hele middag bleef hij in zijn nest liggen piekeren over Grijsstreep en Wolkkit. Hij wist dat Blauwster gelijk had. Door de trotse en uitdagende houding die hij bij het jonge katje had gezien, vroeg Vuurhart zich af of hij zich eigenlijk ooit wel aan het Clanleven zou kunnen aanpassen.
Toen de avond viel dreef de honger Vuurhart het hol uit. Hij pakte een lijster van de hoop verse prooi en ging bij de brandnetelkluit zitten om hem op te eten. Het was nu donker en het sneeuwde niet meer. Zodra zijn ogen aan het donker waren gewend kon hij de ingang van het kamp duidelijk zien.
Hij zag Grijsstreep zodra hij verscheen en zag hem naar de hoop verse prooi gaan. De grijze krijgskat had prooi bij zich. Misschien was hij toch gewoon op jacht geweest.
Grijsstreep liet het grootste deel van zijn vangst op de hoop vallen. Voor zichzelf hield hij alleen een grote muis waarmee hij naar een beschut plekje bij de kampwand liep. Vuurharts hoop verdween weer. De afwezige blik in Grijsstreeps ogen vertelde hem dat zijn verdenking terecht was — Grijsstreep was bij Zilverstroom geweest.
Vuurhart stond op en trippelde het hol in. Hij had dit keer geen moeite in een diepe slaap te vallen. En terwijl hij sliep droomde hij weer.
Om hem heen strekte het besneeuwde woud zich uit, wit glanzend onder de koude maan. Vuurhart stond op een hoge, scherpe rots. Naast hem stond Wolkkit — een volgroeide krijgskat met een dikke pels die rimpelde in de wind. Ijskristallen fonkelden op de steen onder hun poten.
‘Kijk!’ siste Vuurhart tegen Wolkkit. Een bosmuis scharrelde rond de bevroren wortels van een boom. Wolkkit volgde zijn blik en sprong stil van de rots af op de bosgrond. Vuurhart zag de witte kater op de prooi afsluipen. Plotseling rook hij een geur die zo warm en vertrouwd was dat zijn vacht sidderde. Hij voelde warme adem op zijn oor en draaide zich op slag om. Spikkelblad stond naast hem.
Haar gevlekte pels glansde in het maanlicht toen ze met haar roze neus de zijne aanraakte. ‘Vuurhart,’ fluisterde ze. ‘Ik heb een waarschuwing van de SterrenClan voor jou.’ Haar stem klonk somber en haar ogen brandden in de zijne. ‘Er is strijd op komst, Vuurhart. Hoed je voor een krijger die je niet kunt vertrouwen.’
Vuurhart schrok op van het piepen van een muis en keek om. Wolkkit moest de muis gevangen hebben. Hij draaide zich weer naar Spikkelblad om maar ze was verdwenen.
Met een schok werd Vuurhart wakker en keek naar het nest naast hem. Grijsstreep lag opgerold te slapen met zijn neus verborgen onder zijn dikke staart. In zijn slaap bewoog Grijsstreep en mompelde iets. Vuurhart wist dat hij niet meer in slaap zou kunnen vallen, maar hij bleef in zijn nest liggen en keek naar zijn slapende vriend tot het ochtendlicht door de wanden van het hol naar binnen sijpelde.