Hoofdstuk 30 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
TIJGERKLAUW SPRAK de krijgers toe met een fel gesis dat boven de sneeuwjacht uitklonk. ‘Witstorm, wacht tot je mijn strijdkreet hoort! Eensnor wijs ons de kampingang, dan doen wij de rest.’
Eensnor spurtte de helling af naar de besneeuwde struiken. Tijgerklauw stormde achter de magere grijze kater aan door de smalle tunnel die het WindClankamp in leidde. De stekelige struiken waren nog net zo dicht en scherp als hij zich herinnerde. Grijsstreep bleef met de andere krijgers bovenaan de helling staan, als een verse aanvalsgolf, klaar om toe te slaan na de eerste aanval.
Vuurhart kwam glijdend tot stilstand geschokt door het schouwspel dat zich voor hen ontrolde op de open plek van het kamp, De laatste keer dat hij hier was geweest op zoek naar sporen die hem naar de vermiste Clan zouden leiden, was het hier stil en verlaten geweest. Nu krioelde de open plek van worstelende, krijsende, vechtende katten. Eensnor had gelijk. De WindClankatten waren hopeloos in de minderheid. Een verse groep SchaduwClan- en RivierClankrijgers stond op de rand van de open plek te wachten, maar de WindClan had geen reserves. De hele Clan was in gevecht, leerlingen, oudsten, krijgers en moederkatten.
Vuurhart zag Ochtendbloem worstelen met een SchaduwClankrijger. De kattenmoeder zag er uitgeput en angstig uit, met een vacht die overeind stond in haveloze plukken. Toch wist ze zich lenig om te draaien en haar nagels in haar aanvaller te zetten, maar hij was veel groter en sloeg haar met een harde uithaal tegen de grond.
Vuurhart sprong er brullend op af en landde vierkant op de schouders van de SchaduwClankater. Hij bleef zich vastklemmen toen de verbaasde krijger zich met een ruk omdraaide en probeerde hem af te schudden. Ochtendbloem haalde hem open met haar nagels terwijl Vuurhart hem tegen de grond drukte. Krijsend rukte de SchaduwClankat zich los, vluchtte naar de kampwand en drong door de stekelige struiken heen. Ochtendbloem wierp Vuurhart een dankbare blik toe en gooide zich weer in de strijd.
Vuurhart schudde de bloeddruppels van zijn neus en keek om zich heen. De verse troepen van de SchaduwClan en de RivierClan hadden zich nu in de strijd gemengd. De komst van de eerste groep DonderClankrijgers had het evenwicht tussen de partijen een tijdlang hersteld, maar nu was de tweede groep nodig. Vuurhart hoorde Tijgerklauws strijdkreet galmen en even later kwam Witstorm de open plek opstormen gevolgd door Grijsstreep, Jaagwind en de andere DonderClankrijgers.
Vuurhart greep een RivierClankrijger vast, gooide hem omver met zijn ene poot en drukte hem neer met de andere. Hij rolde de kater om en haalde uit naar zijn buik met zijn achterpoten. De RivierClankat sprong weg en botste tegen een WindClankrijger, die zich verrast omdraaide. Vuurhart herkende Eensnor meteen en zag hoe hij de RivierClankater zonder aarzelen aanviel. Aan Eensnors vlammende ogen zag Vuurhart dat hij het verder aan hem kon overlaten dit gevecht te beëindigen.
Een bekend gesis trok Vuurharts aandacht. Grijsstreep was in gevecht met een grijze SchaduwClankat. Het was Natpoot, een krijger die hen had geholpen de SchaduwClan van Brokkelster te ontdoen. De twee krijgers waren aan elkaar gewaagd. Grijsstreep stootte Natpoot weg met zijn achterpoten en keek rond naar een andere kat om aan te vallen. Vlak achter Grijsstreep zag hij een RivierClankrijger. Boven het strijdrumoer uit hoorde hij het bloed gonzen in zijn oren. Zou Grijsstreep een van Zilverstrooms medestrijders aanvallen?
Grijsstreep sprong en Vuurhart hield zijn adem in. Maar in plaats van op de RivierClankrijger neer te komen, zeilde hij over hem heen en landde in plaats daarvan op de rug van een andere SchaduwClankrijger.
Vuurhart hoorde Tijgerklauw zijn naam roepen. Hij draaide zijn kop om en zag de krijger aan de andere kant van de open plek. Daar vochten katten van alle Clans in het heetst van de strijd.
Terwijl hij zich in de richting van de DonderClancommandant drong, voelde Vuurhart hoe zijn achterpoot vastgepakt werd door Luipaardvacht die hem tegen de grond duwde.
‘Jij!’ siste de RivierClancommandant. Ze hadden elkaar het laatst getroffen bij de kloof waar Witklauw verdronken was.
Vuurhart gooide haar van zich af en rolde op zijn rug. Te laat besefte hij dat hij zo zijn zachte buik bloot gaf. Luipaardvacht wachtte geen moment, ze sloeg meteen toe.
Ze verhief zich op haar achterpoten en stortte zich met al haar kracht op Vuurhart. Vuurhart snakte naar adem en toen ze haar doornscherpe nagels in zijn buik boorde, krijste hij in doodsnood. Zijn ogen rolden in zijn hoofd en hij zag Tijgerklauw van de rand van de open plek naar hem kijken met een kille, uitdrukkingsloze ogen.
‘Tijgerklauw!’ krijste Vuurhart. ‘Help!’
Maar Tijgerklauw verroerde zich niet. Hij bleef gewoon toekijken terwijl Luipaardvacht keer op keer zijn buik bewerkte.
Pure razernij gaf Vuurhart de kracht die hij nodig had. Hij vocht tegen de pijn, trok zijn achterpoten in en trapte zo hard als hij kon tegen Luipaardvachts buik. Vuurhart zag de schok op het gezicht van de commandant toen zijn trap de krijger optilde en haar tot halverwege de open plek slingerde. Vuurhart worstelde zich overeind en keek woest naar Tijgerklauw, brandend van pijn en woede. Tijgerklauw ontmoette zijn blik met onverholen haat en wierp zich weer in de strijd.
Ineens verloor Vuurhart zijn evenwicht door een harde klap op zijn kop. Wankelend draaide hij zich om en zag Steenvacht nog een keer uithalen. Na een ontwijkende beweging wist Vuurhart de RivierClankrijger tegen Witstorm aan te duwen. De DonderClankater draaide zich met een ruk om en greep Steenvacht in zijn nekvel.
Vuurhart probeerde naar voren te schieten om de witte krijgskat te helpen, maar klauwen hielden zijn flanken vast. Toen hij omkeek om te zien wie het was, ving hij een glimp op van grijze vacht. Het was Zilverstroom.
Met een van strijdlust vertrokken gezicht hief ze zich naar hem op. Bloed droop in haar ogen en Vuurhart kon zien dat ze hem niet herkende. Ze trok een poot naar achteren en hij zag haar nagels glinsteren toen ze uithaalde om toe te slaan. Vuurhart kneep zijn ogen dicht en zette zich schrap maar ineens hoorde hij een schrijnend vertrouwde stem. ‘Zilverstroom! Nee!’
Grijsstreep, dacht Vuurhart.
Zilverstroom aarzelde, schudde haar kop en met een gedempte kreet herkende ze Vuurhart. Met wijdopen ogen van schrik liet ze zich weer op haar vier poten neervallen.
In het vuur van de strijd reageerde Vuurhart puur instinctief. Zonder na te denken sprong hij op de rug van de RivierClanpoes en drukte haar tegen de grond. Ze verzette zich niet toen hij zijn kop ophief om zijn tanden in haar schouder te zetten. Maar op dat moment voelde hij Grijsstreeps ogen branden in de zijne. De grijze krijger keek vol afschuw toe vanaf de rand van het strijdtoneel.
De blik van pijn en ongeloof in de ogen van zijn vriend bracht hem weer bij zijn positieven. Hij hield op, trok zijn nagels in en liet zijn greep op Zilverstroom verslappen. De poes glipte weg en verdween in de omringende stekelstruiken. Nog steeds geschokt keek Vuurhart haar na en zag Grijsstreep achter haar aan rennen.
Vuurhart had het gevoel dat er nog steeds naar hem gekeken werd. Hij keek rond en ontmoette de ogen van Donkerstreep aan de overkant van de open plek. Vuurhart kromp ineen. Grijsstreeps romance had hem tenslotte toch gedwongen niet loyaal aan de DonderClan te zijn: hij had een vijandelijke krijgskat laten ontsnappen! Hoeveel had Donkerstreep gezien? Vuurhart hoorde Jaagwind om hulp roepen. De gestreepte krijger vocht wanhopig met Nachtster, de verraderlijke leider van de SchaduwClan. Vuurhart stormde door het krijgsgewoel heen naar Jaagwind toe.
Zonder een seconde na te denken sprong Vuurhart erbovenop en greep Nachtster van achteren vast. De zwarte krijgskat brulde van woede toen Vuurhart hem achterover trok en zijn nagels diep in Nachtster vacht boorde. Nog maar een paar manen geleden had hij zij aan zij met deze krijger gevochten om hem te helpen Brokkelster te verjagen. Met dezelfde woestheid waarmee hij toen de vroegere SchaduwClanleider had aangevallen, boorde hij nu zijn tanden in Nachtsters schouder. Nachtster gilde en kronkelde in Vuurharts greep. Deze kater was niet voor niets leider gemaakt, dacht Vuurhart, die uit alle macht bleef vasthouden. Nachtster wist los te komen, maar Jaagwind stond klaar. Hij sprong en samen rolden de twee krijgers over de open plek. Vuurhart zag hen worstelen en kronkelen, en wachtte precies het goede moment af om zich bovenop Nachtsters rug te storten. Dit keer klemde hij hem nog steviger vast, om te voorkomen dat de krijger zich opnieuw los zou worstelen. Maar ook Jaagwind bleef vasthouden. Samen krabden en beten ze de SchaduwClanleider tot hij het uitgilde. Daarna lieten zij hem los, sprongen naar achteren met nog steeds ontblote nagels.
Nachtster sprong overeind en draaide zich sissend om. Vuurhart zag de razernij in zijn ogen maar de SchaduwClanleider wist dat hij verslagen was. Hij week achteruit. Zijn ogen flitsten rond de open plek waar zijn Clankatten eenzelfde behandeling ondergingen van de andere DonderClankrijgers, dus gaf hij het sein om terug te trekken. Ogenblikkelijk hielden zijn krijgers op met vechten en samen met hun leider trokken ze zich terug in de stekelstruiken die het kamp omringden. Nu bleven de RivierClankatten alleen achter om het tegen de DonderClan en de WindClan op te nemen.
Vuurhart bleef even staan om op adem te komen en het bloed uit zijn ogen te knipperen. Witstorm was nu in gevecht met Luipaardvacht, geholpen door Muisbont Zandstorm streed met een RivierClankrijger die bijna twee keer zo groot was als zij, alleen was haar tegenstander maar half zo snel. Vuurhart zag Zandstorm om hem heen cirkelen en happen tot de RivierClankater niet meer wist waar hij het zoeken moest.
Schorspels vocht dichtbij met een rookzwarte kater, die Vuurhart herkende als Zwartklauw, de RivierClankat die hij in het hoogland op konijnen had zien jagen. Schorspels weigerde koppig zich te laten intimideren door de beten en slagen die op hem afgevuurd werden. Elke keer dat hij geraakt werd sloeg hij even hard terug. Zo te zien had hij geen hulp nodig en Vuurhart vermoedde dat Schorspels hem niet dankbaar zou zijn als hij zich met het gevecht zou bemoeien.
Waar was Kromster? Vuurhart zocht de open plek af naar de RivierClanleider. Die was niet moeilijk te vinden. Nu de SchaduwClan op de vlucht was geslagen, was het een stuk minder vol op de open plek. Vuurhart zag de lichtgekleurde cyperse kat met de misvormde kaak bijna meteen. Hij zat ineengedoken, oog in oog met Tijgerklauw. De twee krijgskatten staarden elkaar met dreigend zwiepende staarten aan. Het hart klopte Vuurhart in de keel in afwachting van wie zich als eerste zou bewegen. Het was Kromster die het eerst sprong, maar Tijgerklauw wipte lenig opzij zodat Kromster miste. Tijgerklauw had meer succes, hij draaide zich om en haalde uit naar Kromsters rug. De DonderClancommandant sloeg zijn lange klauwen in de RivierClanleider, en Kromster bleef slap onder hem liggen. Ademloos zag Vuurhart hoe Tijgerklauw met ontblote tanden naar voren schoot om ze diep in Kromsters nek te boren.
Vuurhart snakte naar adem. Had Tijgerklauw echt de RivierClanleider gedood? Door Kromsters gil van pijn wist Vuurhart dat Tijgerklauw de ruggengraat had gemist. Maar hiermee was de strijd wel gewonnen. Tijgerklauw liet zijn tegenstander los die krijsend naar de kampingang vluchtte. Zodra Kromsters staart uit het zicht verdween, rukten zijn krijgers zich los en spurtten achter hem aan.
Een seconde later was het stil in het WindClankamp afgezien van het loeien van de wind boven de struiken. Vuurhart staarde om zich heen. De DonderClankatten waren moe en gehavend, maar de WindClankatten waren er veel erger aan toe. Ze zaten allemaal vol bloedende wonden en sommigen lagen roerloos op de grond. Sparneus, de medicijnkat, verspilde geen tijd en begon meteen van de een naar de ander te rennen om hun verwondingen te verzorgen.
Langster hinkte naar Tijgerklauw toe, bloed stromend uit zijn wang. Bij het zien van de WindClanleider herinnerde Vuurhart zich zijn droom van manen geleden — het silhouet van Langster afgetekend tegen een helder vuur, als een door de SterrenClan gezonden krijgskat om hen te redden. ‘Vuur zal de Clan redden,’ volgens Spikkelblads voorspelling.
Maar bij de aanblik van de uitgeputte en verslagen WindClankatten vroeg Vuurhart zich af of zijn droom hem had misleid. Hoe konden deze katten het vuur vertegenwoordigen dat zijn Clan zou redden? Het was toch zeker de DonderClan die zojuist de WindClan had gered — voor de tweede keer?
* * *
Langster sprak zachtjes met Tijgerklauw. Vuurhart kon niet verstaan wat ze zeiden, maar aan Langsters gebogen kop zag hij wel dat de WindClanleider erkende wat hij de DonderClan verschuldigd was. Tijgerklauw zat recht overeind en accepteerde zijn dankbetuigingen met opgeheven kop. Vuurhart voelde een golf van afkeer over de arrogantie van de donkere krijger. Hij zou nooit vergeten hoe Tijgerklauw werkeloos was blijven toekijken toen Luipaardvacht hem bijna in flarden had gescheurd.
‘Hier.’ Vuurharts gedachten werden onderbroken door de zachte stem van Wilgvacht die hem een mondvol van de medicijnkats kruiden aanbood. Vuurhart snorde dankbaar toen Wilgvacht het sap uit de kruiden perste op de beten in Vuurharts schouders. Het sap stak, maar de reuk voerde hem meteen weer terug naar een andere ontmoeting met Spikkelblad. Zij had hem dezelfde kruiden gegeven om Geeltand te behandelen, al die manen geleden. Bij het inademen van de kruidige lucht herinnerde Vuurhart zich zijn droom van de nacht ervoor. ‘Hoed je voor een krijger… had Spikkelblad hem gewaarschuwd. Hoed je voor een krijger?
De waarheid overspoelde Vuurhart als een koude windvlaag — het was niet Grijsstreep waarvoor hij op zijn hoede had moeten zijn, maar Tijgerklauw! Hoe kon hij zijn vriend hebben verdacht, terwijl hij wist waar Tijgerklauw toe in staat was? Plotseling was Vuurhart er zeker van dat Ravenpoot de waarheid had verteld, wat Blauwster er ook over had gezegd. Gezien Tijgerklauws gedrag van vandaag besefte Vuurhart dat de donkere krijger Roodstaart gemakkelijk had kunnen doden en weglopen zonder een spoor van berouw.
‘Je hebt goed gevochten, Vuurhart! onderbrak Jaagwind zijn gedachten, De bruingestreepte kat knipperde Vuurhart warm toe met zijn ogen. ‘Ik zal ervoor zorgen dat Blauwster dat te horen krijgt!’
Ja,’ beaamde Wilgvacht. ‘Je bent een prima krijger. De SterrenClan zal je eren.’ Vuurhart keek hen beiden aan, met wiebelende oren van plezier. Het was een opluchting zich weer deel van de Clan te voelen.
Plotseling prikte Vuurharts vacht. Donkerstreep stapte over de open plek naar Tijgerklauw toe. Hij ging achter Langster zitten en wachtte tot de WindClanleider wegliep, daarna boog hij zich voorover en fluisterde dringend iets in Tijgerklauws oor. De twee krijgskatten bleven voortdurend naar Vuurhart kijken.
Hij heeft het gezien, dacht Vuurhart duizelend van afschuw. Hij heeft gezien dat ik Zilverstroom liet gaan.
‘Gaat het wel goed met je?’ vroeg Wilgvacht.
Vuurhart realiseerde zich dat hij had gehuiverd. ‘Eh, ja, sorry. Ik dacht alleen maar na.’ Tijgerklauw kwam op hem afstappen met ogen die glansden van voldoening.
‘Nou, als je het zeker weet, dan ga ik even naar de anderen kijken,’ miauwde Wilgvacht.
‘Ja… goed,’ miauwde Vuurhart. ‘Bedankt.’
Wilgvacht pakte haar kruiden op en trippelde weg. Jaagwind liep achter haar aan.
Tijgerklauw vouwde zijn oren plat en keek met opgetrokken lippen op Vuurhart neer. ‘Donkerstreep zegt dat je een RivierClanpoes hebt laten ontsnappen!’
Vuurhart besefte dat hij daar niets tegenin kon brengen.
Hoe moeilijk Grijsstreep het hem ook had gemaakt, er was geen sprake van dat hij zijn vriend aan deze krijgskat zou verraden. Hij wilde niets liever dan terugschreeuwen dat Tijgerklauw werkeloos was blijven toekijken toen een RivierClankrijger had geprobeerd hem te doden. Maar wie zou dat geloven? Donkerstreep kwam naast Tijgerklauw staan. Vuurhart snakte naar de wijsheid en rechtvaardigheid van Blauwster, maar zij was ver weg, in het DonderClankamp.
Hij haalde diep adem om iets te zeggen terwijl Tijgerklauw dreigend op hem neerkeek. Ineens viel hem in dat wat hij ook voor gebrek aan loyaliteit had getoond ten behoeve van Grijsstreep, dat niets betekende voor de grote krijger. Dat was niet de reden dat Tijgerklauw hem achtervolgde. De commandant was nog steeds bang voor wat Vuurhart misschien van Ravenpoot had gehoord over Roodstaarts dood al die manen geleden. Maar anders dan Ravenpoot, was Vuurhart niet van plan zich er onder te laten krijgen. Zijn ogen daagden de commandant uit en hij gromde: ‘Zij is ontsnapt, ja, net zoals Kromster aan jou ontsnapte. Hoezo? Hadje soms gewild dat ik haar vermoordde?’
Tijgerklauws staart zwiepte over de koude grond. ‘Donkerstreep zegt dat je haar nog geen krabbel hebt gegeven.’
Vuurhart haalde zijn schouders op. ‘Misschien moet Donkerstreep dan maar achter die poes aangaan en haar vragen of dat waar is!’
Donkerstreep keek spuugnijdig, maar hij zei niets toen Tijgerklauw miauwde: ‘Dat hoeft hij niet. Donkerstreep heeft me verteld dat jouw jonge grijze vriend achter haar aan is gerend. Misschien dat hij ons kan vertellen hoe erg ze gekrabd is.’
Voor het eerst sinds ze het gevecht ingingen voelde Vuurhart de snijdende koude van de wind. De glinstering in Tijgerklauws ogen hield een verholen bedreiging in. Had de donkere krijgskat Grijsstreeps liefde voor Zilverstroom geraden?
Vuurhart zocht nog steeds naar woorden toen Grijsstreep verscheen in de ingang van het kamp.
‘Kijk eens wie we daar hebben,’ hoonde Tijgerklauw. ‘Wil je hem vragen hoe het met de poes is? Nee, wacht. Ik kan het antwoord wel raden. Hij zal me alleen maar vertellen dat het hem niet gelukt is haar in te halen.’ Zonder de minachting in zijn ogen te verbloemen, stapte hij weg met Donkerstreep achter zich aan.
Vuurhart keek naar Grijsstreep. Het gezicht van zijn vriend was vertrokken van uitputting en bezorgdheid. Vuurhart trippelde de open plek over naar hem toe. Zou Grijsstreep nog steeds boos zijn dat Vuurhart zich ermee bemoeide? Zou hij kwaad zijn dat Vuurhart had geprobeerd Zilverstroom aan te vallen, of dankbaar dat hij haar had laten gaan?
Grijsstreep bleef zwijgend staan en liet zijn brede kop hangen. Vuurhart stak zijn neus uit en raakte zachtjes de koude grijze flank van zijn vriend aan. Hij voelde Grijsstreep snorren en keek op. Zijn ogen stonden treurig, maar er was geen spoor meer in te vinden van de boosheid die Vuurhart er de laatste tijd in had gezien.
‘Is alles goed met haar?’ vroeg Vuurhart fluisterend.
‘Ja,’ fluisterde Grijsstreep terug. ‘En bedankt dat je haar hebt laten gaan.’
Vuurhart knipperde met zijn ogen. ‘Ik ben blij dat ze niet gewond is,’ miauwde hij.
Grijsstreep hield even zijn blik vast en miauwde toen:
‘Je had gelijk, Vuurhart. Het gevecht was niet gemakkelijk. Ik had het gevoel dat ik met Zilverstrooms Clangenoten vocht, niet met vijanden.’ Hij sloeg zijn ogen beschaamd neer. ‘En toch kan ik haar niet opgeven.’
De woorden van de grijze krijgskat vervulde Vuurhart van angstige voorgevoelens, maar hij kon er niets aan doen dat hij met zijn vriend meeleefde. ‘Dat is iets dat je zelf moet uitzoeken,’ miauwde hij. ‘Het is niet aan mij om je te veroordelen.’ Grijsstreep keek op en Vuurhart vervolgde: ‘Grijsstreep wat je ook doet, ik zal altijd je vriend blijven.’ Grijsstreep staarde hem aan, zijn ogen wazig van opluchting en dankbaarheid. Daarna legden de twee krijgers zich zij aan zij neer op deze vreemde plek. Voor het eerst in manen, drukten zij als vrienden hun vacht tegen elkaar aan. Onder de dikbesneeuwde struiken vonden zij voor even beschutting tegen de storm die boven hen woedde.