Hoofdstuk 6 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
VUURHART DRUKTE zich waarschuwend tegen Grijsstreep aan, die naast hem was komen staan. Ze moesten geen enkele bedreiging uitstralen als ze dit wilden overleven.
De WindClankrijgers bleven onverzettelijk staan zonder een spier te vertrekken. Ze wachten op een teken van hun leider, besefte Vuurhart. Zij houden zich nog steeds aan de krijgscode, zelfs nu ze zo moeten leven.
Van achter de lijn krijgskatten drong een zwart-witte kater zich naar voren. Met een schok herkende Vuurhart de kat met de lange staart uit zijn droom. Dit moest Langster zijn, de leider van de WindClan.
Langster snoof de lucht op, maar de sterke wind kwam vanachter Vuurhart en Grijsstreep dus werden hun geuren de andere kant op gevoerd. Toen de zwart-witte kat op hen af kwam ademde Vuurhart de ranzige reuk van kraaienvoer in die aan zijn vacht hing. Net als Grijsstreep bleef hij doodstil staan met neergeslagen ogen toen Langster om hen heen liep en hun vacht besnuffelde.
Ten slotte keerde Langster terug naar zijn krijgers.
Vuurhart hoorde hem ‘DonderClan’ murmelen. De vacht van de krijgers ging liggen, maar ze handhaafden de verdedigingslinie die de rest van de Clan beschermde.
Langster draaide zich om naar de bezoekers en ging zitten met zijn staart zorgvuldig rond zijn poten gekruld. ‘Ik verwachtte de SchaduwClan,’ gromde hij. Vijandschap brandde in zijn ogen. ‘Wat komen jullie hier doen?
‘We komen jullie halen,’ miauwde Vuurhart. Hij voelde zijn stem breken van spanning. ‘Blauwster en de andere Clanleiders willen dat jullie naar jullie gebied terugkeren.
De stem van de WindClanleider klonk nog steeds achterdochtig. ‘Dat gebied is niet meer veilig voor mijn Clan,’ miauwde hij. Vuurhart zag zo’n opgejaagde blik in Langsters ogen dat hij een steek van verdriet voelde.
‘De SchaduwClan heeft Brokkelster verstoten,’ mauwde hij. ‘Hij vormt geen bedreiging meer.’
De krijgers achter Langster draaiden zich om en keken elkaar aan. Een verwonderd gemompel rimpelde door de Clan.
‘Jullie moeten zo snel mogelijk terugkomen,’ drong Vuurhart aan. ‘De SchaduwClan en de RivierClan beginnen al te jagen in het hoogland. Op weg hierheen zagen we vlakbij de dassenburcht een jachtpatrouille van de RivierClan.’
Langster zette boos zijn haren op.
‘Maar ze brengen niet veel terecht van de konijnenjacht,’ voegde Grijsstreep eraan toe. ‘Volgens mij zijn ze met lege magen teruggegaan.’
Langster en zijn krijgskatten snorden tevreden. Hun verbeterde stemming gaf Vuurhart moed, maar hij zag wel hoe zwak ze waren. Voor deze Clan zou de tocht naar huis door het hoogland lang en zwaar zijn. ‘Mogen wij jullie vergezellen?’ stelde hij respectvol voor.
Langsters ogen flitsten. Hij wist dat de vraag een tactvol hulpaanbod was. Hij keek Vuurhart strak aan. ‘Ja,’ antwoordde hij ten slotte. ‘Dank je.’
Vuurhart besefte dat hij zich niet had voorgesteld.
‘Dit is Grijsstreep,’ miauwde hij met een kleine buiging.
‘En ik ben Vuurhart. Wij zijn krijgers van de DonderClan.’
‘Vuurhart,’ antwoordde Langster nadenkend. ‘Zonlicht viel nu door het gat in het dak waardoor Vuurharts vacht oranje opgloeide in de schemerige tunnel. ‘Die naam past goed bij je.’
Een nieuw monster kwam hoog over hen heen denderen. Vuurhart en Grijsstreep doken ineen. Langster zag het met een glimlach aan en zwaaide met zijn staart. Het moet een teken zijn geweest want de lijn krijgers achter hem verspreidde zich. ‘We zullen meteen vertrekken,’ verklaarde hij en stond op.
‘Zijn we allemaal fit genoeg voor de tocht?’ vroeg Langster toen de krijgers zich vermengden met de moederkatten en de oudsten.
‘Allemaal behalve het jong van Ochtendbloem,’ antwoordde een bruin gevlekte krijgskat. ‘Dat is nog te jong.’
‘Dan moeten wij hem om beurten dragen,’ antwoordde Langster.
De WindClankatten schuifelden naar voren met doffe ogen van pijn en uitputting. Een lapjespoes hield een piepkleine kitten bij zijn nekvel. De oogjes van het kleintje waren nog nauwelijks open.
‘Klaar?’ riep Langster.
Een zwarte kater met een misvormde poot keek de Clan rond en antwoordde voor hen. ‘Klaar,’ miauwde hij.
Vuurhart en Grijsstreep draaiden zich om en gingen op weg naar de uitgang van de tunnel. Daar wachtten ze tot de WindClankatten knipperend in het daglicht tevoorschijn kwamen. De ogen van sommige oudsten knipperden zo lang in hun vertrokken gezichten tegen het zwakke zonlicht, dat Vuurhart vermoedde dat ze de tunnel al lange tijd niet uit waren geweest. Langster kwam als laatste naar buiten en nam zijn plaats in aan het hoofd van zijn Clan.
‘Zullen we de route nemen waarlangs wij hier gekomen zijn?’ vroeg Vuurhart aan hem. ‘Volgens mij is dat de kortste weg.’
‘Is die route veilig?’ vroeg Langster en Vuurhart zag opnieuw de opgejaagde blik in de ogen van de leider.
‘We hebben op weg hierheen geen problemen gehad,’ miauwde Grijsstreep.
Langster zwaaide vastberaden met zijn staart alsof hij alle twijfel wegwuifde. ‘Goed,’ verklaarde hij. ‘Blijf jij bij mij, Grijsstreep, om me de weg te wijzen. Vuurhart, blijf jij naast de Clan. Vertel mijn commandant als je gevaar ziet.’
‘Wie is dat?’ vroeg Vuurhart.
Langster knikte naar de zwarte kater. ‘Doodvoet,’ miauwde hij. De krijgskat draaide zich om bij het horen van zijn naam en spitste zijn oren.
Vuurhart begroette hem met een knikje. Hij liet Grijsstreep achter bij Langster en voegde zich bij de andere katten.
Onder de boog van het donderpad rook Vuurhart nog steeds het vuur, maar toen ze het braakliggende veldje op kwamen, waren de tweebenen nergens meer te zien. Grijsstreep ging regelrecht naar de tunnel waarin hij en Vuurhart de nacht hadden doorgebracht. Langster ging er als eerste in terwijl Vuurhart achteraan wachtte tot de hele Clan erin verdwenen was. Alleen Doodvoet was overgebleven.
‘Weet je zeker dat deze tunnel naar daglicht leidt?’ miauwde de zwarte kater achterdochtig.
‘Hij loopt alleen onder het donderpad door. Hebben jullie deze tunnel nooit gebruikt?’ vroeg Vuurhart verrast.
‘Wanneer onze krijgers het donderpad oversteken zien ze liever waar ze heengaan,’ gromde Doodvoet. Vuurhart knikte en de commandant vervolgde: ‘Ga jij maar eerst.’
Vuurhart stapte omlaag het donkere hol in. Toen hij weer bovenkwam, zag hij de WindClan over het veld staren dat naar het laatste donderpad voerde. Vuurhart zag Langster even met Grijsstreep overleggen voor ze verder liepen door het lange, berijpte gras. Vuurhart liep mee met de rest van de Clan aan de ene kant, terwijl Doodvoet stevig doorstrompelde aan de andere kant.
Voor ze halverwege het veld waren, werd duidelijk dat veel katten moeite hadden het tempo vol te houden.
‘Langster!’ riep Doodvoet. ‘We moeten het kalmer aan doen.’
Vuurhart keek over zijn schouder en zag enkele katten steeds verder achterblijven. Een van hen was Ochtendbloem met het jong heen en weer zwaaiend in haar mond. Ze liep hevig te hijgen. Het kon niet lang geleden zijn geweest dat ze had gejongd.
‘Laat mij hem dragen,’ bood Vuurhart aan. ‘Gewoon tot je weer een beetje op adem bent gekomen.’
Ochtendbloem keek wantrouwend naar Vuurhart, maar haar ogen werden zachter toen ze de zijne ontmoetten. Ze legde haar jong neer en Vuurhart nam het voorzichtig op en bleef naast haar lopen zodat ze haar kostbare bundeltje geen ogenblik uit het oog verloor.
Langster nam wat tempo terug, maar niet veel.
Ondanks zijn duidelijke uitputting, en het feit dat al zijn ribben zichtbaar waren onder zijn vacht, brandde er een felle energie in hem die zijn poten vleugels gaf.
Voor een deel begreep Vuurhart de reden voor zijn haast. De zon rees gestaag boven de horizon. Sommige WindClankatten waren ziek, anderen oud en ze waren allemaal erg verzwakt van de honger. Als ze het donderpad wilden oversteken zonder iemand te verliezen moesten ze het snel doen, voordat de monsters in zwermen zouden komen aanzetten.
Tegen de tijd dat Vuurhart en Ochtendbloem bij de heg aankwamen, had de WindClan zich rond zijn leider verzameld.
‘Hier steken we het donderpad over,’ verklaarde Langster boven het kabaal van een voorbijrazend monster uit. De WindClanleider wrong zich onder de heg door. Doodvoet, Grijsstreep en een jonge krijger volgden hem.
Ochtendbloem boog zich naar Vuurhart over en pakte haar jong vast. Ze hijgde nu niet meer en toen ze het jong van Vuurhart overnam streek haar wang dankbaar langs de zijne. Hij boog voor de lapjespoes en volgde Grijsstreep onder de heg door.
Langster en Doodvoet staarden zwijgend naar het brede grijze pad. Grijsstreep stond naast hen. Hij zwaaide met zijn staart naar de jonge krijger. ‘Dit is Eensnor,’ zei hij tegen Vuurhart.
Een langsdenderend monster maakte Grijsstreeps woorden onverstaanbaar en joeg een wolk stekend stof op.
Met tranende ogen begroette Vuurhart Eensnor en richtte zijn aandacht op het donderpad. ‘We moeten de Clan er met kleine groepjes tegelijk overheen proberen te krijgen,’ miauwde hij. Grijsstreep en ik zullen alle katten die hulp nodig hebben begeleiden.’ Hij keek de Clanleider aan. ‘Als jij het daarmee eens bent, Langster,’ voegde hij eraan toe.
Langster knikte. ‘De sterksten gaan eerst,’ miauwde hij.
De andere katten van de WindClan begonnen onder de heg uit te komen. Even later stond de gehele Clan om hen heen, tegen de scherpe takken aangedrukt, zo ver mogelijk van het donderpad vandaan.
Vuurhart en Grijsstreep gingen naar de rand, om te wachten op een pauze in de rij monsters. Het donderpad was veel drukker dan toen zij de vorige nacht waren overgestoken.
Eensnor bracht de eerste groep naar voren.
‘Wil je dat wij met jullie mee oversteken?’ vroeg Vuurhart die de angst van de jonge kater kon ruiken. De vlekkerig bruingestreepte kat schudde van nee. De katten naast hem keken eerst de ene kant van het donderpad af en daarna de andere. Alles was stil dus stoof de groep veilig naar de overkant.
Twee krijgskatten kwamen daarna met een paar schriele oudsten. ‘Nu!’ beval Vuurhart toen een monster veilig voorbij was geflitst.
De vier WindClankatten stapten het lege donderpad op. De oudsten krompen ineen toen ze eroverheen trippelden met poten die nog pijnlijk waren van de vochtige tunnel. Ademloos joeg Vuurpoot ze in gedachten voort toen ze de overkant naderden. Een monster kwam op hen af suizen.
‘Kijk uit!’ gilde Grijsstreep. Meteen sprongen zelfs de twee oudjes vooruit met overeind staande haren en gooiden zich op de overkant, nog geen tel voor het monster voorbijraasde.
Twee grotere groepen staken over zodat er nog maar een overbleef. Pas als ook zij veilig overgestoken waren, zouden Langster en Doodvoet gaan. Ochtendbloem kwam met haar jong naast Vuurhart staan. Achter haar stonden drie stokoude katten te bibberen.
‘Wij zullen met jullie oversteken,’ miauwde Vuurhart.
Hij keek naar Grijsstreep die knikte. ‘Zeg maar wanneer we veilig kunnen gaan, Grijsstreep.’ Vuurhart boog zich voorover om Ochtendbloems jong over te nemen maar zij deinsde achteruit met plat naar achter gevouwen oren. Vuurhart keek diep in haar angstige amberkleurige ogen en begreep haar. Zij en haar jong zouden samen leven of sterven.
‘Nu!’ schreeuwde Grijsstreep. Vuurhart en Ochtendbloem stapten het donderpad op. De drie oudsten slopen achter hen aan met Grijsstreep naast zich. De tijd leek stil te staan terwijl de oudjes langzaam voortsukkelden op stramme, gehavende poten. Als er nu een monster komt zijn we er geweest, dacht Vuurhart. De overkant was nog wel een paar konijnenlengtes weg.
‘Vooruit!’ drong Grijsstreep aan. De oudjes probeerden zich te haasten maar een van hen struikelde en Grijsstreep moest hem met zijn neus overeind duwen.
In de verte hoorde Vuurpoot een monster brullen. ‘Loop jij maar door!’ siste hij tegen Ochtendbloem. ‘Wij nemen de oudsten wel mee.’
Ochtendbloem strompelde verder. Haar jong piepte toen het tegen de harde bodem stootte, Vuurhart en Grijsstreep drukten zich tegen de schriele lijven van de oudjes en duwden ze vooruit. Het geloei van het naderende monster werd luider en luider.
Vuurhart greep de dichtstbijzijnde oudste in zijn nekvel en sleurde hem voort, daarna draaide hij zich om en trok de tweede dichter naar de kant toe. Het monster kwam aanrazen. Vuurhart sloot zijn ogen en zette zich schrap.
Er klonk gierend gepiep en een scherpe stank prikte in zijn keel; daarna nam het gebrul af toen het monster wegspurtte. Grijsstreep zat midden op het donderpad, ongedeerd, maar met starende ogen, zo groot als volle manen. Een oudste zat ineengedoken tussen hen in, de andere twee zaten te bibberen vlakbij de berm. Het monster stormde van hen weg zwenkend over het donderpad.
De SterrenClan zij dank! Hij had geen van hen geraakt.
Vuurhart haalde sidderend adem. ‘Kom mee.’ miauwde hij tegen de laatste oudste. ‘We zijn er bijna.’
Samen met Doodvoet sprong Langster er als laatste overheen en verzamelde zijn Clan om zich heen op de kant.
Eensnor raakte Vuurharts neus aan met de zijne.
‘Jij was bereid voor ons te sterven,’ murmelde hij. ‘Dat zal de WindClan nooit vergeten.
Langsters stem klonk achter hen. ‘Eensnor heeft gelijk, we zullen jullie eren in onze verhalen. We moeten doorgaan,’ vervolgde hij. ‘We hebben nog een lange tocht voor de boeg.’
Toen de katten zich opmaakten om weg te gaan, liep Vuurhart naar Ochtendbloem. Ze was druk haar jong aan het likken.
‘Is hij oké?’ vroeg Vuurhart.
‘O ja,’ antwoordde Ochtendbloem.
‘En jij?’ vroeg Vuurhart.
Ochtendbloem zei niets.
Vuurhart wendde zich tot een grijze moederkat, die zijn onuitgesproken vraag beantwoordde. ‘Maak je maar geen zorgen,’ miauwde ze. ‘Ik zal het jong overnemen.’
De Clan volgde de heg langs het donderpad voor ze afsloegen om het spoor door het bosje te volgen. De geuren hier leken de WindClankatten een beetje gerust te stellen, maar de tocht had zijn tol geëist: hun tempo lag lager dan ooit. En toen ze het hek aan de andere kant bereikten, had Vuurhart al zijn kracht nodig om de zwakste katten eroverheen te helpen.
De zon was zijn hoogste punt gepasseerd tegen de tijd dat Vuurhart in de verte de tweebeenplaats zag.
Hoopvol snoof hij de lucht op, maar hij rook nog steeds geen spoor van Ravenpoot. Vuurhart voelde een steek van teleurstelling en probeerde de gedachte van zich af te zetten dat hij zijn vriend hier nooit alleen naartoe had moeten laten gaan.
Wolken zwollen op boven de Hoogstenen, steeds donkerder naarmate ze de dalende zon verder bedekten. Een koude wind blies de vachten van de katten op en bracht de eerste regendruppels.
Vuurhart keek naar de WindClankatten. Ze zouden met geen mogelijkheid nog een hele, natte nacht kunnen doorgaan. Hij was ook moe en voor het eerst sinds hij Geeltands kruiden had gegeten voelde hij de honger knagen. Een blik op Grijspoot vertelde hem dat zijn vriend zich net zo voelde. De staart van de grote grijze krijgskat hing omlaag en zijn oren lagen plat tegen de kletterende regen.
‘Langster,’ riep Vuurhart. ‘Misschien moeten we nu stoppen en een beschut plekje opzoeken om de nacht door te brengen.’
De leider van de WindClan stond stil en wachtte tot Vuurhart hem had ingehaald. ‘Dat denk ik ook,’ miauwde hij. ‘Er is hier een greppel, daar kunnen we schuilen tot de zon opkomt.’
‘Grijsstreep en Vuurhart keken elkaar even aan. ‘We kunnen misschien beter onder de heg schuilen,’ stelde Vuurhart voor. ‘Er zitten ratten in die greppels.’
Langster knikte. ‘Goed dan.’ Hij draaide zich om naar zijn Clan en verklaarde dat ze hier de nacht zouden doorbrengen. De moederkatten en de oudsten lieten zich ondanks de regen op slag op de grond neervallen terwijl de krijgers en de leerlingen zich verzamelden om jachtpatrouilles te organiseren.
Vuurhart en Grijsstreep voegden zich bij hen. ‘Ik weet niet of het hier goed jagen is,’ miauwde Vuurhart. ‘Er zijn te veel tweebenen.’
Grijsstreeps maag knorde alsof hij het er mee eens was. De andere krijgers draaiden zich naar hem om met een geamuseerde, maar vriendelijke blik. Maar ineens verstijfden ze toen geritsel klonk in het gras achter hen. De WindClankrijgers zetten hun haren op, kromden hun rug en ontblootten hun scherpe nagels, maar Vuurhart en Grijsstreep keken vol vreugde om. De geur die de wind hen bracht, was hen net zo vertrouwd als hun eigen hol.
‘Ravenpoot!’ hijgde Vuurhart toen een glanzende zwarte kat opdook uit het lange gras.
Vuurhart rende op zijn oude vriend af en wreef zijn neus tegen hem aan, ‘De SterrenClan zij dank dat je veilig bent!’ snorde hij. Hij deed een stap naar achteren en bekeek Ravenpoot verwonderd. Wat was er met de magere, angstige leerling gebeurd? Deze kat zag er mollig en welgedaan uit, en van zijn vacht, vroeger zo dof, rolden de regendruppels af als van een hulstblad.
‘Vuurpoot!’ miauwde Ravenpoot verrukt.
‘Vuurhart,’ verbeterde Grijsstreep hem. Hij kwam naar voren en raakte met zijn neus die van de zwarte kat aan. ‘Wij zijn nu krijgers. Ik ben Grijsstreep.’
‘Kennen jullie deze kat?’ snauwde Doodvoet.
Vuurhart kromp ineen van de vijandigheid in zijn stem. Hij keek naar de overeind staande vacht van de WindClankatten en kon zich wel voor zijn kop slaan dat hij Ravenpoots naam hardop geroepen had. Hij hoopte maar dat Langsters krijgers te afgeleid waren om het te horen.
Als de WindClan het vertelde op een Grote Vergadering, zou het als een lopend vuurtje door de Clans gaan. Ravenpoot was toch zeker dood!
‘Is hij een eenling?’ vroeg Eensnor.
‘Hij kan ons helpen voedsel te vinden,’ miauwde Vuurhart vlug met een blik op Ravenpoot.
De zwarte kat knikte. ‘Ik ken hier de beste plekjes om te jagen,’ mauwde hij. Hij zette zijn vacht niet eens op onder al die vijandige blikken. Wat is hij veranderd, dacht Vuurhart.
‘Waarom zou een eenling ons helpen?’ vroeg Doodvoet.
‘Eenlingen hebben ons al eerder geholpen,’ vertelde Grijsstreep. ‘Een andere eenling heeft ons hier in de buurt eens van een rattenaanval gered.’
Ravenpoot kwam naar voren. Hij boog zijn kop vol respect en mauwde tegen de WindClankrijgers: ‘Laat me jullie helpen! Ik heb mijn leven te danken aan Vuurhart en Grijsstreep, en als zij met jullie samen reizen, dan moeten jullie vrienden zijn.’ Hij hief zijn ogen op en liet zijn blik op de WindClankatten rusten. Zij keken hem nu eerder vermoeid dan vijandig aan. Het was nog harder gaan regenen en met hun druipende vacht zagen ze er magerder uit dan ooit.
‘Ik zal Rogge gaan halen,’ miauwde Ravenpoot. ‘Hij zal ook wel willen helpen.’ Hij draaide zich om en verdween in het lange gras.
Langsters ogen brandde van nieuwsgierigheid, maar het enige wat hij aan Vuurhart vroeg, was: ‘Kunnen we hem vertrouwen?’
Vuurhart keek Langster recht aan. ‘Volkomen.’
Langster knikte naar zijn krijgers. Ze lieten het haar op hun schouders dalen en gingen zitten wachten.
Vuurhart was bijna tot op zijn huid nat toen Ravenpoot weer verscheen. Dit keer was Rogge bij hem. Vuurhart begroette de zwart met witte eenling met een vriendschappelijke miauw. Het was fijn hem weer te zien.
Rogge wierp een blik op de druipnatte katten en miauwde: ‘We moeten een betere schuilplaats voor jullie vinden. Kom maar mee!’
Vuurhart sprong meteen naar voren, blij zijn verstijvende poten te kunnen strekken. Grijsstreep volgde hem op de hielen, maar de WindClan bleef achter, met angst en achterdocht in hun ogen.
Langster knipperde met zijn ogen naar zijn Clan. ‘We moeten hem vertrouwen,’ gromde hij. Daarna draaide hij zich om en ging achter de eenling aan. De een na de ander volgden de WindClankatten hun leider.
Rogge en Ravenpoot leidden hen door de heg naar een ander veld. In een dichtbegroeide hoek stond tussen braamstruiken en brandnetels een verlaten tweebeennest. De muren zaten vol gaten waar stenen uit waren gevallen en de helft van het dak was ingestort.
De WindClankatten staarden er angstig naar. ‘Mij krijg je daar niet in!’ mompelde een van de oudsten.
‘Tweebenen komen hier nooit meer,’ stelde Rogge hen gerust.
‘Daar vinden we tenminste beschutting tegen de regen,’ drong Vuurhart aan.
Een van de leerlingen fluisterde hard. ‘Het verbaast me niets dat hij in een tweebeennest wil schuilen — eens poesiepoes, altijd poesiepoes.’
Vuurharts haren kwamen overeind. Hij had die belediging al een paar manen niet meer gehoord. Maar het verhaal dat een poesiepoes zich bij een Clan had aangesloten, moest als een lopend vuurtje door de Grote Vergadering zijn gegaan. Natuurlijk had de WindClan daarvan gehoord. Hij draaide zich snel om en keek de leerling kwaad aan. ‘Jij hebt twee manen in een tweebeentunnel gewoond, heeft dat van jou een rat gemaakt?’
De WindClanleerling kwam overeind en zette zijn vacht op, maar Grijsstreep stapte tussen hen in. ‘Kom mee, hoe langer we hier blijven staan hoe natter we worden.’
Langster miauwde: ‘We hebben de laatste manen wel ergere dingen meegemaakt dan een tweebeenplaats. Daar een nachtje doorbrengen, zal ons heus geen kwaad doen.’
De WindClankatten murmelden nerveus onder elkaar, ze hadden er kennelijk weinig zin in, maar met een blik op Vuurhart pakte Ochtendbloem haar jong op en trippelde de tweebeenschuilplaats in. De grijze moederkat volgde haar en duwde haar eigen jong naar binnen uit de stortregen. De andere katten volgden geleidelijk tot elke kat uit de regen was.
Vuurhart keek de donkere ruimte rond, De grond was kaal afgezien van een paar plekjes waar onkruid onder de stenen muren was doorgedrongen. De wind en de regen kwamen door gaten in de muren en het dak, maar het was er een heel stuk droger en beschutter dan welke plek buiten ook. Toen ze zich zo ver mogelijk van de druipende gaten en tochtige spleten af begonnen te installeren, keek hij opgelucht naar Grijsstreep. Alleen Langster en Doodvoet stonden nog op hun poten.
‘Hoe komen we aan eten?’ vroeg Doodvoet.
Rogge miauwde: ‘Jullie zouden allemaal moeten uitrusten. Raven…’
Vuurhart viel hem in de rede voor Rogge Ravenpoots naam volledig had uitgesproken. ‘Waarom laten jullie twee mij en Grijsstreep niet de beste plaatsen om hier te jagen zien?’
‘Doodvoet en Eensnor zullen met jullie meegaan,’ mauwde Langster. Vuurhart wist niet of de WindClanleider deze twee onbekende katten nog steeds niet vertrouwde, of vastbesloten was te laten zien dat de WindClan best voor zichzelf kon zorgen.
De zes katten waagden zich weer de regen in. De jacht zou moeilijk zijn, maar Vuurhart rammelde van de honger. Van honger werd hij altijd een veel betere jager. Vanavond zouden muizen en waterratten geen schijn van kans maken. ‘Laat maar zien waar ze zitten!’ mauwde hij tegen Rogge en Ravenpoot.
De twee katten namen hen mee naar een klein stukje bos waar Vuurhart een longvol bekende geuren inademde. Meteen liet hij zich in jachthouding zakken en sloop het bos in.
* * *
Bij terugkeer droeg elke kat van de jachtpatrouille een mondvol verse prooi mee. Samen met hun nieuwe bondgenoten genoten de WindClankatten die avond van een waar feestmaal. Iedere kat, van de oudste tot de jongste, at zijn buikje rond, daarna rolden zij zich dicht bijeen op en tongden samen bij het wassen van elkaar, terwijl buiten regen en wind de muren van hun schuilplaats teisterden.
Toen de nacht viel stond Rogge op. ‘Ik ga maar weer eens. De ratten wachten. Op rattenjacht!’ miauwde hij.
Vuurhart kwam overeind en raakte de neus van de eenling aan met de zijne. ‘Nogmaals bedankt,’ snorde hij. ‘Dit is al de tweede keer dat je ons geholpen hebt.’
‘Jij bedankt, dat je Ravenpoot naar me toe hebt gestuurd,’ antwoordde Rogge. ‘Hij wordt een prima rattenvanger. En het is fijn om zo nu en dan samen te eten met een bevriende kat.’
‘Is hij hier gelukkig?’ vroeg Vuurhart.
‘Dat vraag je hem zelf maar,’ miauwde Rogge en met die woorden draaide hij zich om en verdween in het duister.
Vuurhart trippelde naar Langster, die zijn poten zat te wassen. Vuurhart moest wel zien hoe gezwollen en pijnlijk die eruitzagen. ‘Wij kunnen vannacht om beurten de wacht houden als je wilt,’ bood hij aan met een knikje naar Grijsstreep en Ravenpoot.
Langster keek dankbaar naar hem op, met doffe ogen van uitputting. ‘Bedankt,’ miauwde hij. Vuurhart knipperde respectvol met zijn ogen en ging het aan Ravenpoot en Grijsstreep vertellen.
Zijn aanbod aan Langster was echt gemeend, maar het betekende ook dat hij alleen kon zijn met zijn twee vrienden. Hij wilde dolgraag met Ravenpoot spreken zonder dat de WindClankatten het konden horen om hem te vragen hoe het hem was vergaan. Grijsstreep en Ravenpoot sprongen meteen naar hem toe toen hij ze riep.
Vuurhart nam hen mee naar een hoek van het tweebeennest, dicht genoeg bij de ingang om de wacht te houden en ver genoeg van de andere katten af om rustig te kunnen praten. ‘En, wat is er allemaal met je gebeurd sinds we je alleen lieten?’ vroeg hij aan Ravenpoot zodra de drie vrienden zich hadden geïnstalleerd.
‘Ik ben regelrecht het Windterritorium overgestoken, zoals je had gezegd.’
‘En hoe ging het met die tweebeenhonden?’ vroeg Grijsstreep. ‘Liepen ze los?’
‘Jawel, maar die waren gemakkelijk genoeg te ontwijken,’ vertelde Ravenpoot.
Het verraste Vuurhart hoe achteloos zijn vriend het over de honden had. ‘Gemakkelijk?’ herhaalde hij.
‘Ik kon ze van ver al ruiken. Ik wachtte gewoon tot het ochtend werd en zodra ze weer vastgebonden waren, heb ik Rogge opgezocht. Hij was fantastisch. Volgens mij vindt hij het wel prettig mij om zich heen te hebben.’ Plotseling betrok Ravenpoot gezicht. ‘En dat is meer dan Tijgerklauw ooit heeft gedaan,’ miauwde hij bitter. ‘Wat hebben jullie tegen hem gezegd?’
Vuurhart herkende de opgejaagde blik in Ravenpoots ogen toen hij het over zijn vroegere mentor had. ‘We hebben hem verteld dat je gedood bent door een SchaduwClanpatrouille,’ antwoordde hij rustig. Twee WindClanleerlingen slenterden hun kant op. Vuurhart trok met zijn oren om zijn vrienden te waarschuwen dat er toehoorders in de buurt waren.
‘Ja zeker,’ miauwde Ravenpoot wat harder. ‘Wij eenlingen eten graag Clanleerlingen, zodra we er maar een te pakken kunnen krijgen.’
De WindClanleerlingen keken hem uit de hoogte aan. ‘Wij zijn heus niet bang voor jou,’ mauwden ze.
‘O nee?’ miauwde Ravenpoot. ‘Ach, ik denk dat jullie vlees toch wel taai en draderig zou zijn.’
‘Hoe ben jij zo bevriend geraakt met een eenling?’ vroeg een leerling aan Vuurhart.
‘Een wijze krijgskat maakt vrienden waar hij maar kan,’ antwoordde Vuurhart. ‘Als deze eenling er niet geweest was, zouden we nu nog honger en kou lijden, in plaats van droog te zitten met een volle maag!’ Hij versmalde vermanend zijn ogen en de leerlingen dropen af.
‘Dus de DonderClan denkt dat ik dood ben,’ miauwde Ravenpoot toen ze weg waren. Hij keek op zijn poten neer. ‘Tja, dat is waarschijnlijk maar het beste ook.’ Hij hief zijn ogen op en keek Vuurpoot en Grijsstreep aan. ‘Ik ben blij dat ik jullie heb teruggezien,’ mauwde hij warm. Vuurhart snorde en Grijsstreep porde zijn vriend vol genegenheid met een achterpoot. ‘Maar jullie zien er moe uit,’ vervolgde Ravenpoot. Gaan jullie maar slapen. Ik zal vannacht wel de wacht houden. Ik kan morgen uitrusten.’ Hij stond op en gaf allebei zijn vrienden een lik over hun kop. Daarna trippelde hij naar de ingang van de schuilplaats, ging zitten en staarde naar buiten in de regen.
Vuurhart keek naar Grijsstreep. ‘Ben jij moe?’
‘Doodop,’ bekende Grijsstreep. De grijze krijgskat legde zijn kop op zijn poten neer en sloot zijn ogen.
Vuurhart wierp nog een laatste blik op Ravenpoot die daar alleen in de ingang zat. Hij wist nu dat het besluit om Ravenpoot te helpen de DonderClan te verlaten het juiste was geweest. Misschien had Blauwster gelijk toen ze zei dat Ravenpoot beter af zou zijn zonder de Clan. Elke kat heeft zijn eigen lotsbestemming, dacht hij. Ravenpoot was gelukkig en dat was het enige wat er toe deed.
Toen Vuurhart wakker werd, was Ravenpoot weg. Het was al na zonsopgang. De grijze regenwolken begonnen weg te drijven. In de roze gloed van de opgaande zon, leken ze dobberende bloesems op een vijver. Vuurhart staarde door een gat in het dak naar de wolken terwijl de WindClankatten wakker werden en de restjes verse prooi van de vorige avond opaten.
Een bruine kater met een korte staart kwam naast Vuurhart staan en staarde samen met hem naar de wolken. Vuurhart sprong op van schrik toen een vreemde kreet aan de keel van de bruine kater ontsnapte. Bij het geluid drongen de andere WindClankatten murmelend en bezorgd om hem heen.
‘Wat is er, Sparneus?’ drong Ochtendbloem aan. ‘Heeft de SterrenClan tegen je gesproken?’ Vuurhart besefte dat deze kater de medicijnkat van de WindClan moest zijn. Instinctief spanden al zijn spieren zich bij het zien van Sparneus’ overeindstaande haren.
‘De wolken zijn bevlekt met bloed!’ riep Sparneus schor met wijdopen, glazige ogen. ‘Het is een teken van onze voorouders. Er dreigt gevaar. Deze dag zal een onnodige dood brengen.’