Hoofdstuk 7 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
EEN OGENBLIK bleven alle katten onbewegelijk zwijgen. Daarna gromde Doodvoet: ‘Elke Clan kan die wolken zien. Hoe weten we nu zeker dat die boodschap voor ons is bestemd?’
Hoopvol gemurmel klonk onder de WindClankatten. Langster overzag zijn Clan en miauwde kalm: ‘Wat de SterrenClan ook voor ons in petto heeft, vandaag keren we terug naar huis. Ik ruik dat er nog meer regen op komst is. Het wordt tijd dat we op pad gaan.’ Vuurhart was opgelucht bij de nuchtere toon van de leider. Het laatste wat ze nodig hadden, was hysterisch gedoe over een onheilsvoorspelling.
Langster ging op weg, de kille ochtendlucht in, gevolgd door Vuurhart en Grijsstreep. De WindClanleider had gelijk: de wind bracht de belofte van nog meer regen, en over niet al te lange tijd.
‘Zullen wij vooruit gaan om de route te verkennen?’ bood Vuurhart aan.
‘Ja, graag,’ antwoordde Langster.’ Waarschuw me als jullie honden, tweebenen of ratten zien. Mijn Clan mag dan vanmorgen wat sterker zijn, maar op de heenweg hebben we problemen met honden gehad. We moeten op onze hoede blijven.’ Aan de bezorgde blik in de ogen van de leider zag Vuurhart dat Sparneus’ waarschuwing hem meer had verontrust dan zijn zelfverzekerde woorden deden vermoeden. Zijn Clan mocht dan sterker zijn, maar ze hadden niet genoeg kracht om een aanval af te slaan.
Vuurhart rende weg met Grijsstreep op zijn hielen.
Om beurten gingen ze terug naar de Clan om Langster te vertellen dat de weg veilig was of te waarschuwen dat ze moesten wachten tot een tweebeen die zijn hond uitliet, voorbij was. De WindClankatten gehoorzaamden hun leider zonder een woord van protest en ploeterden voort op zware poten ondanks een nacht uitrusten.
Tegen zonhoog was de bewolking weer toegenomen en vielen de eerste regendruppels. Het terrein ging hier omhoog en toen Vuurhart door een heg heendrong, herkende hij het spoor van rode aarde dat van het tweebeenterritorium naar de jachtvelden van de WindClan leidde. Daar monterde hij meteen van op, en hij keek Grijsstreep aan met een triomfantelijke blik. We zijn er bijna!
Gedempte pootstappen klonken achter de heg. Vuurhart draaide zich op slag om en stoof terug het veld in. De WindClankatten hadden hen ingehaald. Doodvoet liep aan het hoofd van de groep. Hij schrok van Vuurharts plotselinge verschijning.
‘Deze kant op,’ miauwde Vuurhart en wees hem het gat door de druipende bladeren. Hij wilde dolgraag de reactie van de katten zien wanneer zij aan de andere kant het hoogland voor zich zagen. Met Doodvoet voorop drongen zij zich langzaam door de heg heen.
Vuurhart ging vlak achter de laatste kat aan, maar Doodvoet en de twee krijgers waren al door de greppel gesprongen en het spoor overgestoken, en nu waren ze zich al door de heg aan de andere kant heen aan het dringen. Hun tempo was zo veel sneller — ze wisten kennelijk waar ze waren — dat Vuurhart moest sprinten om ze in te halen. Hij volgde hen door de heg en bleef hen bijhouden toen ze op de lange helling af sprongen die naar het hoogland en hun kamp leidde.
Beneden aan de helling bleven Doodvoet en zijn krijgers wachten op de rest van de Clan. Ze knepen hun ogen dicht tegen de regen maar hielden hun kop fier omhoog. Vuurhart zag hun borst rijzen en dalen bij het inademen van de vertrouwde geuren die van het hoogland aan kwamen waaien.
Vuurhart rende terug naar de rest van de Clan op zoek naar Ochtendbloem. Hij zag haar naast een krijgskat lopen die haar jong meedroeg in zijn mond. Om de paar stappen rekte de lapjespoes haar nek uit om aan het natte bundeltje te ruiken. Het zou nu niet lang meer duren tot ze haar kleintje in de kraamkamer van de WindClan kon installeren.
Vuurhart voegde zich bij Grijsstreep die achteraan liep. Ze keken elkaar vrolijk aan maar zeiden niets, zo genoten ze van de opwinding bij de WindClan over hun terugkeer. Zelfs de oudsten liepen met hun lichaam laag bij de grond en hun ogen halfdicht tegen de regen. Toen de Clan Doodvoet bereikte aan de voet van de helling, stond de commandant op. Langster nam de leiding over en koos zonder aarzelen een smal, diep schapenspoor door het ruwe gras en de heide.
Toen de Clan de top naderde renden een paar krijgers weer vooruit. Bovenaan de helling vormden ze trotse silhouetten tegen de stormachtige hemel, waar de wind door hun vacht rimpelde. Voor hen strekten hun oude jachtvelden zich uit. Plotseling stormden twee leerlingen langs Vuurhart heen en sprongen door de vertrouwde heide.
Langster verstijfde. ‘Wacht!’ schreeuwde hij. ‘Er kunnen hier jachtpatrouilles van andere Clans zijn!’
Zodra ze zijn stem hoorden kwamen de leerlingen glijdend tot stilstand en holden terug naar de Clan, hun ogen nog steeds glanzend van blijdschap.
Vanaf een rotsachtige richel zag Vuurhart de laagte in het terrein die het WindClankamp verborg. Snorrend van verrukking nam Ochtendbloem haar jong over uit de mond van de gestreepte krijgskat en liep er haastig naartoe. Langster zwaaide met zijn staart en drie krijgers spurtten naar voren om haar te begeleiden toen ze over de rand het kamp in verdween.
De WindClanleider bleef staan terwijl de rest van zijn Clan de beschuttende struiken beneden instormde. Hij draaide zich met stralende ogen om naar Vuurhart en Grijsstreep. ‘Mijn Clan is jullie dankbaar voor jullie hulp,’ miauwde hij. ‘Jullie hebben je allebei de SterrenClan waardig betoond. De WindClan is naar huis teruggekeerd en nu is het ogenblik gekomen dat jullie terugkeren naar dat van jullie.’
Vuurhart voelde een steek van teleurstelling. Hij had willen zien hoe Ochtendbloem zich met haar jong in de kraamkamer installeerde. Maar Langster had gelijk: het was niet nodig dat ze nog langer hier bleven.
Langster vervolgde: ‘Er zijn misschien vijandige patrouilles in de buurt. Eensnor en Doodvoet zullen jullie naar Vierboom begeleiden.’
Vuurhart boog zijn kop. ‘Dank je, Langster.’
Langster riep zijn krijgers en gaf hen zijn bevelen. Daarna richtte hij zijn vermoeide ogen opnieuw op Vuurhart. ‘Jullie hebben de WindClan een grote dienst bewezen. Zeg maar tegen Blauwster dat de WindClan niet zal vergeten dat het de DonderClan was die hen thuis heeft gebracht.’
Doodvoet trippelde weg in de richting van Vierboom. Vuurhart en Grijsstreep liepen achter hem aan met Eensnor naast hen. Ze bleven dicht bij elkaar op een smal pad door een dichte massa doornstruiken die een goede beschutting tegen de regen bood.
Plotseling stond Eensnor stil en snoof. ‘Konijn!’ riep hij vrolijk en stormde de struiken in. Doodvoet bleef staan en wachtte. Vuurhart zag een glinstering in de vermoeide ogen van de commandant. In de verte klonken snelle pootstappen en geritsel van struikgewas, daarna was het stil.
Even later kwam Eensnor terug met een groot konijn bengelend tussen zijn kaken.
Grijsstreep boog zich naar Vuurhart. ‘Wel een tikje beter dan de RivierClankrijgers, hè?’
Vuurhart snorde instemmend.
Eensnor liet de verse prooi op de grond vallen. ‘Iemand honger?’
Dankbaar aten ze het konijn op. Toen hij zijn deel op had, ging Vuurhart overeind zitten en likte zijn lippen af. Hij voelde zich wat opgekikkerd door het eten, maar een uitgeputte kilte knaagde aan zijn botten en zijn poten deden pijn. Als hij en Grijsstreep dezelfde weg terug volgden die ze heen genomen hadden, langs Vierboom, hadden ze nog een lange weg te gaan. Maar als ze nu eens een stukje afsneden door het jachtgebied van de RivierClan? Per slot van rekening waren ze op een missie waar alle Clans, tenminste op de Grote Vergadering, mee hadden ingestemd. Zou de RivierClan er echt bezwaar tegen kunnen hebben als ze door hun territorium gingen? Ze kwamen er tenslotte geen prooi stelen.
Vuurhart keek om naar de anderen en miauwde voorzichtig: ‘Weet je, het is veel korter als we langs de rivier gaan.’
Grijsstreep keek op van het wassen van zijn poot. ‘Maar dan moeten we door het Rivierterritorium.’
‘We zouden langs de kloof kunnen gaan,’ legde Vuurhart uit. ‘Daar jaagt de RivierClan niet, omdat de wanden veel te steil zijn om vandaar bij de rivier te komen.’
Grijsstreep zette zijn natte poot zachtjes op de grond. ‘Zelfs mijn klauwen doen pijn,’ murmelde hij. Ik zou er geen bezwaar tegen hebben een kortere weg te nemen. Hij keek hoopvol naar de commandant van de WindClan.
Doodvoet keek nadenkend. ‘Langster heeft me bevolen jullie naar Vierboom te brengen,’ miauwde hij.
‘Als jij niet met ons meewilt, begrijpen we dat best,’ antwoordde Vuurhart snel. ‘We zullen maar een paar tellen in RivierClangebied zijn. Ik denk niet dat we moeilijkheden zullen krijgen.’
Grijsstreep knikte, maar Doodvoet schudde zijn kop. ‘We kunnen jullie echt niet alleen het territorium van de RivierClan in laten gaan,’ miauwde hij. ‘Jullie zijn uitgeput. Als zich moeilijkheden voordoen, zijn jullie niet in staat je daar zonder hulp uit te redden.’
‘We komen heus niemand tegen!’ Vuurhart had zichzelf overtuigd en was vastbesloten ook Doodvoet daarvan te overtuigen.
Doodvoet staarde hem aan met wijze oude ogen. Als we daarlangs gaan,’ peinsde hij, ‘weet de RivierClan meteen dat de WindClan terug is.’
Vuurhart spitste begrijpend zijn oren. ‘En zodra ze verse WindClangeur hebben geroken, zullen ze niet gauw in jullie territorium gaan jagen.’
Eensnor likte de laatste restjes verse prooi van zijn lippen en mauwde: ‘Dat betekent ook dat we dan voor maanopkomst thuis zijn!’
‘Jij wilt alleen maar zorgen dat je een goed plekje krijgt om je nest te maken in jullie hol,’ antwoordde Doodvoet. Zijn stem klonk streng maar er lag een vriendelijke glans in zijn ogen.
‘Dus we gaan door RivierClanterrein?’ vroeg Vuurhart.
‘Ja,’ zei Doodvoet. Hij veranderde van richting en nam de katten mee over een oud dassenspoor dat van het barre hoogland afliep. Even later waren ze in Rivierterritorium. Dwars door de wind en de regen heen hoorde Vuurhart het bulderen van de rivier die ergens voor hen uit met donderend geraas van de rotsen omlaag stortte.
De katten volgden het spoor naar het geluid toe. Het pad werd steeds kleiner tot het niet meer was dan een smalle strook gras vlak langs de rand van een diepe kloof. Aan de ene kant liep een rotsige helling steil omhoog en aan de andere kant ging het recht de diepte in. Vuurhart zag de overkant van de kloof maar een paar vossenlengten van hem af. Hij leek verleidelijk dichtbij en Vuurhart vroeg zich af of hij niet over de kloof heen zou kunnen springen. Misschien als hij niet zo moe en hongerig was… Zijn poten prikten bij de gedachte aan vallen, maar hij kon het toch niet laten even over de rand te kijken.
Beneden zijn poten ging het recht omlaag, een ware afgrond in. Varens klemden zich vast aan kleine richeltjes met bladeren die glinsterden, niet van regendruppels maar van het opspattende water van de gezwollen stroom die op de bodem van de kloof schuimde.
Vuurhart trok zich snel terug met rechtovereind staande haren van angst. Voor hem ploeterden Doodvoet, Eensnor en Grijsstreep gestaag door met ingetrokken koppen. Ze zouden dit pad moeten volgen tot ze eraf konden via een smalle strook bos die tussen hen en het Donderterritorium in lag.
Struikelend haastte Vuurhart zich om hen in te halen, Doodvoet hield zijn oren gespitst en zijn staart zo laag dat hij bijna over de grond sleepte. Eensnor was kennelijk ook zenuwachtig, hij bleef opkijken naar de helling naast hen alsof hij iets hoorde. Vuurhart hoorde niets dan het geraas van de rivier. Bezorgd tuurde hij over zijn schouders met ogen die van de ene kant naar de andere schoten. Door de behoedzaamheid van de WindClankatten voelde hij zich niet erg op zijn gemak.
De steile helling werd vlakker zodat ze iets verder van de rand af konden lopen. Nog steeds striemde regen in hun gezicht en aan de steeds donkerder wordende lucht zag Vuurhart dat de zon onderging, maar het zou nu niet lang meer duren voor ze het bos bereikten. Daar zouden ze meer beschutting vinden. De gedachte aan eten en een droog nest fleurde hem op.
Plotseling rochelde een waarschuwend gegrauw in Doodvoets keel. Vuurhart verstijfde en proefde de lucht. Een RivierClanpatrouille! Gekrijs klonk achter hen en toen de katten zich omdraaiden zagen ze zes RivierClankrijgers op zich afkomen. Vuurharts haren rezen te berge van afschuw. De diepe kloof met zijn razende water was nog steeds gevaarlijk dichtbij.
Een donkerbruine RivierClankat landde bovenop hem. Vuurhart rolde zo ver mogelijk van de kloof af en schopte wild met zijn achterpoten. Hij voelde tanden in zijn schouders en worstelde onder het gewicht van de sissende krijgskat. Wanhopig krabbelde hij over de grond om zich te bevrijden. De RivierClankrijger haalde zijn zij open met zijn scherpe klauwen. Vuurhart kronkelde en beet in de vacht van zijn aanvaller. Hij klemde zijn kaken dicht en hoorde de krijger gillen, maar de nagels van de ander boorden zich alleen nog maar dieper in zijn vel. ‘Dit zal de laatste keer zijn dat jij een poot op RivierClangrond zet,’ siste de bruine kater.
Rondom hem voelde Vuurhart zijn kameraden woest vechten. Hij wist dat ze net zo uitgeput waren als hij van de lange tocht. Hij hoorde Grijsstreep fel grauwen en Eensnor sissen van pijn en woede. Daarna drong een ander geluid tot hem door uit het bos achter hem. Het klonk furieus — en toch sloeg een golf van hoop door Vuurhart heen: Tijgerklauws strijdkreet! Vuurhart rook de snelnaderende strijdgeur van een DonderClanpatrouille — Tijgerklauw, Wilgvacht, Witstorm en Zandpoot.
Krijsend en spugend wierpen de DonderClankatten zich in de strijd. Zodra Vuurhart losgelaten werd door de bruine kater, krabbelde hij snel overeind. Hij zag Tijgerklauw een grijsgestreepte kater tegen de grond drukken en een waarschuwende knauw in zijn achterpoot geven. Schreeuwend rende de kater het struikgewas in. Daarna draaide Tijgerklauw zich op slag om en richtte zijn bleke ogen op Luipaardvacht. De gevlekte RivierClancommandant worstelde met Doodvoet. De manke krijger was geen partij voor de woeste RivierClanpoes. Vuurhart wilde hem te hulp te komen, maar Tijgerklauw was hem net voor. De donkere krijger dook naar voren en pakte Luipaardvachts brede schouders vast. Met een machtige grauw rukte hij haar van de schriele WindClancommandant af.
Vuurhart hoorde een gemeen gekrijs achter zich. Hij draaide zich met een ruk om en zag Zandpoot in gevecht met een andere RivierClanpoes. Kronkelend rolden ze samen over het natte gras al blazend en klauwend naar elkaar. Vuurhart schrok. Ze rolden naar de rand van de kloof! Nog één draai en ze zouden over de rand gaan.
Vuurhart sprong eropaf. Met een machtige zwiep sloeg hij de RivierClankrijger van Zandpoot af en weg van de afgrond. Zandpoot gleed door, nog dichter bij de rand. Vuurhart schoot naar voren en greep haar met zijn tanden in haar nekvel. Ze gilde van woede toen hij haar bij de kloof wegrukte zodat haar poten over de modderige grond schraapten. Toen hij haar losliet sprong ze blazend naar Vuurhart overeind met ogen die vlamden van woede. ‘Ik kan het heus wel alleen af! Ik heb jouw hulp niet nodig!’
Vuurhart deed zijn mond open om het uit te leggen maar een vreselijke gil deed hen omkijken. Grijsstreep boog zich gevaarlijk ver over de afgrond met wild krabbelende achterpoten. Vuurhart ving een glimp op van een witte poot die zich naast hem aan de rand vastklemde. Grijsstreep hing voorover met zijn mond open om te proberen greep op de poot te krijgen, maar die gleed met angstaanjagende snelheid weg. Grijsstreep schreeuwde hem na met een jammerklacht die door de kloof galmde.
Alle katten hielden op met vechten bij het horen van Grijsstreeps wanhoopskreet. Vuurhart verstijfde, hijgend van schrik en uitputting. De RivierClankatten renden naar de afgrond. Langzaam volgde Vuurhart hen en tuurde over de rand. Diep beneden zag hij in de oorverdovende nevel de donkere kop van een RivierClankrijger wegzinken in het schuimende water.
Met een steek van afschuw herinnerde Vuurhart zich de woorden van de medicijnkat van de WindClan. ‘Deze dag zal een onnodige dood brengen.’