Hoofdstuk 8 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
LUIPAARDVACHT HIEF haar kop op en jammerde in de wind: ‘Witklauw! Nee!’
Grijsstreep krabbelde achteruit tot hij met alle vier zijn poten veilige grond had bereikt. Zijn natte haar stond rechtovereind en zijn ogen waren wijd opengesperd van de schok. ‘Ik probeerde hem nog vast te pakken… hij verloor zijn evenwicht… het was niet mijn bedoeling…’ Ademloos tuimelden de woorden naar buiten. Vuurhart sprong naar zijn vriend toe en drukte zijn neus tegen zijn flank om hem te troosten, maar Grijsstreep deinsde blindelings achteruit.
Eén voor een keerden de katten zich van de rand af en keken naar Grijsstreep. De ogen van de RivierClankatten waren tot furieuze spleetjes geknepen en alle spieren op hun schouders waren gespannen. Wilgvacht en Witstorm gingen instinctief naar Grijsstreep toe en stelden zich verdedigend aan weerszijden van hem op.
Luipaardvacht gromde diep in haar keel, maar het was een waarschuwing aan haar eigen katten om zich te beheersen. De commandant van de RivierClan staarde Tijgerklauw strak aan. ‘Dit is veel verder gegaan dan een simpel grensincident,’ murmelde ze. ‘We zullen terugkeren naar onze Clan. Het is een zaak geworden die we op een ander ogenblik op een andere manier zullen afhandelen.’
Tijgerklauw staarde uitdagend terug naar Luipaardvacht. Hij toonde geen angst, maar antwoordde met alleen een klein knikje. Luipaardvacht zwaaide met het puntje van haar staart, daarna draaide ze zich om en trippelde weg. De RivierClankatten volgden haar en de hele patrouille verdween in de struiken.
De onheilspellende woorden van Luipaardvacht deden Vuurhart huiveren. Een gevoel van dreigend onheil viel als een koude schaduw over zijn hart en hij besefte dat dit gevecht het begin van een oorlog kon zijn.
Doodvoet hinkte naar voren. ‘We moeten gaan,’ miauwde hij. ‘Jullie twee jonge krijgers zijn ons erg van dienst geweest, en daar dankt mijn Clan jullie voor.’ Maar de formele woorden van dank klonken hol na de tragedie die ze net hadden meegemaakt. Tijgerklauw knikte en de twee WindClankrijgers gingen op weg terug naar hun eigen territorium. Vuurhart miauwde zachtjes ten afscheid toen Eensnor voorbijkwam. Eensnor keek hem even aan en liep door.
Vuurhart zag Zandpoot op de rand van de kloof omlaag staren naar de woeste stroom. Haar poten leken vastgenageld aan de grond en haar ogen aan de afgrond. Vuurhart vermoedde dat ze net had beseft hoe weinig het had gescheeld of ze had het lot van Witklauw gedeeld.
Vuurhart wilde naar haar toegaan maar Tijgerklauw gromde: ‘Volg mij!’
De gestreepte krijgskat stormde weg door de bomen en de rest van zijn patrouille volgde, maar Vuurhart bleef naast Grijsstreep staan. ‘Kom mee,’ drong hij aan. ‘We moeten bij ze blijven.’ Grijsstreep haalde zijn schouders op. Zijn ogen waren dof en grauw van pijn. En toen hij achter de anderen aanging, sleepte hij zich voort alsof zijn poten van lood waren.
Algauw waren de katten voor hen uit het gezicht verdwenen, maar Vuurhart kon hun geurspoor volgen. Tijgerklauw nam hen regelrecht mee terug naar Donderterritorium via de strook bos van de RivierClan. Vuurhart nam aan dat ze zich op dit moment geen zorgen hoefden te maken over RivierClanpatrouilles. Het leed was al geschied. Het zou zinloos zijn nu de lange route via Vierboom te nemen.
Tijgerklauw had de patrouille laten stoppen en wachtte op de grens met het Donderterritorium op Vuurhart en Grijsstreep.
‘Ik dacht dat ik jullie had opgedragen me te volgen,’ gromde hij.
‘Grijsstreep was…’ begon Vuurhart.
‘Hoe eerder Grijsstreep in het kamp terug is hoe beter,’ viel Tijgerklauw hem in de rede.
Grijsstreep zei niets, maar Vuurhart zette zijn vacht op bij de harde toon van de commandant. ‘Hij heeft geen schuld aan Witklauws dood.’
Tijgerklauw draaide zich af. ‘Dat weet ik,’ miauwde hij. ‘Maar het is wel gebeurd. Kom mee, en blijf dit keer bij ons!’ Hij sprong weg over de geurmarkeringen heen die de grens van het Donderterritorium vormden.
Al sinds hij het WindClanhol tussen de donderpaden had verlaten, had Vuurhart naar dit moment uitgekeken. Nu, met één oog op Grijsstreep gericht, merkte hij nauwelijks op dat hij de geurmarkeringen passeerde.
Op het vertrouwde pad naar het kamp werd de regen minder. Toen de patrouille uit de doorntunnel kwam, sprongen enkele andere Clanleden hun hol uit om hen met hoog opgeheven staarten te begroeten.
‘Hebben jullie de WindClan gevonden? Zijn ze veilig terug?’ riep Muisbont. Vuurhart knikte afwezig, maar voelde zich te leeg om antwoord te geven. Muisbonts staart zakte omlaag. De andere katten bleven op de rand van de open plek staan wachten. Aan de gezichten van de terugkerende katten zagen ze dat er iets ernstigs was gebeurd.
‘Kom mee,’ beval Tijgerklauw Vuurhart en Grijsstreep en ging hen voor naar Blauwsters hol. Vuurhart bleef zo dicht naast Grijsstreep dat zijn vacht langs die van zijn vriend streek. Grijsstreep trippelde gewoon door zonder zich dichter naar Vuurhart toe of verder van hem af te bewegen.
Een warme begroeting klonk van achter de mosslierten. De drie katten drongen zich naar binnen de knusse grot in.
‘Welkom!’ Blauwster sprong spinnend op. ‘Hebben jullie de WindClan gevonden? Hebben jullie ze teruggebracht?’
‘Ja, Blauwster,’ antwoordde Vuurhart zachtjes. ‘Ze zijn veilig aangekomen in hun kamp. Langster zei dat ik je moest bedanken.’
‘Mooi, mooi,’ miauwde Blauwster. Haar ogen werden donker toen ze het grimmige gezicht van Tijgerklauw zag. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Vuurhart besloot terug te komen via het Rivierterritorium,’ gromde Tijgerklauw.
Voor het eerst keek Grijsstreep op. ‘Het was niet alleen Vuurhart die besloot…’ begon hij.
Maar Tijgerklauw viel hem in de rede. Ze werden gezien door een RivierClanpatrouille. Als mijn patrouille hun gejammer niet op tijd had gehoord, waren ze nooit levend thuisgekomen.’
‘Dus je hebt ze gered,’ miauwde Blauwster en ontspande zich. ‘Bedankt, Tijgerklauw.’
‘Zo simpel is het niet,’ snoof Tijgerklauw. ‘Ze vochten naast de kloof. Een RivierClankrijger die met Grijsstreep vocht, is over de rand gevallen.’ Vuurhart zag Grijsstreep ineenkrimpen bij de woorden van Tijgerklauw.
Blauwsters ogen gingen wijdopen. ‘Dood?’ vroeg ze geschrokken.
Vuurhart miauwde snel. ‘Het was een ongeluk! Grijsstreep zou nooit een kat doden bij een grensgevecht.’
‘Ik betwijfel of Luipaardvacht dat ook zo zal zien.’ Tijgerklauw draaide zich naar Vuurhart toe met een staart die heen en weer zwiepte. ‘Wat haalde jij je in je domme hoofd? Dwars door Rivierterritorium gaan! En nog wel met WindClankatten! Je hebt iedereen de boodschap gegeven dat wij hun bondgenoten zijn, en dat zal de RivierClan en de SchaduwClan alleen maar dichter naar elkaar toe drijven.’
‘Was de WindClan bij jullie in Rivierterritorium?’ Blauwster keek zelfs nog ongeruster.
‘Alleen twee krijgers. Langster gaf ons begeleiders op weg naar huis. We waren erg moe…’ murmelde Vuurhart.
‘Je had helemaal niet in Rivierterritorium mogen komen,’ snauwde Tijgerklauw. ‘En al helemaal niet met WindClankatten.’
‘Het was geen bondgenootschap. Ze begeleidden ons naar huis,’ protesteerde Vuurhart.
‘Weet de RivierClan dat?’ spuugde Tijgerklauw.
‘De RivierClan wist dat we de WindClan gingen zoeken om ze terug te halen. Daar stemden ze mee in op de Grote Vergadering. Ze hadden ons niet aan mogen vallen — het was een speciale opdracht, net zoiets als de tocht naar Hoogstenen.’
‘Ze hadden jullie geen toestemming gegeven door hun territorium te reizen,’ spuugde Tijgerklauw. Jij begrijpt nog steeds niets van de Clanregels, hè?’
Blauwster stond op. Haar ogen flitsten toen ze de drie katten een voor een aankeek, maar haar stem klonk kalm, ‘Jullie hadden het jachtterrein van de RivierClan niet mogen ingaan. Dat was heel gevaarlijk.’ Ze keek streng van Vuurhart naar Grijsstreep. Vuurhart zocht in haar ogen naar een sterker verwijt, maar vond er geen. Hij werd verscheurd door dankbaarheid en schuldgevoel. Hij had een breuk met de RivierClan veroorzaakt die de veiligheid van zijn Clan misschien vele manen lang zou bedreigen.
Met een onrustig zwaaiende staart vervolgde Blauwster: ‘Maar jullie hebben de opdracht de WindClan te vinden en terug te halen goed volbracht. We zullen ons nu moeten voorbereiden op een aanval van de RivierClan. We zullen meer krijgers moeten trainen. Vuurhart en Grijsstreep, volgens IJzelvacht zijn twee van haar jongen bijna klaar om met trainen te beginnen. Ik wil dat jullie allebei een jong als leerling aannemen.’
Vuurhart stond versteld. Wat een eer! Hij kon haast niet geloven dat Blauwster dat echt had voorgesteld — vooral nu niet. Hij keek steels naar Tijgerklauw. De commandant zat stokstijf.
Grijsstreep keek op. ‘Maar IJzelvachts jongen zijn toch nog geen zes manen oud!’
‘Dat duurt niet lang meer. De scheidslijnen op de laatste Grote Vergadering zitten me niet lekker, en na vandaag…’ Blauwsters stem stierf weg, en Vuurhart zag Grijsstreep weer naar zijn poten kijken.
Tijgerklauw staarde met een harde blik naar Blauwster. ‘Zou het niet beter zijn ervaren krijgers als Langstaart of Donkerstreep te vragen er een leerling bij te nemen?’ vroeg hij. ‘Deze twee zijn zelf niet veel meer dan leerlingen.’
‘Daar heb ik over nagedacht,’ antwoordde Blauwster. ‘Maar Langstaart zal het druk genoeg hebben met Snelpoot, en Donkerstreep moet Schorspoot voorbereiden op het krijgerschap.’
‘Wat denk je van Jaagwind?’ vroeg Tijgerklauw.
‘Jaagwind is een goede jager en een loyaal krijger,’ antwoordde Blauwster. ‘Maar ik denk niet dat hij genoeg geduld heeft voor het mentorschap. De DonderClan kan hem beter voor andere doeleinden gebruiken.’
‘En je denkt dat deze twee wel hebben wat nodig is om DonderClankrijgers te trainen?’
Vuurhart kromp ineen. Tijgerklauw keek alleen naar hem toen hij dat zei. Denkt hij soms dat een poesiepoes niet in staat is Clangehoren katten te trainen? vroeg hij zich nijdig af.
Blauwster keek strak terug naar haar commandant.
‘We zullen het zien. Vergeet niet dat ze de WindClan terug hebben gebracht. En, Tijgerklauw,’ voegde ze eraan toe, ‘ik reken er natuurlijk op dat jij een oogje in het zeil houdt.’ Tijgerklauw knikte en Blauwster wendde zich weer tot Vuurhart en Grijsstreep. ‘Ga wat eten,’ beval ze. ‘En daarna slapen. We zullen op maanhoog de naamceremonie voor de jongen houden.’
Vuurhart nam Grijsstreep mee naar buiten en liet Tijgerklauw achter bij Blauwster. De regen was overgegaan in een lichte motregen.
‘Ik rammel van de honger,’ miauwde Vuurhart. Hij rook de warme geur van verse prooi op de open plek. Ga je mee wat te eten halen?’
Grijsstreep stond achter hem en tuurde droevig in de verte. Langzaam schudde hij van nee. ‘Ik wil alleen maar slapen,’ mompelde hij.
Zodra hij genoeg had gegeten drong Vuurhart het krijgershol binnen. Grijsstreep had zich opgerold tot een bal met zijn kop verstopt onder zijn poten. Vuurharts oogleden waren zwaar, maar zijn vacht was nog drijfnat en dus dwong hij zichzelf tot een grondige wasbeurt voor hij zich in zijn warme nest oprolde.
* * *
Wilgvacht maakte Vuurhart met een zacht duwtje wakker. ‘Tijd voor de ceremonie,’ fluisterde ze.
Vuurhart hief zijn kop op en knipperde met zijn ogen. ‘Bedankt, Wilgvacht,’ miauwde hij terwijl ze het hol uitdook.
Hij gaf Grijsstreep een por. ‘De ceremonie,’ siste hij, daarna stond hij op en rekte zich uit op zijn tenen tot zijn poten trilden. Hij stond op het punt mentor te worden! Opwinding tintelde in zijn poten.
Grijsstreep bewoog zich en ontrolde zich traag als een bejaarde kat. Ineens leken Vuurpoots poten zich hun lange reis te herinneren en begonnen weer pijn te doen.
Maar het regende tenminste niet meer. In stilte trippelden Vuurhart en Grijsstreep de open plek op. De maan scheen boven de bomen en schilderde de natte takken zilver.
‘Goed dat jullie de WindClan terug hebben gebracht!’ Vuurhart schrok op van de opgewekte stem. Hij draaide zich om en zag Halfstaart naast hem komen zitten. ‘Je moet het verhaal eens op een avond aan de oudsten komen vertellen.’
Vuurhart knikte afwezig en keek weer naar de open plek. IJzelvacht zat al onderaan de Hogesteen met aan elke kant een jong, een vlekkerig grijs en een oranje. De witte moederkat draaide haar kop en likte achter hun oren. Het kleine grijze poesje schudde ongeduldig haar kop over het gemoeder van IJzelvacht.
Opnieuw tintelde Vuurharts vacht van opwinding. Naast hem zat Grijsstreep naar de grond te staren. ‘Ben jij niet opgewonden?’ vroeg Vuurhart.
Grijsstreep haalde zijn schouders op.
‘Grijsstreep,’ — Vuurhart liet zijn stem dalen — ‘Witklauws dood was jouw schuld niet. Het was de slechtste plaats voor een aanval en dat moeten de RivierClankatten geweten hebben. Zandpoot ging ook bijna over de rand,’ voegde hij eraantoe.
Hij keek naar Zandpoot die in de buurt zat. Naast haar staarde Schorspoot hem aan met open jaloezie in zijn ogen. Vuurhart kon het hem niet kwalijk nemen. Hij stond op het punt mentor te worden terwijl Schorspoot nog niet eens zijn krijgersnaam had gekregen. Maar hij kromp ineen toen Schorspoot zich naar Zandpoot toeboog en haar toefluisterde, zo hard dat Vuurhart het kon horen: ‘Ik heb medelijden met Vuurharts leerling. Stel je voor: een Clankat die getraind wordt door een poesiepoes!’
Maar deze keer reageerde Zandpoot niet. Ze wierp alleen een gegeneerde blik op Vuurhart.
Vuurhart wendde zich weer naar Grijsstreep. ‘Blauwster geeft jou ook de schuld niet,’ hield hij vol. ‘Zij weet dat jij een goede krijger bent. Ze geeft jou een eigen leerling.’ Grijsstreep keek op en antwoordde bitter: ‘Ze doet het alleen maar omdat de DonderClan meer leerlingen nodig heeft. En waarom hebben we die nodig? Omdat ik de RivierClan reden heb gegeven om ons te haten!’
Vuurhart was geschokt door de bittere klank van zijn stem, maar voor hij nog meer kon zeggen riep Blauwster hen bij zich. Vuurhart trippelde naar zijn Clanleider en Grijsstreep volgde.
Toen ze midden op de open plek stonden keek Blauwster de verzamelde katten rond. ‘Op deze maanhoog komen wij bijeen om twee nieuwe leerlingen hun naam te geven. Kom maar naar voren, jullie twee.’
Het grijze jong schoot van haar moeders zijde de open plek op met een hoog opgeheven pluizige staart en wijd open blauwe ogen. Het oranje kleintje kwam langzamer naar voren. Hij stapte naar de voet van de Hogesteen met gespitste oren en een ernstige frons op zijn gezicht.
Vuurharts hart begon te bonzen in zijn borst — welke van dit kittens zou hem gegeven worden? Hij had het gevoel dat het plechtig kijkende, rode katertje gemakkelijker te trainen zou zijn, maar er was iets in het stuntelige enthousiasme van het grijze jong dat hem aan zichzelf deed denken toen hij voor het eerst bij de Clan kwam.
‘Vanaf deze dag,’ miauwde Blauwster neerkijkend op het grijze poesje, ‘tot zij haar krijgersnaam heeft verdiend zal deze leerling Sintelpoot heten.’
‘Sintelpoot!’ Het grijze poesje kon er niets aan doen dat ze even haar nieuwe naam hardop moest zeggen. IJzelvacht liet een waarschuwend gesis horen en Sintelpoot knikte verontschuldigend.
‘Vuurhart,’ miauwde Blauwster, jij bent klaar voor je eerste leerling. Jij zult Sintelpoots training op je nemen.’ Trots vlamde op in Vuurharts borst. ‘Jij hebt het geluk gehad, Vuurpoot, dat je meer dan een mentor hebt gehad. Ik verwacht dat je alles wat ik je geleerd heb, zult doorgeven aan deze jonge leerling’ — Vuurhart begon zich plotseling een beetje overweldigd te voelen, Blauwsters woorden legden een zware verantwoordelijkheid op hem, en hij wist niet of hij daar wel klaar voor was — ‘en dat je haar alle vaardigheden zult bijbrengen die jij van Tijgerklauw en Leeuwenhart hebt geleerd.’
Bij de naam Leeuwenhart zag Vuurhart in gedachten de gouden krijgskat op hem neerkijken vanaf de Zilverpels met warme, bemoedigende ogen. Hij hief zijn kop op en beantwoordde Blauwsters blik zo vastberaden als hij maar kon.
‘En deze leerling’ — Blauwster richtte haar blik op het rode katje — ‘zal Stropoot heten.’ Stropoot bewoog niet en maakte geen geluid.
‘Grijsstreep, jij zult Stropoot trainen. Onze betreurde vriend Leeuwenhart was jouw mentor. Ik hoop dat zijn kwaliteiten en wijsheid via jou worden doorgegeven aan je nieuwe leerling.’
Grijsstreep hief zijn kop hoog op bij Blauwsters woorden en één ogenblik kwam een glimp van trots in zijn ogen. Hij kwam naar voren en raakte de neus van zijn nieuwe leerling aan met de zijne. Stropoot beantwoordde de aanraking beleefd. Alleen zijn oogjes die straalden als sterren, verraadden dat dit jonge katje even opgewonden was als zijn zusje.
Zodra Vuurpoot de andere twee eikaars neus zagen aanraken, besefte hij dat hij dat ook had moeten doen. Hij stapte vlug naar voren. Sintelpoots kop ging met een ruk omhoog zodat hun neuzen pijnlijk tegen elkaar aanstootten. Sintelpoot raakte zijn neus nog eens aan, dit keer minder onhandig, maar Vuurpoots ogen begonnen te tranen. Hij zag aan Sintelpoots trillende snorren dat ze haar lachen probeerde in te houden, en hij voelde zich warm worden van verlegenheid. Ik ben een mentor, zei hij vermanend tegen zichzelf.
Vuurhart keek de rest van de Clan rond. Hij zag alle katten goedkeurend knikken. Daarna kreeg hij Tijgerklauw in het oog. Vanaf de rand van de open plek leek de amberkleurige blik van de commandant hem te bespotten.
Vuurhart keek haastig op Sintelpoot neer die met onverholen bewondering naar hem op staarde. Ineens prikte Vuurharts vacht. Hij wilde meer dan wat ook een groot krijger en een goede mentor zijn, maar het leek pijnlijk duidelijk dat Tijgerklauw gewoon zat te wachten tot hij zou mislukken.