Hoofdstuk 9 - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
Toen Vuurhart wakker werd vond hij Grijsstreep naast zich, ineengedoken op zijn buik als een konijn, met stijve schouders en een dik opgezette vacht. Grijsstreep?’ miauwde hij zachtjes.
Grijsstreep schrok op.
‘Gaat het wel goed met je?’
Grijsstreep ging rechtop zitten. ‘O ja, prima.’
Vuurhart was bang dat de opgewekte stem van zijn vriend niet helemaal oprecht was, maar hij deed in elk geval zijn best om positief te klinken.
‘Het is koud zo te zien,’ miauwde Vuurhart. Grijsstreeps woorden waren er in wolken uitgekomen terwijl Vuurhart nog steeds knus tussen de warme lichamen van de andere krijgskatten in lag.
‘Dat is het zeker!’ Grijsstreep boog zijn kop om zijn borst te likken.
Vuurhart kwam overeind en schudde zijn kop. De lucht smaakte naar vorst. ‘Wat ga je vandaag met Stropoot doen?’ vroeg hij.
‘Hem het woud laten zien,’ antwoordde Grijsstreep.
‘Ik kan Sintelpoot meenemen, dan kunnen we met zijn allen gaan.’
‘Het is misschien beter dat we vandaag apart gaan,’ antwoordde Grijsstreep.
Vuurhart voelde zich een beetje in zijn wiek geschoten. Zij waren als leerling samen door de jachtvelden van de DonderClan geleid. Hij had die tocht graag als mentor opnieuw gedaan. Maar als Grijsstreep liever alleen wilde gaan, dan kon Vuurhart hem dat niet echt kwalijk nemen. ‘Prima,’ mauwde hij. ‘Ik zie je later nog wel. Dan kunnen we samen eten en onze leerlingen vergelijken.’
‘Dat is goed,’ miauwde Grijsstreep.
Vuurhart sloop het hol uit. Buiten was de lucht zelfs nog kouder. Zijn adem wolkte als rook uit zijn neusgaten. Hij huiverde, zette zijn vacht op en strekte een voor een zijn poten. De grond voelde hard als steen toen hij naar het leerlingenhol draafde. Daarbinnen sliep Sintelpoot nog als een roos, een donzig grijs hoopje dat rees en daalde bij het ademen.
‘Sintelpoot!’ riep hij zachtjes, en meteen hief het grijze poesje haar kop op. Vuurhart trok zijn kop terug en even later kwam Sintelpoot klaarwakker en enthousiast het hol uit springen.
‘Wat gaan we vandaag doen?’ mauwde ze en keek met gespitste oren naar hem op.
‘Ik dacht dat ik je maar eens mee moest nemen op een rondje door het Donderterritorium.’
‘Gaan we dan ook naar het donderpad?’ vroeg Sintelpoot verlangend.
‘Eh, ja, ook daarheen,’ antwoordde Vuurhart. Hij was bang dat het een teleurstelling voor Sintelpoot zou zijn wanneer ze zag wat een smerige, stinkende plek het was. ‘Heb je honger?’ vroeg hij met het idee dat ze misschien eerst zou moeten eten.
‘Nee!’ Sintelpoot schudde haar kop.
‘O, oké. Dan eten we straks wel,’ miauwde Vuurhart. ‘Goed dan, volg mij.’
‘Ja, Vuurhart.’ De jonge kat keek met glinsterende ogen naar hem op. De lichte droefenis die in Vuurharts maag was achtergebleven van het gesprek met Grijsstreep, werd weggevaagd door een warm gevoel van trots. Hij draaide zich om en liep naar de ingang van het kamp.
Sintelpoot schoot langs hem heen en stormde de doorntunnel door. Vuurhart moest hard lopen om haar in te halen. ‘Ik dacht dat ik gezegd had dat je me moest volgen!’ riep hij terwijl hij de zijkant van het ravijn opklauterde.
‘Maar ik wil zo graag zien hoe het er van bovenaf uitziet,’ protesteerde Sintelpoot.
Vuurhart sprong achter haar aan. Hij haalde haar met gemak in, klom omhoog en bleef daar zijn voorpoot zitten wassen met één oog op haar klim van rots tot rots. Tegen de tijd dat ze bovenaan het kampravijn was gekomen was ze helemaal buiten adem, maar nog steeds even enthousiast. ‘Moet je die bomen zien! Ze lijken wel gemaakt van maansteen,’ hijgde ze.
Ze had gelijk. De bomen beneden hen glinsterden wit in de zon. Vuurhart ademde de koude lucht diep in. ‘Probeer je krachten een beetje te sparen,’ waarschuwde hij. ‘We hebben vandaag nog een heel eind te gaan.’
‘O ja. Oké. Welke kant op?’ Ze kneedde de grond met ongeduldige poten, klaar om het bos in te vliegen.
‘Volg mij,’ miauwde Vuurhart. Met gespeelde strengheid kneep hij zijn ogen halfdicht. ‘En dit keer bedoel ik echt dat je mij moet volgen!’ Hij ging haar voor naar een spoor langs de rand van het ravijn naar de zandkuil waar hij had leren jagen en vechten.
‘Dit is waar we het grootste deel van onze training zullen doen,’ legde hij uit. Tijdens groenblad filterden de bomen de zonneschijn tot een warm vlekkerig licht, maar nu stroomde koud daglicht ongehinderd over de bevroren, rode aarde.
‘Heel veel manen geleden stroomde hier een rivier. Achter die heuvel daar vind je nog steeds een beek,’ mauwde Vuurhart wijzend met zijn neus. ‘Het grootste deel van het warme seizoen staat hij droog. Daar heb ik mijn eerste prooi gevangen.’
‘Wat heb je toen gevangen?’ Sintelpoot wachtte niet op antwoord. ‘Denk je dat de beek bevroren is? Laten we gaan kijken of er ijs op staat!’ Ze stormde de kuil in en de heuvel op.
‘Dat zie je een andere keer wel!’ riep Vuurhart haar na. Maar Sintelpoot rende gewoon door, dus moest Vuurhart wel achter haar aan gaan. Bovenaan de heuvel bleef hij naast haar staan en samen keken ze op de beek neer.
Ijs had zich gevormd langs de randen, maar de snelheid waarmee de beek over zijn zandbedding stroomde had voorkomen dat hij helemaal bevroor.
‘Daar zou je nu niet veel vangen,’ mauwde Sintelpoot. ‘Behalve vis misschien.’
Het zien van de plek waar hij zijn eerste prooi had gevangen, vervulde Vuurpoot van gelukkige herinneringen. Hij keek naar Sintelpoot die op de rand van de stroom stond en haar nek uitrekte om in het zwarte water te turen. ‘Als ik jou was, zou ik het vissen maar aan de RivierClan overlaten,’ waarschuwde Vuurhart haar. Als zij een natte vacht leuk vinden, dan gaan ze hun gang maar. Ik houd mijn poten liever droog.’
Sintelpoot trippelde rusteloos rond in een cirkel. ‘Waar gaan we nu naartoe?’
Haar opwinding en zijn eigen herinneringen gaven Vuurhart nieuwe energie. Hij sprong weg en riep over zijn schouder: ‘De uilenboom!’ Sintelpoot stormde hem achterna met haar korte pluisstaart wuivend omhoog.
Over een omgevallen boomstam die Vuurhart al vaak had gebruikt, staken ze de beek over. ‘Verderop kun je op stenen oversteken, maar dit is een kortere weg. Maar wees wel voorzichtig!’ De bleek-witte stam had al zijn schors verloren. ‘Hij wordt glibberig bij nat weer of vorst.’
Hij liet Sintelpoot eerst oversteken maar bleef vlak achter haar voor het geval zij haar evenwicht zou verliezen. Het water was niet bijzonder diep maar zou ijskoud zijn, en Sintelpoot was nog te klein om tegen een nat pak te kunnen. Ze stak met gemak over en Vuurhart gloeide van trots toen hij zijn leerling aan de overkant op de bosgrond zag springen. ‘Goed zo,’ snorde hij.
Sintelpoots ogen straalden. ‘Bedankt,’ mauwde ze. ‘En waar is die uilenboom dan?’
‘Hierheen!’ Vuurhart sprong weg door het struikgewas. De varens waren dor en bruin geworden sinds het seizoen van groenblad. Tegen het einde van bladval zouden ze plat geslagen worden door regen en wind, maar nu stonden ze nog hoog en stevig overeind. Vuurhart en Sintelpoot baanden zich een weg onder hun gebogen bladeren door.
Voor hen torende een massieve eik hoog boven de omringende bomen uit. Sintelpoot wierp haar kop naar achteren om de top te zien. ‘Woont er echt een uil in?’ vroeg ze.
‘Ja,’ antwoordde Vuurhart. ‘Zie je daarboven die holte in de stam door de takken heen?’
Sintelpoot versmalde haar ogen om tussen de takken door te turen. ‘Hoe weet je dat het geen eekhoornhol is?’
‘Ruik!’ beval Vuurhart haar.
Sintelpoot snoof luidruchtig maar schudde haar kop. Met nieuwsgierige ogen keek ze naar Vuurhart op.
‘Ik zal je wel een andere keer de lucht van een eekhoorn laten ruiken,’ miauwde Vuurhart. ‘Hier zul je die niet vinden. Geen eekhoorn zou het wagen een nest zo dicht bij een uilennest te maken. Kijk eens op de grond. Wat zie je daar?’
Sintelpoot keek verwonderd omlaag. ‘Bladeren?’
‘Wroet eens onder de bladeren.’
Op de bosgrond lag een laag bruine eikenbladeren die knapperig waren van de vorst. Sintelpoot begon erin te snuffelen en stak daarna haar neus erin tot aan haar oren. Toen ze weer overeind kwam, hield ze iets ter grootte van een dennenappel in haar mond. ‘Jakkie, dat stinkt naar kraaienvoer!’ spuugde ze. Vuurhart proestte het uit.
‘Jij wist dat dat daar lag, hè?’
‘Blauwster heeft mij dezelfde poets gebakken toen ik leerling was. Die stank vergeet je nooit meer.’
‘Wat is het?’
‘Een uilenbal,’ legde Vuurhart uit. Hij herinnerde zich wat Blauwster hem had verteld. ‘Uilen eten dezelfde prooi als wij, maar ze kunnen de botten en de vacht niet verteren, dus die worden in hun maag opgerold tot een bal die ze uitbraken. Als je er een onder een boom vindt, dan wil dat zeggen dat je een uil gevonden hebt.’
‘Waarom zou je een uil willen vinden?’ piepte Sintelpoot gealarmeerd. Toen hij in haar wijdopen gesperde ogen keek, die net zo blauw waren als die van haar moeder, trilden Vuurharts snorren. IJzelvacht moet haar het fabeltje hebben verteld dat uilen stoute jongen meenamen als ze niet dicht bij hun moeder bleven.
‘Uilen zien meer van het bos dan wij. Wanneer op winderige nachten geuren moeilijk te volgen zijn, kun je uitkijken naar uilen en ze volgen naar de plekken waar zij jagen.’ Sintelpoots ogen stonden nog steeds wijd open, maar ze keek niet bang meer en ze knikte. Soms luistert ze dus wel, dacht Vuurhart opgelucht.
‘Waar gaan we nu heen?’ vroeg Sintelpoot.
‘Naar de grote plataan,’ besloot Vuurhart. Terwijl de zon opkwam in een bleekblauwe lucht draafden ze door de bossen, staken een tweebeenpad over en daarna een klein beekje.
Ten slotte bereikten ze de plataan.
Wat is hij reusachtig groot,’ hijgde Sintelpoot.
‘Kleinoor zegt dat hij helemaal tot in de hoogste takken is geklommen toen hij een leerling was.’ miauwde Vuurhart.
‘Bestaat niet!’ piepte Sintelpoot.
‘Maar bedenk wel dat in de tijd dat Kleinoor leerling was, de plataan waarschijnlijk nog maar een klein boompje was,’ grapte Vuurhart. Hij staarde nog steeds naar boven toen een geritsel achter hem vertelde dat Sintelpoot er weer vandoor was gegaan. Zuchtend rende hij achter haar aan door de varens. Zijn neus ontdekte een bekende geur die hem heel ongerust maakte. Sintelpoot was op weg naar de slangenrotsen. Adders! Vuurhart rende nog harder.
Hij kwam uit het bos en keek angstig om zich heen. Sintelpoot stond op een rotsblok onderaan een steile rotshelling. ‘Kom mee!’ riep ze. ‘Wie het eerste boven is!’
Vuurhart bleef stokstijf staan terwijl ze achteruit deinde op haar flanken om op het volgende rotsblok te springen. ‘Sintelpoot! Kom daar onmiddellijk af!’ brulde hij.
Hij hield zijn adem in toen Sintelpoot zich omdraaide en van de rots afklauterde. Bevend bleef ze staan terwijl Vuurhart op haar af stormde. ‘Deze plek heet de slangenrotsen,’ hijgde hij.
Sintelpoot keek met grote ogen naar hem op. ‘Slangenrotsen?’
‘Hier wonen adders. Een kleine kat als jij kan gedood worden door één beet van een adder!’ Vuurhart gaf haar een snelle lik over haar kop. ‘Kom mee. Laten we naar het Donderpad gaan kijken.’
Sintelpoot hield meteen op met beven. ‘Het Donderpad?’
‘Ja,’ miauwde Vuurhart. ‘Volg mij!’ Hij ging Sintelpoot voor door de varens over een spoor dat om de slangenrotsen heen liep en naar het deel van het woud leidde waar het Donderpad doorheen sneed als een harde, grijze rivier van steen.
Vuurhart hield Sintelpoot scherp in het oog toen ze op de bosrand bleven staan kijken. Hij zag aan haar zwiepende staart dat Sintelpoot brandde van verlangen om erheen te sluipen en aan het Donderpad te ruiken. Een bekend gedonder in de verte trof zijn oor en hij voelde de grond trillen onder zijn poten, ‘Blijf waar je bent!’ waarschuwde hij. ‘Er komt een monster aan.’
Sintelpoot deed haar mond een klein eindje open.
‘Jakkie!’ miauwde ze met opgetrokken neus en plat liggende oren. Het gerommel kwam dichterbij en een vorm verscheen aan de horizon. ‘Is dat een monster?’ mauwde ze. Vuurhart knikte.
Bij het naderen van het brullende monster ontblootte Sintelpoot haar nagels om zich aan de grond vast te houden. Ze kneep haar ogen stijf dicht toen het voorbij denderde en de lucht om hen heen veranderde in een storm van wind en geluid. Ze bleef haar ogen dichthouden tot het geluid in de verte was weggestorven.
Vuurhart schudde zijn kop om zijn geurklieren schoon te maken. ‘Snuif de lucht op,’ miauwde hij. ‘Ruik je behalve de stank van het Donderpad nog iets anders?’ Hij wachtte terwijl Sintelpoot haar kop ophief en een paar keer diep inademde.
Na een poosje mauwde ze: ‘Ik herinner me die geur van toen Brokkelster ons kamp aanviel. En de jongen die hij had gestolen, hadden diezelfde geur ook toen jij ze weer terugbracht. Het is de SchaduwClan! Is dat hun territorium aan de overkant van het Donderpad?’
‘Ja,’ antwoordde Vuurhart. Hij voelde zijn vacht tintelen bij de gedachte aan de nabijheid van vijandig Clangebied. ‘We kunnen beter hier vandaan gaan.’
Hij besloot Sintelpoot mee te nemen over de lange route langs de tweebeenplaats, zodat ze de hoogsparren en de boometerplaats kon zien.
Onder de dunne sparren maakten de geuren van de tweebeenplaats Vuurhart onrustig, ook al had hij als kitten niet ver daarvandaan gewoond. ‘Blijf op je hoede,’ waarschuwde hij Sintelpoot die achter hem aan sloop. ‘Tweebenen wandelen hier soms met honden.’
De twee katten doken ineen onder de bomen om naar de hekken langs het tweebeenterritorium te kijken. De frisse lucht bracht een geur in Vuurharts neus die een vreemd warm gevoel bij hem opriep, al wist hij niet waarom.
‘Kijk daar!’ Sintelpoot wees met haar neus op een vrouwtjeskat die door het bos trippelde. De lichtbruine cyperse poes had een duidelijk witte borst en witte voorpoten. Haar buik was gezwollen van ongeboren kittens.
‘Poesiepoes!’ hoonde Sintelpoot en zette haar haren op. ‘Laten we haar wegjagen!’
Vuurhart verwachtte zijn gebruikelijke golf van agressie bij het zien van een onbekende op Donderterritorium, maar zijn haren bleven liggen. Om de een of andere reden, die hij niet begreep, wist hij dat deze kat geen bedreiging vormde. Vóór Sintelpoot tot de aanval kon overgaan, raakte hij opzettelijk een knapperig droge varen.
De poes schrok op van het geluid. Haar ogen gingen wijd open van angst, ze draaide zich op slag om en verdween zo snel ze maar kon uit het bos. Even later hees ze zich over een van de tweebeenhekken.
‘Stik!’ klaagde Sintelpoot. ‘Ik wilde net achter haar aan gaan! Ik wil wedden dat Stropoot vandaag achter honderd dingen heeft aangezeten.’
‘Jawel, maar hij is vast niet bijna door een adder gebeten,’ antwoordde Vuurhart en zwaaide met zijn staart naar haar. ‘Kom mee. Ik begin honger te krijgen.’
Sintelpoot volgde hem door de hoge sparren, mopperend over de naalden die in haar poten prikten. Vuurhart waarschuwde haar zich stil te houden, omdat nergens struiken waren om je in te verstoppen en hij zich net als elke Clankat weinig op zijn gemak voelde in open terrein. Ze volgden een van de stinkende sporen die gemaakt was door het boometermonster en bleven staan op de rand van de boometerplaats. Het was er stil, zoals Vuurhart wist dat het zou blijven tot het volgende groenblad. Tot die tijd herinnerden alleen die sporen — diep, breed en hard bevroren in de grond — de DonderClan aan het monster dat in hun bos leefde.
Tegen de tijd dat ze terugkwamen in het kamp, was Vuurhart uitgeput; zijn spieren waren nog steeds niet hersteld van de lange tocht met de WindClan. Sintelpoot leek ook moe. Ze onderdrukte een geeuw en ging op zoek naar Stropoot.
Vuurhart zag Grijsstreep wenken naast de brandnetelkluit.
‘Hier, ik heb wat verse prooi voor je meegenomen,’ miauwde Grijsstreep. Hij haakte een dode muis aan zijn klauw en gooide hem naar Vuurhart toe.
Vuurhart ving hem met zijn tanden op en ging naast Grijsstreep liggen. ‘Goeie dag gehad?’ mompelde hij met volle mond.
‘Beter dan gisteren,’ antwoordde Grijsstreep. Vuurhart keek bezorgd naar hem op, maar Grijsstreep vervolgde: ‘Eigenlijk vond ik het wel leuk. Stropoot wil dolgraag leren, dat is zeker.’
‘Sintelpoot ook.’ Vuurpoot ging door met kauwen.
‘Maar ik moet wel zeggen,’ vervolgde Grijsstreep met een glinstering in zijn ogen,‘dat ik de hele tijd vergat dat ik de mentor was en niet de leerling!’
‘Ik ook,’ bekende Vuurpoot.
Ze tongden samen tot de maan opkwam en de kilte van de avond hen het hol in dreef. Grijsstreep lag binnen een paar tellen te ronken, maar Vuurhart voelde zich vreemd wakker. Het beeld van de zwangere poes bleef maar door zijn hoofd spoken, en ook al werd hij omgeven door de vertrouwde geuren van de DonderClankatten, haar zachte poesiepoeslucht leek in zijn neusgaten achtergebleven te zijn.
Ten slotte sliep hij in, maar zijn dromen brachten allemaal dezelfde geur tot hij uiteindelijk van zijn vroegste jeugd droomde. Hij herinnerde zich hoe hij naast zijn moeders buik lag, opgerold in een bed dat zachter was dan het zachtste mos, samen met zijn broers en zusjes. En nog steeds hing daar de geur van de poes.
Plotseling vlogen Vuurharts ogen open en was hij klaarwakker. Ja, natuurlijk! De poes die hij in het bos had gezien… was zijn zusje!