Inleiding - Warrior Cats: Water en vuur
By Erin Hunter
ORANJE VLAMMEN lekten naar de koude lucht en een wolk vonken steeg hoog de nachtelijke hemel in.
Het schijnsel van het vuur flakkerde over een braakliggend terrein van ruwe graspollen rond de silhouetten van de tweebenen die eromheen zaten.
Een paar witte lichten verscheen in de verte en kondigde de nadering van een monster aan. Het denderde over een donderpad dat in de hoogte oprees, en vervulde de lucht van zure damp.
Op de rand van de woestenij verscheen een kat met ogen die glinsterden in de duisternis. Puntige oren bewogen heen en weer en werden plat gevouwen bij het kabaal. Meer katten volgden, de een na de ander, over het smerige gras.
Ze lieten hun staarten laag bij de grond hangen en snoven de bittere lucht op met opgekrulde lippen.
‘Maar wat als de tweebenen ons zien?’ siste een van de katten.
Een grote kater gaf antwoord; de ambere schijven van zijn ogen weerspiegelden het schijnsel van het vuur.
‘Dat gebeurt heus niet. Zij kunnen ’s nachts bar slecht zien.’
Terwijl hij doorliep verlichtten de vlammen de zwartwitte vacht op zijn sterke schouders. Hij hield zijn lange staart fier omhoog alsof hij zijn Clan moed in wilde spreken.
Maar de andere katten drukten zich bevend tegen het gras. Dit was een vreemde plek. Het lawaai van de monsters beukte op hun gevoelige oorvacht en de scherpe stank prikte in hun neusgaten.
‘Langster?’ Een grijze moederkat zwiepte onbehaaglijk met haar staart. ‘Waarom heb je ons hier gebracht?’
De zwart-witte kater draaide zich om naar de poes.
‘We zijn verjaagd van elke plek waar we ons probeerden te vestigen, Aswolk. Misschien kunnen we hier in vrede leven,’ miauwde hij.
‘Vrede? Hier?’ echode Aswolk ongelovig. Ze trok haar jong tegen zich aan onder de beschutting van haar buik. ‘Met vuur en monsters? Hier zijn mijn jongen niet veilig!’
‘Maar thuis waren we ook niet veilig,’ miauwde een andere stem. Hinkend op een misvormde poot drong een zwart-witte kater naar voren. Hij hield Langsters ambere blik vast. ‘We konden ze niet tegen de SchaduwClan beschermen,’ spuugde hij. ‘Niet eens in ons eigen kamp!’
Angstige geluiden klonken op van sommige andere katten bij de herinnering aan de verschrikkelijke strijd die hen uit hun gebied op het hoogland aan de rand van het woud had verdreven.
Een jonge leerling jammerde: ‘Misschien zitten Brokkelster en zijn krijgers nog steeds achter ons aan!’
Zijn gejammer trok de aandacht van een van de tweebenen rond het vuur. Hij stond wankelend op en staarde hun kant op het donker in. Meteen hielden de katten zich stil en drukten zich nog lager tegen de grond; zelfs Langster liet zijn staart zakken. Schreeuwend naar de duisternis smeet de tweebeen iets in hun richting, dat over hen heen vloog en in een fontein van doornscherpe splinters uiteenspatte op het donderpad achter hen.
Aswolk kromp ineen toen een scherf haar schouder schramde, maar ze hield zich doodsstil en krulde haar lichaam rond haar doodsbenauwde jong.
‘Kop inhouden,’ siste Langster.
De tweebeen bij het vuur spoog op de grond en ging weer zitten.
Nog een poosje bleven de katten zo zitten tot Langster weer opstond.
Ook Aswolk stond op. Ze huiverde bij de nieuwe pijn in haar schouder. ‘Langstaart, ik vrees voor onze veiligheid hier. En wat moeten we eten? Ik ruik hier geen enkele prooi.’
Langstaart strekte zijn kop uit en legde zijn snuit zachtjes op de kop van de moederkat. ‘Ik weet dat je honger hebt,’ mauwde hij. ‘Maar we zullen hier veiliger zijn dan in ons vroegere territorium, of in de velden en bosjes van de tweebenen. Kijk naar deze plek! Zelfs de SchaduwClan zal ons hier niet volgen. Er is geen hondengeur en die tweebenen kunnen nauwelijks op hun benen staan.’ Hij draaide zich om naar de zwarte kater met de misvormde poot. ‘Doodvoet,’ beval hij, ‘neem Eensnor mee en kijk of je iets te eten kunt vinden. Waar tweebenen zijn moeten ook ratten zitten.’
‘Ratten?’ spuugde Aswolk toen Doodvoet en een kleinere bruine Cyperse kat wegrenden. ‘Dat is niet veel beter dan kraaienvoer!’
‘Sst!’ siste een lapjeskat naast haar. ‘Rattenvlees is altijd nog beter dan doodhongeren.’
Aswolk keek nijdig en boog haar kop om haar jong achter zijn verfomfaaide oren te likken.
‘We moeten een nieuwe plek vinden om ons kamp te maken, Aswolk,’ ging de lapjeskat wat zachter verder. ‘Ochtendbloem moet rusten en eten. Haar jongen zullen al gauw geboren worden. Ze moet op krachten komen.’
De magere gestalten van Doodvoet en Eensnor doken op uit het donker.
‘Je had gelijk, Langster,’ riep Doodvoet. ‘Er zijn hier overal rattengeuren, en ik geloof dat ik een plek gevonden heb waar we kunnen schuilen.’
‘Laat maar zien,’ beval Langster en verzamelde de rest van de Clan met een zwaai van zijn staart.
Behoedzaam trippelden de katten door de woestenij achter Doodvoet aan. Hij nam hen mee naar het oprijzende donderpad waar hun schaduwen over de hoge stenen poten gleden. Boven hen denderde een monster voorbij en de grond schudde. Maar zelfs het kleinste kitten voelde de noodzaak tot stilte en bibberde zonder het uit te schreeuwen.
‘Hier,’ miauwde Doodvoet en bleef staan bij een rond hol van twee katten hoog waar een zwarte tunnel omlaag de grond inging. Er liep een constante stroom water in.
‘Het water is fris,’ voegde Doodvoet eraan toe. ‘We zullen het kunnen drinken.’
‘We zullen dag en nacht natte poten hebben!’ klaagde Aswolk.
‘Ik ben erin geweest,’ vertelde de zwarte kater haar. ‘Er is ruimte op enige afstand van het water. Daar zullen we in elk geval veilig zijn voor tweebenen en monsters.’
Langster stapte naar voren en hief zijn kin op. ‘De WindClan is lang genoeg onderweg geweest,’ verklaarde hij. ‘Het is al bijna een maan geleden dat de SchaduwClan ons uit ons gebied heeft verdreven. Het weer wordt kouder en het seizoen van bladkaal breekt binnenkort aan. We hebben geen keus, we moeten hier wel blijven.’
Aswolk kneep haar ogen halfdicht maar zei niets. Zwijgend voegde ze zich bij haar Clan, die kat voor kat de donkere tunnel inging.